Zoeken

Van het einde van de rui tot aan het koppelen, wees altijd verstandig! - deel II

Tijdens ruim vijftig jaar dat wij de duivensport hebben gepraktikeerd, hebben wij medegemaakt dat deze sport regelmatig de schok van nieuwigheden te doorstaan kreeg, die de een na de andere in het teken van de meest volstrekte onfeilbaarheid aangekondigd werden, maar niettemin slag op slag in het niet vergingen, doordat de praktijk hen tegensprak.

Een duivenliefhebber uit beroep, een man die zijn beroep beleeft, bestudeert en onderzoekt alle nieuwigheden, maar zijn persoonlijke ervaring en kennis maken hem van nature uit sceptisch en voorkomen dat hij beïnvloedt wordt.

Bij jongeren, nieuwelingen, die omzeggens alle tussenstadia willen overslaan, teneinde zo vlug mogelijk op dezelfde hoogte te staan van de ouderen, komt de zaak anders voor. Om des te gemakkelijker en des te vlugger hun doel te bereiken, nemen zij met een ontstellende lichtzinnigheid aan, dat een welslagen in onze sport enkel en alleen afhangt van de kennis van een of andere eigenaardigheid van de duif of van de ontdekking van een of ander geheim. Het is tot deze nieuwelingen in onze sport, tot alle lezers die zich al te gemakkelijk laten beïnvloeden en beetnemen door schaamteloze uitbaters, dat wij onderstaande regels richten. Mochten deze regels hen dan toch tot een juister inzicht en tot meer voorzichtigheid leiden.

Op zekere dag nam een keurder zijn intrek in het duivenlokaal van een kleine naburige gemeente. Dank zij handige publiciteit door de lokaalhouder  aangebracht, kon men een groot aantal liefhebbers uit de omgeving aanlokken. Er was een groot aantal aanwezigen en de keurder wist er een gemakkelijk  sukses te bekomen door allerhande diagnosen vast te stellen en zeer stellige uitspraken te doen over de aangeboden duiven: Uitstekende duif voor de vlucht, maar slecht voor de kweek... Slechts goed tot op 150 km... Deze is hier goed voor alle vluchten over gans de vluchtlijn, maar het ware verkeerd er ook maar één jong uit te houden... Deze komt voort uit koppeling van twee jaarduiven... enz... enz... Hij was sterk, zijn onfeilbaarheid of zijn «geheim», hoe je het ook verkiest, liet hem alle stoutmoedigheid toe. Maar het was al te mooi om tot 's avonds te blijven duren.

Inderdaad, er ontstond opeens een betwisting met een van de aanwezige liefhebbers, die het niet meer laten kon zijn onenigheid met de uitspraken van de  «ziener» te kennen te geven. Deze liefhebber had tien duiven medegebracht, waarvan een als niet kweker werd gerangschikt, ofschoon hij vader was van vier extra duiven, die door dc2elfde keurder op dezelfde dag als zo werden geklasseerd. De man met het geheim, die overigens goed ter sprake was, kon men zo maar niet voor een kleinigheid van zijn stuk brengen. «Het is de duivinen de duivin alleen, die alle sportieve waarde aan de jongen van het koppel overgegeven heeft», zo wedervoer hij met besliste stelligheid. Nu had hij waarlijk geen geluk, want de duivin bevond zich eveneens tussen de partij van tien duiven, waarover hij zojuist de uitspraak velde. Haar steekkaart vermeldde: «Derde kategorie, slechts geschikt voor de vitessevluchtcn», hetgeen zoveel betekende als «in de pan». Het was een grapje die hem een kwade beurt bezorgde, door het uiblijven van het teken of het geheim.

Wij moeten thans wel een kleine jarcnthesis invoegen, teneinde te voorkomen dat de liefhebbers alle keurders over een zelfde top scheren. Want er bestaan uitstekende keurders, die zowel aan de liefhebbers als aan de sport zelf grote diensten bewijzen. Personen als René Genettc en Omer De Keyzer (-|-), wiens kennis en kunde wij meer dan eens hebben kunnen beoordelen en die overigens regelmatig hun bekwaamheid door persoonlijke uitslagen hebben kunnen  bewijzen, zodat ze zich sinds lang op de hoogste toppen van de Belgische duivensport wisten te handhaven, hadden recht op onze ganse bewondering. Ze laten zich betalen om anderen deelachtig te maken aan hun arbeid, dit is handelslogika, zij leveren voor het gevraagde geld goede waar. Ook anderen, iets min bevoegd, kunnen wellicht eveneens diensten bewijzen aan wie hen raadpleegt. Het is precies hun plicht dat de aandacht er noodzakelijk op gevestigd wordt, dat hun gilde door verschillende ellendige grappenmakers ontsierd wordt. De kwakzalverij van deze grappenmakers schaadt ten juiste de belangen van de jonge liefhebbers en nieuwelingen die hen raadplegen. Goede keurders -zoals wij hiervoor noemden en wij voegden er aan toe, dat er ook nog andere dan de voornoemden bestaan- kennen een duif volledig, ze steunen zich nooit enkel en alleen op een of andere eigenaardigheid om de juiste waarde ervan te bepalen. Wij moeten maar eens te meer, voor alwie oren heeft om te horen en ogen om te zien, herhalen dat geen enkel geheimzinnig teken toelaat onfeilbaar de mogelijkheden van een duif -hetzij het nu om de vlucht of om de kweek gaat te bepalen.

Kennis van een duif -en gelukkig voor onze sport- hangt niet alleen af van een toevallige ontdekking, van een of ander geheimzinnig teken. Het onlangs gehouden referendum, waarvan wij de uitslagen gepubliceerd hebben, levert voor u eens te meer een sprekend bewijs. Het is een studie van lange adem, buitengewoon interessant, waarin wetenschap en arbeid, geduld, hernieuwde waarneming en onderzoek, steeds uitzoeken en najagen van de zo genoemde vondsten. Teneinde haar positie, die sommige pessimisten sterk bedreigd achten, te behouden, moet onze sport jaarlijks op een toevoer van verschillende duizende liefhebbers kunnen aanspraak maken, want willen wij op onze stelling blijven, dan moeten de talrijke ledige plaatsen die jaarlijks groter worden, daar de dui vensport momenteel door een grote meerderheid in leeftijd gevorderde liefhebbers beoefend wordt- jaar op jaar terug ingenomen worden. Welnu, het zijn juist de nieuwelingen en de beginnelingen die de gemakkelijkste prooi vormen voor het lokaas, door de talrijke grappenmakers die wij maar al te goed kennen, aangeprezen. Nauwelijks tot onze gilde toegetreden, worden ze door de duitendieven aangezocht, die hen op zoek naar termende geheimen jagen. De tijd gaat voorbij, maar hij brengt geen voordeel mede voor de jongeren, daar het geheim niet bestaat en de intussen verloren gegane jaren met het opzoeken ervan, inmiddels niet kunnen gebruikt worden voor ernstige en onontbeerlijke studie. Aldus komt de ontgoocheling, de ontmoediging en men geeft het op. Dit uitvallen is uitsluitend te wijten aan het feit, dat deze nieuwelingen op een slecht spoor gesteld werden. Wij zijn overtuigd, dat het in het belang van de sport verkieslijker is de beginnelingen ronduit te zeggen, dat er niets geheimzinnigs in de sport voorkomt, dat onze sport buitengewoon moeilijk en  ingewikkeld is, maar dat juist deze moeilijkheden de aantrekkingskracht ervan, die men nergens anders aantreft, uitmaakt. Voor een jonge man is het waarlijk de beste leerschool van geduld, waarneming, stiptheid, persoonlijke arbeid, die kan gedroomd worden. Het is noodzakelijk eraan te herinneren, dat de duivensport, meer dan gelijk welk andere sport, een leerschool uitmaakt, die alle leerlingen dienen te doorlopen. Er zijn in de stilte van het hok praktische lessen te nemen, die door geen enkele theorie kunnen vervangen worden. Om te slagen en stand te houden, moet men vakman zijn en dus moet men zich zo snel mogelijk de onontbeerlijke kennis eigen maken. Dit wil nog helemaal niet zeggen, dat de suksesscn in onze sport alleen weggelegd zijn voor de ouderen. Verre van waar, want bij gelijke kennis zal een jonge liefhebber in opgang, gewoonlijk de ouderen verslaan, eenvoudig omdat deze een percentage ijver bij de taak verliest, doordat hij toch niets meer verwacht dan stand te houden.

In de duivensport worden goede leraars en toekomstige kampioenen gerecruteerd uit jonge leerlingen. Ziedaar jonge liefhebbers, die ons leest, hetgeen voor u een aanmoediging moet zijn. De toekomst van de duivensport mag niet afhangen van het goeddunken van illusionisten en vallende sterren. Ze moet integendeel gevestigd worden op echte liefhebers, die bij voorbaat in kennis gesteld met de moeilijke gegevens van het probleem, niettemin dit hun echte  roeping en hun geduldige vlijt, kracht en sterkte putten om in hun carrière te slagen. Deze overwegingen verplichten ons cnoe eens te meer de afkeuring of waardige politiek van schaamteloze profiteurs te ontmaskeren. Zij schermen met een geheim, met enig doel de jonge elementen in hun greep te krijgen. Mits zij er maar baat bij hebben laat al de rest hen onverschillig. Wij zullen ermede doorgaan hen de weg te versperren, dit in het belang van de duivensport, zowel als ter wille van de waarheid. Deze weinig nauwgezette lieden hebben een breed aktieterrein, want de caféhouders steken hen, met eenzelfde geïnteresseerd doel, graag een handje toe. Ingevolge de mistcvredenheid die zij omtrent na elke zitdag opwekken, komen ze niet zo dikwijls langs eenzelfde lokaliteit. Het komt er dus op aan, wil men een goed debiet van de bierkraan bestendigen, jaarlijks een andere keurder aan te bieden. En op deze manier zijn verschillende charlatans in de gelegenheid, gemeente na gemeente, hun ronde van België te doen, om overal de lichtgelovigheid van de nieuwelingen en minder gunstig bedeelden uit onze sport uit te buiten. Wij verontschuldigen ons andermaal bij de goede keurders, die lieden met volle kennis en geweten zijn, maar wij zijn in hun persoonlijk belang er toe genoopt de betreurenswaardige mentaliteit van hun schaamteloze mededingers, die de achtcnswaardige gilde verlagen, te ontmaskeren. Wij staan met hen tegen alle anderen. En wij zullen met al de ter beschikking staande middelen het belang van talrijke lezers, die ons ventouwen schenken, blijven verdedigen.

Indien wij, om de gunst van jonge liefhebbers te winnen, hen de waarheid moeten verbergen, hen moeten aantrekken met het lokaas dat niet bestaat, hen op een spoor moeten brengen dat tot nergens leidt en hen verraderlijk moeten oplaten, dan zien wij af van hun bijval. Wij houden van vorserswerk en onophoudend zetten wij nieuwe  experimenten op, wij loeren op elke gelegenheid en wij onderzoeken elke  nieuwigheid, maar wij hebben allerminst de pretentie tot elke prijs iets nieuws te willen voorbrengen en wij veroorloven ons nimmer enige vrijheid tegen de waarheid in. Waarschijnlijk met beter bedoeling dan de kwakzalvers. Waarover wij het reeds hadden, hebben andere konftaters, met weinig scherpzinnigheid of wellicht in de macht van de duivel van de  geleerdheid, de vooruitgang die onze sport reeds kan gekend hebben, even slecht gediend door maar al te lang de aandacht van de liefhebbers te willen vastleggen op een of ander eigenaardigheid van een duif, waar aan ze dan niet aarzelden alle andere ondergeschikt te maken. Op alle gebied zijn er pionniers nodig en zij zijn zeer kostbaar. Hun arbeid is zeer ondankbaar. Hun opzoekingen moeten uit alle kracht aangemoedigd worden. Het is op grond van de sympathie die wij hen toedragen, dat stap voor stap de opzoekingen op het stuk oriëntatievermogen van de reisduif, door onze betreurde Prof. Capan, gevolgd hebben. Uit eenzelfde principe hebben wij de voongebrachte studie over de vleugel van een nieuw gezichtspunt uit bekeken en interessant bevonden. Deze studie was belangrijk tot op het ogenblik dat, om een theorie die door de praktijk niet als dusdanig bevestigd werd, op te dringen, een exclusieve tegenover al de rest gesteld werd. Belangloze vorsers en pionniers hebben recht op alle eerbied en sympathie, maar zij staan verantwoordelijk voor hun besluiten, die ze, in geweten, niet mogen commercialiseren vooraleer de praktijk ze heeft bevestigd. Het minste dat op gebied van de duivensport kan gezegd worden is, dat het merendeel van de sinds een halve eeuw voongebrachte theorieën voorbarig waren. Theorie alleen heeft volstrekt niets te betekenen, ze moet door de praktijk bevestigd worden.

Wat baat het een lange theorie, over de ogen bijvoorbeeld, te bestuderen en te tekenen, alswanneer de algemeenheid van de goede duiven die wij op dit punt onderzoeken, verschil venonen met hetgeen wij in de theorie als wet gesteld vinden. Tot wat kan het dienen bij elke gelegenheid te herhalen en dan nog met nadruk op elke lettergreep, dat een vleugel 24, 25 of 26 cm moet meten, alswanneer wij, bij opmeting van de vijfentwintig beste duiven van het land, vaststellen dat er veel lengtematen voorkomen als er duiven zijn en dat juist de beste dan nog de konste vleugel uit de hele partij had. Alswanneer de praktijk zo onmiddellijk de voorschriften die men uitvaardigd komt te ontzenuwen, kan men dan nog wel redelijkerwijze de onfeilbaarheid van een theorie voorstaan, ware het zelfs nog mogelijk haar ontvankelijkheid aan te nemen?

Nog andere voorbeelden kunnen onze redenering kracht bijzetten. Hetgeen voorafgaat volstaat om diegenen, die ons willen volgen, tot grote voorzichtigheid aan te manen. De schoonste theorieën houden slechts stand indien de praktijk ze bevestigt en wij mogen van haar voorstander minstens bij voorbaat een ernstige kontrole eisen. Deze voorzorg zal hen een publieke verloochening, die de toekomst van onjuiste gegevens voorbehoudt, besparen. Alswanneer wij gelegenheid hebben een grote tentoonstelling, waarin alleen echte goede duiven aanvaard worden, te bezoeken, zouden wij dan in volle ernst en na alle manden nauwkeurig te hebben nagezicn, durven zeggen dat wij ook maar een enkele eigenaardigheid, die bij alle duiven gemeen voorkomt, ontdekt hebben.

Er zijn er van alle soonen kleuren, de ene groot, de andere klein, of een andere nog vcnoont een middelmatige grootte. De tint van de ogen is zo verschillend, dat een schilder die ze zou willen weergeven, het gehele gamma van kleuren waarover hij beschikt zou dienen te gebruiken. Sommige zijn plat, andere zijn  diep. Begint met te wegen of vleugels en achtervleugels te meten, dan ontdekt men evenveel verschil in de afmetingen als in het gewicht. Het ware evenzo moest men omvang en vorm van de spieren kunnen meten, of van het borstbeen of van de lenden, noem maar op... Wat bewijst dit?

Dat de duif haar sportieve waarde niet haalt uit een of ander gedeelte van haar individualiteit, maar dat een duif een wonderbaar geheel uitmaakt, waarvan de volmaaktheid de klasse bepaalt. Het bewijs van hetgeen wij hier neerschrijven werd ons in 1952, bij de kono-ole op het IVe Salon van de Belgische Rcisduif  gebracht. Dit materieel bewijs door de 25 beste Belgische duiven gebracht ruimt, willen of niet, alle exclusiviteit uit de weg. Dit bewijs belet elke liefhebber, hij weze eenvoudig liefhebber, kampioen of kroniekschrijver, al te overdreven onverzettelijk te zijn. Jonge liefhebbers die ons leest: studie, praktijk, een gevoelige en geoefende hand, stellen een zeer gering aantal bevoorrechten in staat min of meer nauwkeurig de sportieve waarde van een duif te gissen of er een  voorgevoel van te hebben. Tussen deze zeldzame bevoorrechten zijn er die 20 vergissingen op de 100 begaan, anderen 15 en wij zijn mild alswanneer de beste, de sterkste, 10 slechte prognostieken op 100 toekennen.

Noteer goed, dat er nooit absolute zekerheid bestaat; wij kunnen alwie ons wenst te spreken hiervan bewijs leveren. Een duif kan uitwendig hoedanigheden van een crack vertonen en toch maar een gemiddeld of een mispunt zijn. Dit hangt af van toeval, dat ongezien, onaanvoelbaar en oncontroleerbaar, aan de beste kenner ontgaat.

Reacties

goooddd!!!

Très bon Article.
Une petite histoire de vérité sur le pigeon
"crack" mais un facteur a été oublié car il
faut en tenir compte également, c'est le
facteur : " CHANCE ".