Zoeken

Ruiproces en randverschijnselen - Deel I

Deze week, mijn vriend de veearts op bezoek gehad. Niet dat mijn duiven ziek waren, louter een vriendschapsbezoek...Maar uiteraard toch over de duiven gesproken en zijn het ruiverloop der duiven in de volière eens gaan bekijken.

Een massa kennis heb ik weer opgedaan, kennis waaraan ik ook u, waarde lezer, deelachtig wil maken.

Sommige duivenhouders menen dat de rui een ziekelijk iets is in de ware zin van het woord. Maar lezers dit is het niet. Evenals de zoogdieren hun haren verliezen is de rui een telkens wederkerend verschijnsel van vernieuwing.
Het wordt beïnvloed door dezelfde oorzaken en wel het aantal uren daglicht, de hormonen en voor een deel door de temperatuur. De rui begint met het uitvallen van de vleugelpennen, dat zijn de pennen welke het uiteinde van de vleugel vormen; de achterpennen gaan eveneens uitvallen en deze pennen, ongeveer 20 stuks worden volgens een bepaald patroon vervangen, nl. bij de uitgespreide vleugel vanaf de scheiding achter- en vleugelpennen naar het lichaam toe en naar het uiteinde.
Het is bekend dat de pennen niet even hard groeien. Als de veren kort blijven, wil dat zeggen dat de dieren tijdens de rui ziek waren of iets tekort kwamen.

Niet alleen de pennen vallen uit en moeten terugkomen, maar ook het dons krijgt een beurt, deze rui ziet men het liefst vlot gebeuren. Het aantal uren daglicht is een zeer grote starter voor de rui, deze verminderende lichtinvloed welke we in het najaar ondergaan, werkt als prikkel om de klieren welke hormonen voortbrengen te beïnvloeden. De lichtprikkel heeft invloed op e hersenklier, een kliertje dat enorm belangrijk is en aan de hersenbasis zeer veilig opgeborgen ligt in het zogenaamde Turkse zadel, een beschermende beenformatie.

De directe en indirecte werking van dit kliertje op andere klieren en organen kan enorme gevolgen hebben. Voor de duivenmelker is in zijn duif dit kleine hersenaanhangsel bepalend voor alles, want het regelt de rui, veroorzaakt de broedsheid, de paring, de geslachtelijke ontwikkeling, regelt de bloeddruk, veroorzaakt de kropmelk en beïnvloedt de stofwisseling van de koolhydraten en als het ook maar iets hapert, geeft het dieren welke achterblijven in de groei.
Door de hormonen van deze klier wordt o.a. de schildklier, gelegen in de hals, weer beïnvloed. In de ruitijd is de schildklier het actiefst. De geslachtsorganen hebben eveneens een duidelijke invloed op de veerontwikkeling, de verschillen in vorm en kleur van mannetje en vrouwtje worden door de geslachtsklieren opgewekt.
Dit geheel aan klieren wordt dus centraal bediend vanuit de hersenklier. Kan de mens invloed op de rui uitoefenen? Het antwoord daarop is jazeker, we kunnen er veel af en toe doen. De belangrijkste stimulans voor de rui is de lichtinvloed; korten van de dagen geeft met elektrisch licht rui wanneer men zou willen de daglichtkorting teniet te doen
Naar ik meen is in de duivenkwekerij deze lichtfactor niet benut als we een vergelijking maken met de pluimveewereld. Daar zorgen we voor een constante verlichting, want zou gauw een pluimveehouder een fout maakt met die lichttoediening gaan de hennen ruien en daardoor daalt de eierproductie. Het mechanisme is met kunstlicht hetzelfde, nl. de lichtprikkel gaat via de hersenklier en daarna wordt de rest beïnvloed door die klier zoals boven uiteengezet werd.

Dat de lichtinvloed belangrijk is en de oorzaak van de rui is, heeft tot gevolg dat de jongen in januari en maart geboren op dezelfde tijd ruien. Het is dus geen kwestie van ouderdom van veren.
De mens kan om de dieren in conditie te houden en de rui glad te laten verlopen nog meer doen, nl. de voeding in optima forma laten verlopen. Om u een inzicht te geven in deze ontwikkeling halen we iets uit de pluimveevoeding aan, het is namelijk zo dat men nergens precies weet wat we aan de dieren het best kunnen geven. Wetenschappelijk gesproken is er bij pluimvee het meest aan gedaan door vele, vaak kostbare proeven in tal van landen. Toch schrijft een pluimveedeskundige het volgende:

“Het blijkt telkens weer dat ik de praktijk nog dikwijls fouten worden gemaakt met de voeding van ruiende hennen. Vaak worden deze dieren nog behandeld op dezelfde manier als voor Wereldoorlog II. In die tijd had men nog niet die inzichten in de voeding die thans als min of meer vanzelfsprekend worden aangenomen.”