Zoeken

Vlaanderens overmacht, opgetekend in 1951: is er veel veranderd?

In 't jaar 1951 waren de West-Vlamingen eenvoudig niet te genaken. Nooit tevoren hadden de mannen van de kust een zo overweldigende, om niet te zeggen verpletterende meerderheid aan de dag gelegd. Is dit heden ten dage nog steeds zo?, Oorzaken? Lossingsplaatsen zijn bijna identiek als nu.

Laat ons de overwinnaars der nationale fondvluchten even de revue passeren:

 2 Juni Cahors: Gebr. Cattrijsse te Moere
 9 Juni Tulle: Remi Gadeyne te Hooglede
16 Juni Montauban: BrunoWaelkens te Nieuwenhove-Waregem
23 Juni Libourne: Valeer Docker te Moorsele
30 Juni Dax: Gebr. Cattrijsse te Moere
 7 Juli Barcelona: Jos. Boels te Stene-Conterdam
14 Juli Bilbao: St. Elooi te Gentbrugge
14 Juli St. Vincent: Oscar Devriendt te Moere
21 Juli Brive: Julien Mathijs te Vichte
28 Juli Pau: André Vanbruaene te Lauwe
 4 Aug. Limoges: André Vanbruaene te Lauwe

Dat zijn welgeteld 9 overwinningen voor West- en 2 voor Oost-Vlaanderen. Henegouwen, Brabant, Antwerpen enz. hebben het tot geen zegepraal kunnen brengen; de cracks der zeven andere provincies hebben het zoet der overwinning niet mogen smaken.....

Andre Vanbruaene en de Gebroeders Cattrysse wonnen elk twee nationaals in 1951


Andre Vanbruaene, Lauwe, 2 nationale overwinningen in 1951
1ste nationaal Pau
1ste nationaal Limoges


Cattrysse Gebrs, Moere, 2 nationale overwinningen in 1951
1ste nationaal Cahors
1ste nationaal Dax

Om sterk te spelen hoeft ge per se de eerste ereprijs nationaal niet te winnen. Zie maar naar mannen als Charles Vanderespt te Oostende, Gebr. Vanderespt te Leffinge, Maurice Delbar te Ronsse, Fortuné Faignard te St. Sauveur enz. en op de heel zware vluchten niet te vergeten Hector Berlengee van Aspelare. Maar het is duidelijk dat de mannen die met de grote brokken weg zijn, alle aan de Westkant zitten, in de Vlaanders. Zelfs een man als Pol Bostijn heeft er nog geducht de tanden in gezet, na in de winter van '50 totaal verkocht te hebben, min enkele „loten".

Toen in de maand April '51 het programma werd bekend gemaakt, waarop het Kampioenschap van de B.D.B, zou worden vervlogen, schreef ik dat het „zodanig  zwaar" was dat alleen een der gedoodverfde nationale fondkampioenen: Gebr. Cattrijsse of Oscar Devriendt het zou kunnen winnen. Charles Vanderespt had mijn stukje gelezen. Toen ik er op bezoek kwam had hij de gazet juist op tafel liggen. „Ik ben akkoord dat het verschrikkelijk zwaar is", zei de Charel, „maar in mijn gedacht hebt ge de grootste kanshebber van allemaal vergeten." „Wie dan?" vroeg ik.  „André Vanbruaene" zei de Charel, de brand in zijn onafscheidelijke „pupe" stekend. „Op één voorwaarde", gaf ik ten antwoord, „dat hij voor het Kampioenschap inzet en dat hij ze er tegen aan zal gooien. Naar mijn gedacht zal André dat niet doen. Hij heeft te veel vossenmelk gedronken. Hij is te slim. Hij zal zijn botten vagen aan dat kampioenschap en een vogel die honderdduizenden franken gewonnen heeft niet riskeren op Bilbao en Barcelona.." „Ik weet het niet", zei Charles, „er zit in zijn duiven zoveel fond als in de mijne en wat voor André het principaalste is: Er zullen grote pouls te winnen zijn. Het zal niet nodig zijn hem uit te dagen. De toreador zal afkomen, let op wat ik zeg, en zonder ongelukken zal hij wederom een heel pak grote brieven binnenstekken."

En het is gegaan gelijk Charles voorspeld heeft

Oscar Devriendt heeft volkomen aan de hooggespannen verwachtingen beantwoord. Zijn duiven hebben schitterend gevlogen. Zij hebben zich van onweer,  tegenslag enz. niets of niemendal aangetrokken. De Cattrijsses hebben het zwartste rampjaar beleefd van hun loopbaan. Resultaat: twee eerste prijzen nationaal, plus nog een hele serie kopprijzen.
Toen de kruitdamp opgetrokken was, bleek dat er, in eerste aanleg, drie kanshebbers met een gelijk aantal punten geëindigd waren. Vanbruaene, Devriendt en Mathijs!  Er waren moeilijkheden gerezen, een reglement dat voor verschillende uitleg vatbaar was, de duivengazetten die er over begonnen te schrijven. Zodat op de duur niemand uit de warboel nog wijs kon. Mathijs nam een advocaat. Vanbruaene en Devriendt volgden zijn voorbeeld. De B.D.B, zat met de  handen in het haar. Om tot een beslissing te geraken moest er een „Algemene Vergadering van de werkelijke leden" worden gehouden. De moeilijkheid was welke Limoges in aanmerking kwam: die met de oude duiven of die met de jonge. De stemming leverde het volgende resultaat op: 41 stemmen voor Limoges oude, 13 stemmen voor Limoges jonge duiven, 26 onthoudingen. Daardoor werd het klassement definitief als volgt:

 1) André Vanbruaene te Lauwe            9 pr.   787 pnt.
 2) Oscar Devriendt te Moere             9 pr.   504 pnt.
 3) Jules Viaene te Koekelarc            9 pr.  1196 pnt.
 4) Julien Mathijs te Vichte             8 pr.   351 pnt.
 5) Gebr. Cattrijsse te Moere            7 pr.   276 pnt.
 6) Fortuné Faignard te St. Sauveur      7 pr.   324 pnt.
 7) Maurice Delbar te Ronsse              7 pr.  772 pnt
 8) Karel Vangampelaere te Koekelare     7 pr.   860 pnt.
 9) Marcel Desmet te Waregem             7 pr.   882 pnt.
10) Gebr. Vanderespt te Leffinghe        6 pr.   174 pnt.
11) Charles Vanderespt te Oostende       6 pr.   665 pnt.
12) Robert Fievez te Peronnes            6 pr.   690 pnt.
13) Valeer Docker te Moortzele           6 pr.   875 pnt.
14) Henri Casteleyn te Moere              5 pr.  920 pnt.
15) Urbain Deguffroy te Wingene           5 pr.  457 pnt.

Op 2 December '51 werd de eerste Kampioen van de Belgische Duivenliefhebbersbond te Brussel officieel gehuldigd. Hij mocht daarbij een prachtige Coupe in massief zilver met gouden rand, ter beschikking gesteld door Z.M. Koning Boudewijn, in ontvangst nemen. Dat de B.D.B, nu de smaak van het organiseren van officiële kampioenschappen te pakken had, moge blijken uit het feit dat er voor 1952, op een wat minder zwaar programma, zegge en schrijve een millioen frank aan ereprijzen werd uitgeloofd!
Maar bij de Walen zat het „tegen 't zere been". Tussen Vlamingen en Walen is het nooit koek en ei geweest; op praktisch alle terreinen van het maatschappelijk leven is er zo nu en dan wrijving.

Het schitterend presteren der West-Vlaamse kampioenen op de grote nationale fondvluchten der laatste jaren was velen een doorn in het oog. Er is natuurlijk in heel België druk over gesproken. Maar de conclusies luiden in Luik, Charleroi en Brussel heel anders dan in Kortrijk, Oostende, Gent en ...... Antwerpen. Zulke dingen blijven niet bij praten alleen: Arthur Broze, de veelomstreden figuur uit Charleroi, die zijn stukken tekent met „Carolo", had de knuppel in '50 reeds in het hoenderkot gesmeten. Hij schreef dat de Vlamingen de nationale concoursen van voor de oorlog, ten tijde van Bricoux, Duray enz., geboycot hadden  omdat ze er ongenadig klop kregen. En dat hij van mening was dat het programma van de Entente Belge de Vlamingen vandaag de dag zozeer bevoordeelt, dat de Walen en de Brusselaars er nu op hun beurt dienden weg te blijven. Daarmee waren de poppen aan 't dansen. De eerste die op de ketting sprong was Vermeyen van „De Duif", strijdbaar als steeds: „Men moest", zo schreef hij, „de eerste prijs van ezelarij geven aan Carolo en aan die krant." Daarna kwamen de argumenten:. „Als Bricoux, Duray en konsoorten de grote bazen waren in de Entente Beige werd Angouleme gespeeld en Bordeaux en Pau. 't Is nog altijd hetzelfde maar er zijn geen Bricoux en Durays meer en nu moeten de Walen maar van de Entente Beige wegblijven."

„Waarom niet altijd een hevige Westerwind besteld opdat Luik met alles weg zou zijn, zoals destijds met de fameuze Angouleme van de Tentoonstelling (bedoeld wordt de Watertentoonstelling te Luik in '38) of met de Chateauroux '49 ?" Met het eerste argument ben ik het eens, met het tweede niet. De formule, samengesteld uit de factoren wind, massa, ligging enz. geeft op het nationale plan altijd het antwoord op de vraag, welke streek op 'n bepaald concours in het voordeel is. Doch afgezien daarvan mogen wij zeggen dat:

a) de kleinste afstand,
b) de massa,
c) de vluchtlijn over het minst geaccidenteerd terrein altijd min of meer bevoordeeld zijn en dat dit voordeel beslissend is t.o.v. de verre overvlucht, het kleinste getal duiven en (wat in België en ook in Oost-Nederland met de grootste afstand samenvalt!) de noodzaak van te vliegen over heuvels en dalen. Het is onbetwistbaar dat de Belgische liefhebbers aan de Franse grens van Quévy tot de kust, heel wat beter gelegen zijn om nationaal de kop te spelen dan de liefhebbers aan de Nederlandse grens van Turnhout tot Eupen en  Malmedy, Luik incluis. Ik zet hier met opzet uitersten tegenover elkaar: daardoor vervalt iedere mogelijkheid van redelijke tegenspraak. Ook is het een feit dat de kust sterk in het voordeel is, tegenover de Duitse grens. Men hoort daar in België weinig misbaar over maken om de eenvoudige reden dat er in Houffalize etc. practisch geen duiven zitten. Hetzelfde geldt voor de verhoudingen in Nederland, met dit belangrijke verschil dat er in Nijmegen en Enschede wél duiven zitten, hetgeen wij het duidelijkst gedemonstreerd vinden in de praktijk van een vluchtlijn op ...... Oostenrijk. Over Nederlands Limburg hoef ik niet te spreken. Wij hebben daar een aparte gemeenschap met eigen verzendingsbonden. De Limburgers spelen tweemaal op een jaar tegen Zeeuwsch-Vlaanderen en dan nog op de denkbaar beste afstand: 1000 km. 

Vroeger vlogen ze het Oosten (Cüstrin, Posen enz.), 't Is alweer een hele tijd geleden. Daarbij bleek zonneklaar welk uitmuntend materiaal er in Gelderland en Overijssel zat!  Nu is het ongetwijfeld in zeven gevallen van de tien zo, dat Twente op een Oostvlucht naar verhouding veel meer voordeel heeft op de rest van het land, dan Zeeland en West-Brabant op een Zuid-Westvlucht. Dit om de eenvoudige reden dat de wind zeven keren van de tien in het „regengat" (de Z.W.-hoek) zit. Twente en het Noorden komen dan in eenzelfde gunstige positie te verkeren als Zeeuwsch-Vlaanderen bij N.O.-wind. Ze krijgen dan zowel het voordeel van de kleinste afstand als van de wind.

Al deze overwegingen komen bij 't vraagstuk te pas. Ik vind geen termen om er ons met een ironische kwinkslag van af te maken. Integendeel, Luik en in Nederland het Noorden en Oosten, liggen zeven keren op tien slecht. Wat niet betekent dat het voor aldaar wonende liefhebbers tot de onmogelijkheden zou behoren nationaal een goede uitslag te maken. Het gekke van het geval is, dat wanneer Luik door N.W.-wind eens een keer voordeel heeft, iedereen er over spreekt. Nu zal ik de laatste zijn om de Luikenaars te verdedigen op aanvechtbare gronden. Zij hebben klop genoeg gehad de laatste jaren en dat zat hem zeker niet alleen in de ligging, maar ik meen dat het ene zo goed moet worden gezegd als het andere. Ik heb al dikwijls ondervonden dat bijna alle liefhebbers van zich zelf denken dat ze slecht gelegen zijn. Het is maar bij hoge uitzondering dat ge iemand, op dit chapiter, ronduit zijn tevredenheid hoort betuigen. Het is dikwijls vermakelijk maar ...... de ene kampioen zit al slechter dan de andere. Bij de een zit het hem in de wind, bij de ander in de massa, bij 'n derde in de vluchtlijn enz.

Laatst gaf ik een causerie over duiven in Poperinge, helemaal in de Z.W.-hoek van België. Ten tijde van de grote Michel Fache van Westouter, oordeelden velen dat het hoppe-stadje achter leper toch wel zeer gunstig gelegen was. Er zitten nog goede spelers in Poperinge. Zij kunnen de vergelijking met Fache echter niet doorstaan.


De hokken van Michel Fache, Westouter, Poperinge

Zie maar eens even hier:

1897 Vendome, nationaal te Brussel (1802 duiven) : 2, 12. 16, 19, 37, 49 en 172.
1898 Vendome, nationaal te Brussel (1427 duiven) : 7, 9, 11, 13, 18, 22, 25, 43, 70, 86, 105 en 122.
Het was in 't heldentijdperk van Wegge, De Herdt en De Ridder!
1899 Salbris, nationaal te Brussel (1491 duiven) : 1, 2, 3, 4, 5, 6, 10, 12. 36, 51, 86, 114, 118 en 175.
Een uitslag die nimmer geëvenaard is!
Tijdens de oorlog van '14 ging het ras Fache totaal verloren. Door bemiddeling van zijn vriend Arnouts in een dorpje bij Diest in de Kempen kreeg Fache vier oude duivinnen en drie zeer oude doffers terug waaruit de stam opnieuw werd opgebouwd.

Ziehier nog een uitslag vele jaren later:
1931 Burgos, Spanje 1225 km internationaal te Brussel: 3, 6, 12, 14, 18, 38, 47 en 70!

Om zulke uitslagen te kunnen verwezenlijken moet ge over formidabel ras beschikken, terwijl, ge ......over uw ligging niet te klagen kunt hebben. Toch zeggen ze tegenwoordig in Poperinge, dat ze zo slecht  gelegen zijn en dat alles over- en doortrekt, het land in. Minstens even formidabel zijn de rassen geweest van Charles Bremdonckx van Berendrecht en Georges Van Havermaet te Klinge, twee brouwers op de Nederlandse grens, wier duiven het best kwamen met tegenstrijdig weer. Het is aan hun ligging te wijten geweest, dat zij op het nationale plan nimmer uitslagen hebben kunnen boeken in verhouding van de kracht hunner duiven. Dat ze in Berendrecht zeggen dat ze slecht gelegen zijn, vind ik begrijpelijk, maar dat 't gros van de liefhebbers in Poperinge mij als hun overtuiging gaf, geen prijs te kunnen winnen in de Entente Belge wegens de ongunstige ligging, lijkt mij toch een beetje al te dom. Uiteraard hadden ze in de Walenpays en in „niemandsland" Brussel argumenten, die te denken gaven.

Zo werd er een vergelijking gemaakt tussen het verloop der vluchten in Cureghem-Centre en in de Entente Beige. Zoals bekend vliegt de nationaal concours-gevende instantie Cureghem (zo genoemd naar een voorstad van Brussel nabij de Midi) overwegend de Zuid-richting, terwijl de Entente vanuit het Zuid-Westen blijft spelen. En nu is het een feit dat de Walen over 't algemeen veel betere prestaties leveren op Cahors, Montauban enz., dan op Angouleme en Libourne.

Op de Montauban '50, die triomfantelijk als voorbeeld werd genomen, zagen wij in de kop van de ranglijst de namen van:
Pinnez (Lodelinsart), Staumont (Villers-la-Ville), Close (La Louvière), Bryssinck (La Louvière), Tilmant (Buvinnes), Moriamé (Walcourt), de Genettes (Jambes en Bonneville), Duray (Pardonge), Vanderhauwaert (Wez), Dutilleul (Charleroi), Schamps (Walcourt), Dehasque (La Louvière), Cremerinne (Macon), Delporte  (Biesme), Petit (Gouy-lez-Pieton) enz. enz.
Weliswaar werd de eerste prijs nationaal gewonnen door een Vlaming (in de overvlucht), nl. door Jos. Boels van Stene (Oostende), maar de Cattrijsses  bijvoorbeeld, die in de Entente Belge op de Z.W.-lijn jan-en-alleman onder tafel gevlogen hadden, waren op Montauban te laat. Het was die dag warm geweest  en betrekkelijk windstil. De eerste duiven maakten rond de elfhonderd meter per minuut, 't kan ook iets meer geweest zijn. In elk geval was er van windvoordeel voor de Walen geen sprake. Afgezien van een belangrijke factor, die ik aanstonds in het  geding wil brengen, ben ik geneigd te geloven dat het toeval op deze Montauban een rol heeft gespeeld, d.w.z. dat de een of andere, ons onbekende, omstandigheid er voor gezorgd heeft dat de pepernoten ditmaal in het Zwarte Land (van Charleroi) werden uitgestrooid. En in afwijking van de gewone gang van zaken eens niet aan de kust. Dit neemt niet weg dat de Walen het anders uitleggen!

Zij geloven dat hun duiven op de Z.W.-lijn daarom zozeer in het nadeel zouden zijn, omdat zij het zg. Massif Central ('t Hoogland van Auvergne in midden-Frankrijk) coüte que coüte willen vermijden en in de grote klad blijven hangen, die er westelijk om heen trekt. Zodoende zouden hun duiven een grotere afstand hebben af te leggen dan de West-Vlaamse: de eerste in een boog op huis aan koersend, de laatste in de rechte lijn. Vanuit de Zuid- en Zuid-Oostrichting zou dit bezwaar niet gelden, waarmee dan het fatsoenlijker presteren van de Walen  in Cureghem-Centre verklaard zou zijn.


Hector Berlengee uit Aspelare

Spitsvondig geredeneerd, maar ik stel op mijn beurt de volgende vragen:
 1) Zou het, door de veel geringere deelname van West-Vlaanderen en Antwerpen, dat in Cureghem schittert door afwezigheid, niet heel wat gemakkelijker zijn een vroege prijs te winnen in de concoursen van Cureghem-Centre dan in die van de Entente Beige?
 2) Is het niet zo dat de meeste Walen juist hun beste duiven inzetten in Cureghem-Centre?
Voor een juiste beoordeling van de situatie zijn deze factoren van zeer groot belang. ledere eenzijdige zienswijze leidt ertoe dat de waarheid geweld wordt  aangedaan.
Ik ging eens duiven letten in Moere. 't Was de dag van de (nationale) St. Vincent, georganiseerd door Fleurus in de Walen. De uitslag telde mee voor het  officieel kampioenschap van de Belgische Duivenliefhebbersbond. Alleen om deze reden deden de mannen van de kust er op mee. Anders hadden ze „de verre verplaatsing" zeker niet gedaan; 't programma was toch al zwaar genoeg.

In concours plus minus 3000 duiven. Hiervan zegge en schrijve 30 (dertig) uit de provincie West-Vlaanderen; de overgrote, om niet te zeggen: verpletterende, meerderheid uit de Walenpays. De fameuze „Zwartenband" van Oscar Devriendt, een der allerbeste duiven van België der laatste jaren, won de eerste prijs. André Vanbruaene, Leopold Bostijn en de Gebr. Cattrijsse speelden eveneens in de tien eersten. Het werd de zoveelste, daverende overwinning voor de kust. Ik meen mij te herinneren dat er van die dertig West-Vlaamse duiven een stuk of twaalf in de veertig, vijftig eersten nationaal zaten. Deze Waalse nederlaag deed de deur dicht. Zij werd uitgelegd als een bewijs voor de veronderstelling dat de duiven uit de Z.W.-richting zich oriënteren op de lijn van de kust en dat de invloed van de massa (die men op vitesse en halve-fond beslissend acht!) op de fondvluchten der Z.W.-lijn blijkbaar geen rol speelt ...... De oude tegenstelling, die niet te overbruggen bleek, heeft tot  de afbraak geleid van het nationaal spel, dat de naam „nationaal" ook werkelijk verdient, d.w.z.: West- en Oost-Vlaanderen werden in het Waalse programma voor '53 van deelname uitgesloten! Een tweede maatregel om de Walenpays haar vergane glorie (uit de tijd van Bricoux en Duray, die hun grootste successen boekten in de Entente op de Z.W.-lijn) te doen herwinnen, is de verlegging van de vluchtlijn, nog verder naar het Oosten. Dit alles ondanks het feit, dat sommige mannen van de kust, in '52, door het „versleten raken van hun soort" naar wordt beweerd, geen schaduw meer zijn geweest van de jaren '48'49, '50 en '51.

Ziehier wat Vermeyen van „De Duif", wie het „nationaal spel (-2)" al even weinig aanstaat als de Rhône-vallei, hierover schrijft; oudergewoonte neemt hij geen blad voor de mond:
„Ik vind het vermakelijk dat zo eensklaps de Z.O.-richting de beste geworden is. Dat ze voor vele jaren verlaten werd vanwege de grote verliezen in het  Rhöne-dal blijkt totaal vergeten.

De Rhône moet de redding brengen en alvast begint men met 2 provincies uit te sluiten. Als de kinderen onder mekaar spelen, kan een volwassen niet met de winst weg zijn. Ik ben er gerust op, de Rhöne-vallei zal rap afgedaan hebben. Het weder, de duiven, het landschap, dat is alles nog zoals voor vijftig jaren. Het lijdt niet de minste twijfel: de smeer zal komen.

De vergelijking Montelimar-Brive op dezelfde dag gehouden, kan als voorsmaakje gelden, te meer omdat de afstanden vrijwel gelijk zijn, alsmede de snelheid der eerste duiven.
Brive op een uur afgelopen. Montelimar 's anderendaags. Onweer - heet het! Zij die 't weten kunnen, komen er voor uit dat het een uit vlucht is geweest. Nadien zal de wind het gedaan hebben of zullen de bergen de schuld krijgen.

Zolang het in het Rhöne-dal stillekens blijft, krijgen we normale vluchten.

Het is er echter zelden normaal. In de zomer kan er de nevel zijn, welke de duiven verplicht uit te wijken of ze op de dool jaagt. Er is dan de wind: fel West of fel Oost, de duiven worden het gebergte ingestuurd, onmeedogend. Wie het  landschap eenmaal overvloog weet wat het daar te betekenen geeft voor duiven. Of denken de heren propagandisten soms dat de liefhebbers van de Midi niet weten wat ze doen door naar Bayonne te dragen ?

Vanzelfsprekend is het mij gelijk hoe de melkers hun duiven willen kwijt geraken, over de Pyreneeën of in de Alpen. Het is mij echter niet gelijk hoe de melkers op stopen worden getrokken door de verdedigers van de beste aller vluchtlijnen. Een lezer die het weten kan, schrijft mij hierover dat de inrichters goed zouden doen, met eerst de Alpen, de Vogezen en de Jura op te schuiven. Laat men eerst wat vliegers raadplegen en weerkundige  stations om iets te beseffen over de invloed van de berghellingen op de winddruk, over de vorming van windbeddingen. Nu wordt roekeloos te werk gegaan, meestendeels uit schrik voor de Vlaanders. De krabbers willen de besten zijn en ze gunnen de Vlaanders niet eens de kans te tonen wat hun duiven waard zijn. Daarmee veroordelen de inrichters reeds bij voorbaat hun beste vluchtlijn, want ze vrezen dat ze op nationaal plan ook niet zou blijken te deugen: daarom enkel 7 provincies. Niet slecht gevonden.

Er wordt echter niet gezocht waar het moet:
1) De afstand dermate groot nemen dat hij voor nationale vluchten kan tellen.
De meningen zullen verdeeld zijn en alleen de ondervinding kan uitkomst brengen, vroeg of laat zal het zijn dat zelfs Bordeaux te dichtbij is en zullen  lossingsplaatsen zich opdringen als Bayonne, Pau, St. Jean de Luz, Biarritz, St. Vincent, Dax, Mont de Marsan, Morcenx ...... Er is keus.
2) De afstand enigszins gelijk te stellen voor het Zuiden, het Midden en het Noorden van 't land.
Het is gemakkelijk. De duiven van het zuiden worden gelost te St. Jean de Luz, deze van het Midden te Dax en die van het Noorden te Morcenx.
Als proef ware het de moeite waard!
(N.B. Ik vrees dat het bij die éne proef zou blijven.)
3) Konden wij dan nog met dubbelingen werken:

  Zuiden
  Midden
  Noorden

dan ware veel verbetering bekomen met dien verstande dat wie geld zet in eigen kring ook wat moet over hebben voor het nationale spel. We hebben indertijd geweten dat een duif bijna vol vloog gewestelijk, in haar hemd provinciaal! In de sport mag een ietsje sportiviteit blijven. "De suggestie sub 2 lijkt mij weinig aanbevelenswaardig. De punten 2 en 3 dienden reeds jaren geleden als richtsnoer van de Nederlandse organisatoren.

Reacties

Het lijkt wel een onderwerp van het forum over de nieuwe lossingsplaatsen en het nationaal spel.

Ingezonden bericht : Martin Ik stel vast ..... Zelfde lossingsplaatsen, uitgezonderd Bilbao en meer dan 60 jaar nog dezlefde problemen (discussies) Zijn we er dan niet op vooruit gegaan?. Wat opvalt is dat de West-Vlaamse overmacht niet meer bestaat zoals toen. Zitten er nu meer goede duiven over het land verspreid? Ik denk het wel. De Rhônevallei lag toen al ter discussie. Succes, Interessante artikels. VDGr Vl-Bt

Inderdaad, niks veranderd...

Poperinge ligt nog altijd waar het lag. In dit stuk wordt verwezen naar Michel Fache uit Westouter dat op een achttal km van Poperinge ligt. De vluchten die werden genoemd zijn zware fondvluchten waarover geweten is dat ligging bij deze niet zo bepalend is als bij halve fond of fond. De uitslagen van de heer Fache spreken hier nog tot de verbeelding. Deze sterken ons in onze overtuiging dat ook hier schitterende resultaten mogelijk zijn op het zware werk. Verscheidene vrienden-liefhebbers en mezelf wachten met veel ongeduld op het nieuwe internationaal duivenseizoen.

Dirk en vrienden te Poperinge

Blijkbaar waren ze 60 jaar geleden slimmer dan wij nu, toen reeds speelde men zware fond in West-West-Vlaanderen !!

Laat ons daar zoveel mogelijk aan spiegelen en met zijn allen kweken naar deze disciplines !!!!

West-Vlaanderen (Poperinge) weer aan de top!!

Op de uitslag van Berlijn staan hoeveel Poperingenaars ...............Goe bezig gasten doe zo verder!

stefaan

BTW

Ik ben wel geboren in Poperinge heeeeeeeeee!!

stef

Geef ons tussen "2 juni & 15 juli" wind & zon uit "zuid tot noord oost" en we zijn weer zo ver.

In de tijd toen ik een kleine jongen was (de tweede helft van de jaren vijftig) kregen wij in de bovengemelde periode "dergelijk" weer. Zo speelde mijn achtbare vader de eerste week van juli 59 den eerste prijs chateauroux provinciaal bij 1104 meter. ik herhinner mij een echte klassieker.

En verleden jaar & het jaar voordien & de jaren ervoor vanaf de tweede week juni zuid tot zuidwestenwind zodat de duiven, welke vlucht het ook is, in Luik/Limburg uitkomen. Bovenop noteerden wij voor sommige nationaals 1300 Meter. Ook stoorde regen een onregelmatig vertoon.

raar maar waar

ik hoop voor alle fondmannen enkele doch niet allemaal weer zoals in mijn eerste lijn omschreven

ik denk dat dit niet teveel gevreaagd of toch ?

Gelijk hebt ge Stefaan! Tot nog es op het forum of anders zie ik jou wel op een of andere inkorving voor de zware fond.

vergelijkingen zijn niet echt mogelijk, vroeger stond oa Barcelona 2 a 6 dagen open
heden ten dage mag je al blij zijn als dat een 6 tal uren zijn.etc...

Dat de vlaanders overwicht hadden is ook niet zo lang geleden, jaren 70 en 80.. gedurende 20 jaar,
was dat ook al overwegend, volgens mij hangt dat aan de voorafgaande vluchten dewelke voor hun toen beter gelocaliseert waren en in de lijn van de verdere vluchten.

Momenteel leren wij ( aan deze kant v/h land ) onze duiven "nu nog verkeerd" op en toen ook al.
Ik weet nog alsof het gisteren was 'anno 1973', met vluchten als " maquenoise, momignies, laon, soissons, compiegne, meaux, Orleans, nationales als poitiers, la souteraine. etc
Naar de westkust van Frankrijk inplaats van naar de Middellandse zee.
Het zullen best wel goeie duiven stammen in de Vlaanders geweest zijn, met de medewerking van...de kbdb.
maar als je al met dat soort handicaps begint van allerlei allooi wordt het niet gemakkelijker.
Iemand die nog weet welke vluchten er toen waren voor de jonge duiven of jaarlingen voorafgaand aan het grote werk daar in West vlaanderen ?
Deze komen niet ter sprake in het verhaal, dan heb je mogelijk een betere vergelijking.
Weet het ben weer aan het ..., doch heb ook wel ergens een punt met hetgeen ik zeg hier dunkt me.
Trouwens die vergelijking Brive/Montelimar zegt ook al genoeg in bovenstaand verhaal, maar men geeft de verkeerde redenen.
Tot brive( wedstrijd duur 2H) had men een ketting aan vluchten tot aldaar en verder, tot Montelimar( wedstrijd duur 2 dagen) niemandal.

je kan net zogoed enkele goedgelovige goeie amateurs de tour de france laten rijden , tegen prof renners die alle categorieën doorlopen hebben, al enkele tours meegedaan hebben en elke bocht de laatste 200 km weten liggen op een traject dat ze wekelijks op training gemaakt hebben.
wie zou d'er dan kans maken om te winnen denk je ?

Men heeft altijd de wind een te grote rol toebedeeld door te denken dat die 100é den kms kon goedmaken.
Blijf erbij, +/- 30 km max verschil als wedstrijdsgedrag afwijking, windstil > krachtig. over een afstand van 500 km.

( kant lijn info: in 1965 had vereniging de vrede Tongeren 800 leden, binnenkort zijn d'er dat 20 )

Gille

Het zou kunnen maar ik denk dat het overwicht vooral kwam (komt) door de specialisatie.
In W.Vlaanderen was de moeder van een goei duif vaak het 'Bordeauxtje' (gevlogen als jong) in het binnenland streden ze tegen elkaar met het 'Bourgeske' als moeder.

Waarom schuift de top van de uitslag op de nationaals nu (2012) naar het oosten? Ipv in grote verbonden halve fond te spelen begint men in te korven op de nationaals. Waarom? De verbonden zijn dood en begraven. Zo probeert men eerst vluchten van 500 km, als dat lukt ook es op 600 km.

Een paar weken terug stond er een artikel van Devriendt. Daar stond iets van: ze moeten hun 'hangers' en 'luieriken' thuislaten en de duiven inkorven die al hun gewicht in goud hebben verdiend op de halve fond durven inzetten op de nationaals.

Peter

Vergeet ook niet Gille, dat er vroeger in W-Vl. bijna iedere week een Angouleme was. Zo kan je nog jonge duiven de stiel leren. Natuurlijk vertelt het verhaal niet welke wind er was in dat jaar 51. Denk weinig west...
En de bakermat van de fond kan je eigenlijk wel situeren in W-Vl: Stichelbaut, Catrysse, Vanderespt, Devriendt, Vanbruaene, Bostijn, etc... Wat had het binnenland van toppers in die tijd?