Zoeken

Op de praatstoel met Bart Geerinckx (deel 1)

Het nobele ras Geerinckx dat door de meesterhand van vader Luc werd gesmeed wordt door Bart naar de grootste hoogten geleid. Geen andere kolonie in de duivensport is momenteel zo ‘hot’ als die van Bart Geerinckx. PIPA ging een kijkje nemen achter de schermen en zette Bart voor u op de praatstoel.

Begin 2012 stond Bart Geerinckx voor een enorme uitdaging. Vader Luc was na een ongelijke strijd tegen zijn ongeneeslijke  ziekte net overleden. Een mokerslag, niet alleen op familiaal vlak. Een even prangende vraag was: hoe moet het nu verder met de duivensport? Bart en kompaan Jurgen stonden er plots alleen voor, hun mentor en rechterhand waarop ze altijd konden terugvallen was er niet meer. Een topkolonie runnen, vraagt bovendien tijd, inzet en overgave. Wanneer je uit werken moet, is dat niet evident. Voor Bart een hartverscheurende keuze tussen werk en hobby. Na een praatje met zijn werkgever besloot Bart het erop te wagen als voltijds prof. Mocht het niet lukken, dan beloofde zijn werkgever dat hij altijd terug bij hem aan de slag kon.

Bart kon er dus vol gas tegenaan. Niet alleen met de wil en de wens het levenswerk van vader Luc verder te zetten, evenzeer met de slagkracht om in zijn opzet te slagen: de naam Geerinckx te bestendigen als nationale topper op de grote halve fond en lichte fond. Dat deed en doet hij nog steeds. En hoe!

Fenomenale start, bevestiging van grote klasse

In 2012 leverden Bart en Jurgen meteen een sterk staaltje vliegkunst af. Hun knap seizoen werd bekroond met de nationale overwinning uit Argenton tegen 12.390 duiven en de 1e Olympiadeduif Allround in Nitra! Wat volgde was fenomenaal ... Welgeteld één jaar later herhaalden ze hun stunt uit Argenton door deze keer 1e én 2e Nationaal Argenton te winnen van 16.363 oude. Zo werd twee jaar op rij een nationale zege op het palmares bijgeschreven. Schitterend!

In 2014 werden de mannen met 2 x 1e Nationaal Zone en 1 x 1e Provinciaal weer rijkelijk met eremetaal bedeeld. Met Acy (1e Olympiadeduif Categorie C) en Sweety (2e Olympiadeduif Categorie B) vertegenwoordigden ze ons land in januari 2015 op de Olympiade in Boedapest.
De apotheose kwam er in 2015 met het winnen van de 1e Nationale Asduif Grote Halve Fond Jaarse KBDB met Little Star, die in de PIPA-rankings tevens de titel Beste Jaarling van België over 5 Nationale Grotehalvefondvluchten pakte.

Bart Geerinckx kende een start om u tegen te zeggen. Tijd dus om even te polsen naar het reilen en zeilen achter de coulissen van de Geerinckx-kolonie. Hoe speelt hij het klaar? Zijn aanpak, zijn succesformule, hij deed het voor PIPA allemaal uit de doeken. Open en bloot.

Bart Geerinckx op de praatstoel

PIPA: Bart, je pa Luc liet je een schitterende erfenis aan duiven na, met zowel een kweekhok als een vliegploeg die op punt stonden. Superklasse die van de naam Geerinckx een nationale topper hadden gemaakt. Hoe heb je het aangepakt om je duivenstam minstens op hetzelfde niveau te handhaven, zo mogelijk nog te verbeteren?
Bart: In reportages over nationale coryfeeën binnen onze duivensport die jarenlang weten en wisten stand te houden aan de absolute top lees je vaak: verkoop nooit de boomgaard, enkel zijn vruchten. Een les die we hier altijd goed in de oortjes hebben geknoopt. Onze beste duiven zijn daarom nooit te koop. Vroeger niet en nu niet. Zij vormen de basis (lees: de boomgaard, red.) voor de uitbouw van de kolonie. Enkel hun afstammelingen zijn af en toe verkrijgbaar. Daarvoor werk ik exclusief samen met PIPA.

PIPA: Wat is je aanpak om nog betere duiven te kweken of je stam nog te verbeteren?
Bart: We zijn hier altijd uitgegaan van het koppelen van goed met goed. Tegenwoordig ligt de lat een stuk hoger, en prefereer ik super met super. Daar heb je die absolute toppers voor nodig. Duiven die het verschil kunnen maken, getoond hebben beter te zijn dan de rest. Onze Gladiator was er zo een, net als Willyke (gaf met meerdere doffers echte superduiven, red.), Witkop Sylvester, Blauwe Yzeren en Witpen Wouters. Met Blue Lagoon (moeder van Little Star, red.) hoop ik ook een nieuwe stammoeder ontdekt te hebben.

PIPA: Intelen of kruisen?
Bart: Niet te veel inteelt. Ik zie meer heil in goede kweeklijnen. Je kan in de pedigrees van de Geerinckxduiven sommige stamduiven wel meerdere keren zien opduiken, al is dat kweken naar een bepaalde lijn, niet via (te) dichte koppelingen van vader met dochter, broer met zus, enzovoort.
Met het koppelen van super op super gaat het sneller. Van die duiven ben je zeker dat ze iets extra hebben. Vooral de genen om te winnen, zich te onderscheiden van de rest. Die goede eigenschappen moet je trachten verder te kweken.

PIPA: Dat lijkt aardig te lukken.
Bart: Het is niet al goud wat blinkt, hoor. Uit dergelijke supers komen ook mindere duiven. Alleen: de kans dat je een nieuwe topper kweekt uit dergelijke bewezen superduiven is zoveel groter. De vraag die ik mij daarbij altijd stel, is: hoe maak je die laatste twee à drie procent verschil om te winnen? Het antwoord komt altijd op hetzelfde neer: kweken uit die echte superduiven. Vandaar dat we onze eigen bewezen goede duiven altijd hebben behouden. Die hebben het. Topmateriaal, daar focus ik op!

PIPA: Zelfs de Geerinckx-kolonie heeft toch ook af en toe nood aan versterking?
Bart: Dat klopt. Ook hier ligt de focus op uitzonderlijke duiven. Wanneer een opportuniteit zich voordoet, durf ik toe te happen. De investering met een participatie in de New Freddy is er zo een. Voor mij een echt uitzonderlijke duif. Bekijk de afstand waarop hij vloog en de omstandigheden waarin hij het deed. Bijna steeds in een voor hem nadelige positie met stevige kopwind. Die klepper moet specifieke kwaliteiten hebben. Macht, kracht, oriëntatievermogen. Die extra kwaliteiten, dat zoek ik.

PIPA: De mand doet de rest?
Bart: Klopt. Eerst proberen die superduiven te kweken, al moet ook de begeleiding top zijn om die tot volle rendement te laten komen. De cirkel moet rond zijn.

Focus op het spel met de oude duiven

PIPA: Hoe is de vliegploeg voor 2016 samen gesteld?
Bart: Die bestaat uit 37 vliegduivinnen (11 oude en 26 jaarse) en 47 doffers (18 oude en 29 jaarse). De focus ligt in eerste instantie op de vluchten van 500-600 km, al is het de bedoeling om in juli een deel daarvan door te steken tot Limoges, Jarnac, Brive en Tulle.

PIPA: Hanteer je het klassieke weduwschap, het totale of een mix daarvan?
Bart: Hier vliegt alles op klassiek weduwschap, dus met thuisblijvende partners. Die vragen extra plaats en verzorging, maar die ballast neem ik er graag bij. Gewoon omdat hier op klassiek weduwschap de beste resultaten werden behaald houden wij daaraan vast.

PIPA: De eerste voorbereidende snelheidsvluchten zitten er intussen op. Hoe verliep de voorbereiding op het seizoen 2016?
Bart: De aanpak tussen duivinnen en doffers is anders. Laten we eerst even de duivinnen bekijken.

PIPA: Prima. Deze winter vertelde je mij dat je het ietwat anders ging aanpakken.
Bart: Ja, verandering van spijs doet eten, beweert men. Persoonlijk noem ik het veeleer zoeken naar een manier om het systeem nog scherper te stellen, om alle troeven te kunnen uitspelen in de piekperiode. Op de nationale klassiekers dus.

PIPA: Leg uit …
Bart: De ploeg duivinnen tracht ik nu op weduwschap te hebben tegen de eerste halvefondvlucht van begin mei. Ze werden gekoppeld rond 10 maart en mochten één jong grootbrengen. Ze dienden dat jong alleen groot te brengen vanaf dat het een tiental dagen oud was, om stouwen van de doffers en herleggen te voorkomen. Ze zitten dan niet alleen pisnijdig omdat ze hun jong verdedigen, maar ook hun territorium. Dat vermijdt niet alleen het onderlinge paren in de voorbereidingsfase, het zorgt ook voor een andere vorm van motivatie op de vluchten als Quiévrain en Noyon, die hier toch als voorbereiding worden beschouwd op de nationale klassiekers. Daar ligt het piekmoment en moeten de duiven er staan, op weduwschap! Het jong gaat weg bij de inkorving van de eerste halvefondvlucht. Bij thuiskomst zit de doffer klaar en vangt het weduwschap aan.

PIPA: Hoe ziet de voorbereiding voor de koppeling op 10 maart eruit? Zijn de trainingen aan huis dan al volop gestart?
Bart: Eerst nog dit: als jonge duif doen onze duiven heel veel korf, maar gaan ze hooguit tot aan de kleine halve fond. Zeker geen nationale vluchten. Voor het gros van de jonge duiven is dat echter enkel snelheid, met op zondag Noyon en midden de week Quiévrain (100 km, red.).
Tijdens de winterperiode probeer ik de duiven in het voorjaar toch tijdig te laten starten met trainingen rond het hok. Natuurlijk afhankelijk van het weer. De betrachting is de duiven in een rustig tempo een goede basisconditie te laten opbouwen. Daar hecht ik veel belang aan.

PIPA: Wat bedoel je met een goede basisconditie?
Bart: Goh, de duiven mogen dan gerust het vliegritme optrekken tot een uur, zelfs tot anderhalf uur aan een stuk trainen. Wel met lichte kost! Nee, in winterforme, daar geloof ik niet in. Integendeel, de ondervinding leert dat hoe hoger de basisconditie is voor het seizoen, hoe makkelijker de duiven in conditie komen tijdens het vliegseizoen. Bovendien houden ze hun topconditie dan ook langer vast. Ik zie er dus enkel een voordeel in.

In deel 2 gaan we dieper in op items als training en recuperatie.


Acy, 1e Olympiadeduif Categorie C Boedapest 2015