Zoeken

Op de praatstoel met Bart Geerinckx (deel 2)

Het nobele ras Geerinckx dat door de meesterhand van vader Luc werd gesmeed wordt door Bart naar de grootste hoogten geleid. Geen andere kolonie in de duivensport is momenteel zo ‘hot’ als die van Bart Geerinckx. PIPA ging een kijkje nemen achter de schermen en zette Bart voor u op de praatstoel.


Bart Geerinckx en Nikolaas Gyselbrecht met de twee diploma's als winnaar in de PIPA-Rankings

Recuperatie en training, belangrijke sleutelwoorden

PIPA: Vanaf de halve fond start het weduwschap voor de dames. Toon je de doffers voor de vlucht?
Bart: In het begin zeker niet. Het is meer iets om eens te gebruiken als extra motivatie, als piekmoment, bij de topklassiekers vanaf Bourges en Châteauroux. In juli wil ik er ook nog enkele klaarstomen voor Limoges, Jarnac, Brive en/of Tulle. Dan kan wat extra motivatie zijn nut bewijzen.

PIPA: En bij thuiskomst, hoe lang blijven ze dan samen?
Bart: In het begin niet te lang. Eens op de nationale vluchten hangt alles een beetje af van uur van thuiskomst en zwaarte van de vlucht. Na een zware vlucht neem ik de doffers vrij snel weg. Ik hoor of lees soms dat andere liefhebbers ze dan durven samen laten tot de volgende morgen. Ik doe dus juist net het tegenovergestelde.

PIPA: Waarom?
Bart: Omdat de duiven na een zware vlucht sneller moeten recupereren. Dan zijn ze volgens mij eerder gebaat met rust. Wat ik dan wel durf doen, is ze in de week nog eens opvoeren en een halfuurtje hun doffer geven bij thuiskomst of ze eens wat langer samenlaten voor de inkorving. Eens samen overnachten is veeleer iets voor op het einde van het seizoen, bijvoorbeeld na een fondvlucht.

PIPA: En de doffers, hoe ga je daar te werk?
Bart: Ik moet eerst zeggen dat ik flink aan het hok van de doffers gesleuteld heb, vooral aan de lichtinval. Er is nu meer (zon)licht op het hok, wat het hokklimaat sterk bevordert. Doffers hebben duidelijk meer warmte nodig om in topconditie te komen. Duivinnen zijn daar minder gevoelig aan.

PIPA: Brengen de doffers ook een jong groot net voor het seizoen?
Bart: Nee, helemaal niet. Ze werden begin februari gekoppeld en mochten op hun eieren overbroeden, dus tot ze van hun eieren afliepen. Sinds begin maart zitten ze dus op weduwschap en werden ze niet meer gekoppeld. Bij het opleren mochten ze wel eens een ganse dag bij hun duivin blijven bij thuiskomst. Vroeger werden ze een tweetal keer voor drie dagen samen gelaten, maar dat werd geen voltreffer. De jaarlingen waren niet bakvast genoeg.

PIPA: Krijgen zij hun duivin te zien voor vertrek?
Bart: Nee, normaal ook niet. Tenzij eens met het oog op een piekmoment, al is dat geen garantie. Het kan gebeuren dat we de doffers ook eens gaan lappen tijdens de week, dan krijgen ze wel een halfuurtje hun duivin te zien. Maar dat is veeleer uitzondering dan regel.

PIPA: Wanneer of met welk doel las je dan een lapvlucht in?
Bart: Dat kan bij veranderende weersomstandigheden. Stel dat ze bijvoorbeeld twee keer op rij kopwind hadden en ze voorspellen nu serieuze gatwind, dan durf ik de duiven eens gaan lappen met gatwind zodat ze in de week al eens een oefenvluchtje moeten afwerken met wind in de staart. Een beetje op aanvoelen, of inspelen op een veranderende situatie.

PIPA: Hoe ziet de training aan huis eruit tijdens de week?
Bart: Voor mij is training de basis van alles. Wie niet traint, kan niet winnen! Een vast schema of stramien is er evenwel niet. Dat hangt af van het weer en de lastigheidsgraad van de vlucht van het voorbije weekend. Hoe de duiven aanvoelen … Noem het een onderdeel van het duivenliefhebber zijn: zien en aanvoelen wat de duiven nodig hebben.

PIPA: Je zal toch wel ergens een leidraad hebben die je hanteert.
Bart: Klopt. Globaal gezien worden de trainingen naar de nationale klassiekers toe opgedreven gedurende een tweetal weken. Dan trainen de duiven twee keer per dag indien het ’s morgens niet te koud is, om het ritme op te trekken.
Wanneer ze bijna elke week een nationaal vliegen, volstaat één stevige training per dag. Na een lichte vlucht of een tussenvluchtje (op kortere afstand, red.) durf ik wel eens een paar dagen twee trainingen per dag inlassen. De duiven worden in die periode zwaar gevoederd en moeten dus goed doortrainen, anders vetten ze aan. Bovendien betekent goed trainen ook goed eten.

PIPA: Op het vlak van voederen en recuperatie is er de jongste jaren heel wat veranderd. Is dat ook voor de Geerinckx-duiven zo?
Bart: Je slaat de nagel op de kop. Vroeger pakte je vijftien minuten na de eerste prijs nog een kopduif. Die tijden zijn voorbij. Vooral op het vlak van recuperatie is er veel veranderd, naar analogie met andere sporten. De duiven zien er daags na de vlucht nu opnieuw pico bello uit. Dat komt door een snellere en betere recuperatie. Op maandag trainen ze opnieuw als gekken terwijl ze daar vroeger soms drie tot vier dagen of meer voor nodig hadden, afhankelijk van de afstand en zwaarte van de vlucht. Men speelde de duiven dan hooguit om de twee weken. Tegenwoordig gaan ze iedere week de mand in, zelfs op de fond. Daarop moet je als liefhebber selecteren om zo een hok op te bouwen dat dat ook aankan.

PIPA: Overschot van gelijk. De jongste tijd zien we hokken die er niet voor terugdeinzen om hun duiven drie tot zelfs vier fondvluchten (type Limoges, Jarnac, Brive en Tulle, red.) op rij te laten afwerken. Kan je begrijpen dat dat bij sommige sportgenoten de wenkbrauwen doet fronsen?
Bart: Ja, maar sommige pioniers op dat vlak doen het wel en lukken nog ook. Dat komt door een sneller herstel en een betere voeding. Door andere samenstellingen van het voer met vooral een betere balans aan vetten.

PIPA: Dus ook Bart Geerinckx wil of wou daar het fijne van weten?
Bart: Uiteraard. De sleutelwoorden zijn andermaal voeding en recuperatie. Ook hier is het net als bij de training inspelen op de vlucht en de lastigheidsgraad. Het is een vicieuze cirkel, en die moet rond zijn.

PIPA: Hoe ziet de recuperatie van de Geerinckx-duiven eruit?
Bart: Ik gebruik vooral de producten uit het Röhnfried-gamma, soms eens afgewisseld met Backs-producten. Een snelle recuperatie gebeurt met proteïnepoeders op zaterdag en zondag. Tijdens het seizoen krijgen de duiven hier zelden of nooit vitamines, die krijgen ze veeleer in de herfst, tijdens de rui of de kweek (voor de kweekduiven dan wel te verstaan, red.). De eerste dagen na de vlucht worden veel oliën over het voer gedaan.

PIPA: Gevolgd door de voorbereiding naar de volgende vlucht?
Bart: Daar speel ik vooral op in via afwisseling van producten. Let op, niet om de haverklap of iedere dag een ander product. Nee, ik zoek veel meer heil in het effect van een bepaald product door het gebruik gedurende een ganse week. Dat kan Avifarm zijn, zeker bij warm weer, of een week Blitzform, of een week rodebietensap. Een beetje op aanvoelen tijdens het seizoen.

PIPA: Wat met de voeding?
Bart: Dat zijn in grote mate de Matador-mengelingen. Voor het seizoen is dat de startmengeling, maar tijdens het seizoen wordt die enkel gebruikt bij een rustweek, wat voor de duivinnen dan een 100 km-vlucht (lees: Quiévrain, red.) betekent. Dan durf ik een ganse week sedochol te drinken geven en een paar dagen startmengeling te voederen.
We gaan hier bij het opvoederen steeds uit van een harde vlucht en proberen de duiven zo veel mogelijk reserve mee te geven. Met extra vetten onder de vorm van de Turbo-mengeling, pinda’s en walnoten.

PIPA: Hoe ziet het voederschema er doorgaans uit tijdens de week?
Bart: Licht verteerbaar voer is belangrijk voor de duiven. Bij thuiskomst is dat Turbo, soms met kweek erbij. Op zondag half superdieet en half vliegmengeling. Maandag en dinsdag is dat vlieg met Turbo, maar dan gelimiteerd. Woensdag en donderdag is dat een half uur zo veel ze willen met een groter aandeel Turbo (zelfs puur), waarna de rest wordt weggenomen en ze nog een supplement aan pinda’s en walnoten krijgen. 

PIPA: Iedere week de mand in, dan is supergezondheid belangrijk. Hoe speel je daarop in?
Bart: Medicatie wordt hier enkel gegeven op advies van de dierenarts. Voor de start van het seizoen kregen de duiven wel een kuur van een week met een middel tegen trichomonas en in januari een week een breedspectrumantibioticum. Vroeger deed ik dat laatste niet, maar nu wel. De reden: er zitten in de vliegploeg enkele duiven die op de bewuste rampvlucht uit Châteauroux (van augustus 2015, red.) enkele dagen op de dool geweest zijn. Een mens weet nooit waar die gezeten hebben, wat ze gedronken hebben en of er eventueel sluimerende ziektekiemen in hun lichaam vertoeven. Die hebben we proberen uitschakelen met een kuur van een week in januari.

PIPA: Worden de duiven ontsmet na een vlucht? Wanneer ik naar je handen kijk, merk ik toch iets?
Bart: Ja, goed gezien. Net voor je komst kregen de duiven gele druppels toegediend. Als je dat klusje alleen dient te klaren is dat inderdaad niet zo handig, en dat geel gaat er moeilijk af. Die gele druppels zijn voor mij een ideale ontsmetting. Het is geen medicatie, er is geen resistentie en het werkt niet nadelig op de conditie. Bij inkorving met twee nachten mand krijgen ze telkens de gele druppels bij inkorving, bij regenweer of een moeilijker verlopen vlucht ook nog eens bij thuiskomst.

PIPA: En om de kopjes zuiver te houden?
Bart: Medicatie tegen kopziekten wordt hier enkel gegeven als het moet. Ik probeer dat zo lang mogelijk uit te stellen. Volgens mij hebben de gele druppels daar ook een positieve invloed op als ontsmetting.

PIPA: Worden oude en jonge duiven verduisterd en/of bijgelicht?
Bart: Gezien hier geen nationale vluchten met jonge duiven gespeeld worden, heeft dat niet veel zin. Ook de oude duiven worden niet verduisterd, wel bijgelicht vanaf begin juli om de conditie op peil te houden gedurende de laatste vluchten.

PIPA: Met Little Star won je in 2015 de nationale asduif. Heb je een opvolg(st)er op het oog?
Bart: Little Star werd meteen op de kweek gezet, anderen zullen de fakkel nu moeten overnemen. Zeker om te mikken naar een asduif of Olympiadeduif. Afwachten wat het seizoen brengen zal. Er zijn zoveel factoren die daarop hun invloed hebben, niemand heeft een glazen bol.

PIPA: Het kan meezitten, maar ook tegenzitten.
Bart: Mijn voorliefde gaat naar onze Belgische nationale vluchten. De deelnemers zitten verspreid over gans het land. De duiven moeten leren om zich los te trekken uit die massa, leren stukken van het traject alleen te vliegen of in kleinere groepjes, leren eruit te komen. Dat bepaalt voor mij de meerwaarde voor de Belgische sportduif, die daardoor over een betere oriëntatie beschikt. Daar selecteren wij op!

PIPA: Goed, maar om te winnen moet alles toch meezitten?
Bart: Dat klopt. Ligging, massa, trek van de duiven en vooral de wind bepaalt uit welke hoek de nationale winnaar komt. Al moeten de liefhebbers eens leren inzien dat alles begint op lokaal vlak. Velen zien niet in dat je eerst moet leren winnen in je eigen lokaal, je inkorfbureel. Daar zijn de omstandigheden voor de deelnemers toch min of meer gelijk. Pas als je lokaal wint, kan de rest volgen. Als de omstandigheden meezitten, kan je aanspraak maken op meer, te beginnen met provinciaal of zonaal en dan pas nationaal.

PIPA: Verstandige benadering, Bart. Al heb je het als liefhebber niet altijd zelf in handen.
Bart: Dat weet en besef ik. Als duivenliefhebber moet je kunnen incasseren. Niet alles is altijd rozengeur en maneschijn. Iedereen kent tegenslagen, die moet je kunnen verwerken. Dat kan een roofvogel zijn, een rampvlucht of duiven die een kwetsuur oplopen of zich dood vliegen. Het hoort er allemaal bij. Iedereen streeft ernaar die ene topduif te kweken, dat zijn de duiven waarover gesproken wordt. Als daar dan iets verkeerd mee gaat, komt het hard aan.

PIPA: Vooral mentaal hard om te verwerken.
Bart: Volledig met je eens. Topduivensport betekent er alles voor doen, er dag in dag uit voor leven. Maar ook inzien dat het op een dag kan verkeerd gaan en kan tegenzitten. Een rampvlucht bijvoorbeeld. Vandaar de nood aan besef bij lossers en inrichters wat hun verantwoordelijkheid is. Bij een lossing moet de garantie er zijn dat de duiven op zijn minst goed thuisraken.

PIPA: Dan is het aan de duiven om te tonen wat ze in hun mars hebben.
Bart: Kijk, wekelijks in de kop van de uitslagen staan, kan alleen met superduiven. Die moeten op dat moment wel top zijn, dus moet de begeleiding ook top zijn. Die cirkel moet rond zijn, anders heb je het vlaggen. Het verschil zit hem soms in kleine dingen. Het is de taak van de liefhebber die meteen op te merken en weg te werken of bij te sturen.

PIPA: Bart, we wensen je een succesvol 2016 toe! Met onze dank voor deze open en leerrijke babbel.