Zoeken

De roofvogelproblematiek in de duivensport

Ben de Keijzer is duivenliefhebber én werkt dagelijks met roofvogels. Een zeldzame combinatie maar op die manier is Ben wel ideaal geplaatst om tips te geven om de overlast van roofvogels op uw duivenkolonie zoveel als mogelijk te beperken.

Veel liefhebbers kampen met de problemen die roofvogels veroorzaken voor hun duiven. Vanuit duivenliefhebbers heerst de overtuiging dat roofvogelwerkgroepen verantwoordelijk zijn voor de toename van de roofvogelpopulatie in Nederland. Gedeeltelijk is dit juist, bijvoorbeeld in het geval van de slechtvalk. Zo zijn er op locaties in Nederland waar reeds slechtvalken broedden op hoge torens/masten, kasten opgehangen, zodat er tevens camerabeelden konden worden gemaakt voor onderzoek. Daarnaast worden er ook op andere plekken in Nederland kasten opgehangen. De meeste in Nederland voorkomende soorten, zoals kerkuilen, ransuilen, steenuilen, torenvalken en buizerds zijn niet tot nauwelijks een bedreiging voor onze duiven.

De havik, slechtvalk en sperwer zijn de soorten waaruit de meeste bedreiging voort komt. De problemen vormen zich op “locaties” waar deze roofvogelsoorten broeden, maar ook door overwinterende roofvogels. Zo trekken vanuit o.a. Scandinavië, slechtvalken, haviken en sperwers richting Nederland en België.

Zodra de (lente) equinox (20 maart, het moment dat zon loodrecht boven de evenaar staat) is gepasseerd begint de broedperiode (de equinox op 23 september geeft de natuurlijke start van de “vogeltrek” aan). De roofvogels betrekken oude (succesvolle) broedplekken of maken nieuwe en gedragen zich territoriaal. Waar de vrouwelijke roofvogel het nest “kiest”, zijn de mannetjes in deze periode juist extra actief in de jacht, omdat bij elke prooioverdracht voor hem een “beloning “ wacht, namelijk het copuleren met de vrouw. De legselgrootte van roofvogels is o.a. gebaseerd op het aantal prooidieren dat aangeleverd wordt. Hoe meer prooioverdrachten, hoe meer er gecopuleerd zal worden, hoe meer kans op de maximale legselgrootte. Dit vaste patroon is iets waar wij als duivenmelkers mee moeten leren omgaan. In plaats van er een groter probleem van te maken, moeten we vooral leren denken in oplossingen.

Oude duiven

Veelal worden duiven na het vluchtseizoen in de hokken gehouden zodat ze kunnen ruien, de rustperiode is voor zowel de duiven als de liefhebbers vaak aangebroken. Zodra het nieuwe jaar start worden de duiven weer voor het eerst losgelaten (januari, februari). De duiven gaan dus met nauwelijks conditie en behoorlijk vervet, door de minimale inspanning in de periode daarvoor, weer los. Juist op het moment waarop roofvogels meer moeite hebben met het vinden van prooien, worden onze geliefde duiven op een presenteerblaadje opgediend aan de roofvogels.

De liefhebbers die de duiven in de herfst en winterperiode vast houden, doen dit vaak noodgedwongen door hun werktijden op weekdagen. Bij thuiskomst na het werk is het immers donker in deze periode. In het weekend kunnen de duiven nog wel eens los, echter draagt dit nauwelijks bij aan het weer opbouwen of behouden van de conditie. De duiven zitten vaak op vol gewicht en zullen dus snel gaan scharrelen en op daken “slenteren”. Waak er dus over dat de duiven dit gedrag niet gaan vertonen. Dit zal vermeden moeten worden! Onderstaand een advies dat zou kunnen helpen bij het voorkomen, dan wel verminderen, van verliezen door roofvogels.

Tip 1: Voor liefhebbers die last hebben van (overwinterende) roofvogels is het advies pas eind februari de “oude” duiven weer los te laten. Vanaf eind februari keren de overwinteraars opnieuw terug richting hun broedgebieden (in o.a. Scandinavië). Door de afname van het aantal roofvogels in Nederland is de kans op verlies van duiven geringer.

Tip 2: Liefhebbers die juist in de broedperiode (rondom) maart last hebben van inheemse roofvogels zouden precies voor deze periode de duiven al moeten trainen en daarvoor voorzien in een goede basisconditie om de verliezen in deze periode net te vermijden.

Tip 3: Liefhebbers die last hebben van zowel overwinteraars als inheemse broedende soorten zouden het volgende stappenplan kunnen gebruiken:

  • Laat de duiven niet los voor 1 maart
  • Vanaf 1 maart start je met, in plaats van het loslaten vanuit het hok, met het wegbrengen van de duiven op maximaal 3 km van het hok. De duiven zien vanuit de lucht het hok al staan dus verliezen zijn er dan niet. De duiven zullen hooguit 5 tot 10 min vliegen en bij thuiskomst kun je ze direct binnen roepen en voeren.
  • Zorg wel dat ze op een goed vlieggewicht zijn en luisteren.
  • Voordeel is dat op het moment je de duiven oppakt voorafgaand aan een training, je ze allemaal door de hand kan laten gaan en controleren op conditie, mankementen etc.
  • Het oppakken en wegbrengen neemt hooguit een half uur in beslag.
  • Op deze manier voorkom je dat de oude duiven met zeer geringe conditie blijven hangen rond het hok, op de daken slenteren en / of op het gras zitten en zo een makkelijke prooi vormen voor roofvogels.
  • In totaal ben je met 10 keer (verdeeld over de gehele maand) een stukje wegbrengen een stuk wijzer geworden over je duiven qua gewicht en conditie en, vooral, heb je ze allemaal nog.
  • Daarna hebben de duiven een basisconditie en kan er begonnen worden met het loslaten aan huis. De duiven hebben op deze manier veel meer kans tegen de roofvogels!

Jonge duiven

De jonge duiven zijn nog helemaal wereldvreemd van alle gevaren “buiten” het hok. Heb je in het gebied waar je woont in de winter veel last van roofvogels die overwinteren, dan zou ik zeker geen winterkweek aanraden. De kans op veel verliezen is dan immers te groot.

Mijn advies; zorg dat je jonge duiven hebt die je rond 15 april (of als er weer blad aan de bomen hangt) kan uitwennen. De meeste roofvogels zijn dan al aan het broeden en er zijn genoeg andere prooien voor de roofvogels zoals eendenkuikens etc.

Tips

De jonge duiven zo min mogelijk aandacht geven zolang ze bij de ouders zitten. Het is vooral belangrijk dat ze niet te vroeg gespeend worden, maar dat ze de hele voedingscyclus hebben gehad. Normaal staan de jongen tussen 4 en 6 weken op eigen benen, speen de jonge duiven pas als ze zelf eten uit / van de voerbak/tafel. De kans op E-coli neemt zo af doordat de duifjes de gehele cyclus afweerstoffen van de ouders hebben meegekregen.

Als je speent hou je ze de eerste dagen kort qua voeren. Op het moment van voeren train je ze op de fluit of rammel wat met een blik. Na enkele dagen leggen de duiven een verband tussen het geluid en het krijgen van voer (“Pavlov”). Ze weten dan exact wanneer het “baasje” komt. De duiven zullen nog erg schuw zijn, dit is juist de bedoeling. Als de jonge duiven het commando (fluit of gerammel) kennen en zo ook de beloning (eten), kan je het hok open zetten. Je zult zien dat de jonge duiven erg huiverig zijn voor de omgeving, omhoog kijken en van elke “mus” schrikken. De natuurlijke angst voor alles zit er nog goed in. Juist deze natuurlijke angst kan het verschil maken ten opzichte van duiven die wel heel tam gemaakt zijn en op het moment van het naar buiten gaan hun focus eerder naar de grond hebben en in het gras gaan scharrelen. Dat zijn de duiven die geen gevaar van boven (roofvogels) zien aankomen.

Ook ik heb hier bij mijn hok met regelmaat (sommige periodes dagelijks) o.a. een slechtvalk vliegen en jagen. Nog nooit heeft de slechtvalk een duif te pakken gehad. Ik vind het spel tussen de slechtvalk en mijn duiven fantastisch om te zien. Mijn duiven zijn door deze methode de roofvogels altijd te snel af.

Pas na enkele maanden, als ik de jonge duiven ga opleren, worden ze naar de hand gezet met voer, een lichtere mengeling en pinda’s. Ze zijn dan zo mak. De imprint fase van een jonge duif ligt rond de 3 maanden. Een bijkomstig voordeel is dat je geen duivinnen hebt die paar gedrag vertonen omdat ze de imprint fase zonder de mens hebben doorgebracht. Tamme duiven gaan al sleepstaarten voor de baas, die zijn te vroeg gespeend geweest en daardoor niet 100% duif meer qua natuurlijke instincten. lgemene tip voor mensen in bosrijke gebieden: - hang in bomen rondom je hok cd’s, zilverfolie of lint, wat door de wind en zonhinderlijk is voor de roofvogels. Roofvogels kiezen vaak vaste plekken in bomen om vanuit te jagen.

Algemene tip voor mensen die in de buurt van een slechtvalkenkast / nest wonen:

  • vroege kweek (winterkweek, koppelen laatste week november)
  • zorg dat je jonge duiven uiterlijk half februari al van een goede basisconditie hebt voorzien en ze goed luisteren naar alle commando’s.

De slechtvalk start met broeden vanaf half maart / april, maar voor deze periode begint het overdragen van prooien van de man aan de vrouwelijke slechtvalk al. Eventueel kun je er voor kiezen in de laatste twee weken van februari de duiven binnen te houden als de mannelijke slechtvalk zeer actief aan het jagen is. Overigens zijn er niet alleen problemen met roofvogels aan het begin van het seizoen. Op het moment dat de herfst equinox passeert (23 september) trekken (roof) vogels vanuit het zuiden weer richting het noorden. Er is rond eind september en de maand oktober dus meer “activiteit” in de lucht. Daarnaast gaan de jonge haviken en sperwers vanaf nu zelfstandig jagen (zonder hulp van hun ouders). Kortom wederom een periode om extra waakzaam te zijn. De problemen die roofvogels voor duivenliefhebbers veroorzaken zijn complex. Voor iedere liefhebber is er een unieke situatie mede bepaald door locatie hok en voorkomen van bepaalde soorten in de regio. Met bovenstaande tips probeer ik handvaten te geven om de grootste verliezen te voorkomen. Mocht je specifieke vragen hebben dan ben ik altijd bereid te helpen.