Zoeken

Rond 1900 was het anders... was het ook beter?

Er is nogal wat veranderd als we lezen hoe de opvattingen omstreeks 1900 waren. En toch is er anderzijds veel gelijk gebleven. Alweer stellen we vast dat toen al “de waarheden als koeien” werden ontdekt.

Anderzijds uitte de duivensport zich rond die eeuwwisseling in een aantal krampachtigheden, die het gevolg waren van een groot gebrek aan kennis. En dan te weten dat de schrijver van het boek, dat wij momenteel aan het lezen zijn, een ontwikkelde man was en competent genoeg om alles wat hij wist en aan ervaring had op schrift te stellen.

De hokken

Wat te zeggen van de volgende regels:
“Ofschoon verse lucht in ruime mate zelfs hoogst nodig is voor onze duiven, moet elke luchttocht, hoe gering ook, pijnlijk vermeden worden. Alle tochtgaten moeten goed dicht gestopt worden; ’s Nachts altijd en overdag bij guur weer moet de ingang door een deurtje, liefst van glas voorzien, dicht gemaakt worden opdat niet alleen tochtwind doch vooral geen regen of sneeuw tot op het hok vrije toegang zou hebben. Want de vochtigheid oefent te allen tijde, doch vooral in het koude seizoen, een zeer nadelige invloed uit op de gezondheid der bewoners.”

De waarheden als koeien stappen er zo maar uit. Neem bijvoorbeeld het slot over de vochtigheid. De mensen wisten er toen al net zoveel van als wij nu en wij niets meer dan zij toen. Vocht wordt al sinds mensenheugenis als een der grootste vijanden voor de duiven aanzien. En men had het helemaal bij het goede eind. In hetzelfde behartenswaardige stukje over vocht lezen we ook iets over tocht: “...hoe gering ook, dient pijnlijk vermeden te worden.” Gebrek aan kennis, of beter gezegd onvoldoende gevorderd zijn van de wetenschap, is de oorzaak van deze stelling. Men wist in die dagen, ten overstaan van duiven, vermoedelijk nog niets over hard en liefdevol...over aan twee of drie kanten open volières, enz. Toch weten we dat heden ten dage nog vele melkers er over denken als in de oude tijd. En wij schrijven ook met een stalen gezicht Over de noodzaak van tochtvrij. Dat is echter heel iets anders als alle tochtgaten moeten goed dichtgestopt worden.

Vanmorgen vroeg is de temperatuur boven nul gestegen en een paar uur later konden wij de hokken schoonmaken. Het is nu 5 graden boven nul en de twee ramen van het weduwnaarshok waarvan wij er één tijdens de stevige vorst sloten, staan weer op de haakjes. Deze zorgen er voor dat er kieren zijn (van boven naar beneden) van 5 cm breed. Als de wind wat draait en opsteekt, kunnen de duiven van de schabbetjes afwaaien. Wij vinden het helemaal niet erg. Het enige waar wij gaten en ramen voor dichtmaken is voor water. De rest is van geen belang. De duiven worden er sterk van en al mogen ze al eens een natte neus opdoen, later zijn ze er beter mee af. Harden is voor elk levend wezen een zaak van belang. Met kasplantjes komen we geen stap verder. Alleen als de weduwnaars op weduwschap gaan, doen we de ramen dicht om de warmte en om de rust!

Als wij ooit eens een nieuw hok gaan bouwen en dat zal er wel eens van komen, zullen we het zo inrichten dat de ramen open kunnen zonder dat de hokken vol regenen of sneeuwen. Buiten het vliegseizoen is buitenlucht voor alle duiven van het allergrootste belang.


De laatste honderd jaar hebben de installaties een ware metamorfose ondergaan

De voeding

De voeding uit die dagen, zoals we die voorgeschreven vinden, verschilt sterk van deze die we nu in boeken en bladen aantreffen. Gerst heeft de grootste opgang gemaakt. Toch verbaast ons de samenstelling van het winterrantsoen zoals dat in die dagen werd aanbevolen. Het is redelijk licht en ook de motivering van de voeding is een goede:
“Heeft men nu zijn goede voorzorgen genomen wat betreft het hok, dan komt een verandering van voeding aan de beurt. Hierover is de mening van de meeste liefhebbers nogal verdeeld. De ene verlangt een tweemalige voederbedeling nl. ’s morgens een klein rantsoen en voor de avond een volle maaltijd. Andere menen te kunnen volstaan met een éénmalige voederbeurt in de late namiddag. Wat dit betreft kan elke liefhebber naar eigen goeddunken handelen als hij maar zorgt dat het dagelijkse rantsoen niet al te groot is, 25 tot hoogstens 30 gram per duif is voldoende en dit laatste uitsluitend bij hevige koude. Bij al te zacht weer kan men deze hoeveelheid zelfs nog wat verminderen, in dit seizoen is het toch enkel hoofdzaak de gezondheid en de krachten van de duif te bewaren, want het totale gemis aan beweging eist geen overvloedige voeding. Het voorgeschreven rantsoen voeder kan als volgt samengesteld zijn: 25% tarwe, 25 maïs, 25 gepelde gerst, 12,5 bonen en 12,5 wikken.

Na de maaltijd een greep lijn- of koolzaad, respectievelijk raapzaad. Bij zeer koud weer geeft men voor de avond nog een klein rantsoen bonen alleen. Ook wel ¼ haver, ¼ gerst, ¼ wikken en wat oudbakken brood. Lijn- of raapzaad als dessert nooit vergeten.”

Het één of tweemaal per dag voederen in de wintertijd is gebleven zoals het was. De natuur wijst hier zelf duidelijk de weg. En ieder die nadenkt en het maar enigszins kan versieren zal bij koud weer tweemaal voederen. ’s Morgens half genoeg en ’s middags (rond 15 uur) genoeg. Eénmaal voederen per dag is tegen de natuur en als bovendien veel gerst gegeven wordt en het is erg koud, krijgt de duif niet voldoende calorieën binnen. Verder geloven we niet dat 25 à 30 gram bij de hevigste koude volstaat. Onze duiven aten rond Kerstmis, toen het hard vroor, ruim 35 gram. Wij hadden er ook nog meer grammen kunnen in krijgen. Misschien dat de duiven, ruim honderd jaar geleden, wat kleiner waren. Wij geloven het niet, eerder zijn ze nu wat kleiner.

Wat kan dan de oorzaak zijn?

Het valt op dat in het rantsoen dat dhr. Pelt noemt geen haver en gerst voorkomen. Hij noemt gepelde gerst. Dat is gort. Wij kennen het uit de oorlog en uit de tijd dat we thuis nog niet zoveel laken voor de schaar hadden en het is een zwaar geconcentreerd voeder. Niet zwaar in de betekenis van eiwit doch in de betekenis van kgr. per hectoliter. Welnu, de duiven hebben aan 30gram zonder stro en pellen (denk aan haver, gerst, boekweit, zonnebloem, paddy, enz.) evenveel als aan 35 gram met stro en pellen. Het voeder rond 1900 was dus lichter dan we dachten, de variatie is echter te gering en wij missen groene erwten. Overal komen we verder wetenschap tekort. Er was nog hoegenaamd niets onderzocht en dus ging dhr. Pelt op zijn gevoel en intuïtie verder. En nog redelijk goed ook. Het zou nog even duren en dan kwamen gerst en groene bonen ter sprake. Toch vestigt dhr. Pelt de aandacht op haver en gerst. Als een extraatje ’s avonds bij zeer koud weer. De angst van te veel te voederen zal ongetwijfeld parten gespeeld hebben. Het is namelijk niet mogelijk om een duif, die een mengsel krijgt van haver, gerst en wikken, kapot te voederen.

Wat ons aangaat en wat wij u aanraden...geef als het zo koud is een paar handvollen maïs. Maïs bevat veel vet en vet levert de meeste bescherming tegen de koude. Veel meer dan eiwit en zetmeel en suiker e.d. Die zijn duiven graag oud brood geeft, doet er geen kwaad mee. Vroeger voederden ze allen oud brood. Geen bezwaar doch ook geen voordeel. Gewone tarwe is beter. Ga het gehalte aan vitaminen maar eens na. Overigens...voedsel dat graag gegeten wordt, voedt beter. Producten met prachtige samenstellingen, die de dieren alleen bij grote honger opnemen, voeden maar even goed als producten met minder mooie cijfers, doch die graag worden opgenomen. Dat geldt voor mens en dier en wij denken ook voor duiven.

Wanneer we rekening houden met het feit dat ruim honderd jaar geleden de duiven alle dagen open hok hadden, is op het rantsoen zoals dat aangeraden werd, niet veel aan te merken. En met dat voedersysteem moeten de duiven even goed duizend kilometer hebben kunnen vliegen als nu. Van kapot voeren of wat dan ook hoeft geen sprake te zijn. Eenvoud en gemak stonden voorop. En...open hok, wij komen dat in het boek van dhr. Pelt steeds tegen.
Alleen ontdekken wij nog niets over weduwschap.  

Reacties

Ik lees telkens tegenstrijdige berichten als het over maïs gaat...: de een zegt tis beter van niet vanwege de moeilijke vertering van het vliesje en dat schijnt de stofwisseling nadelig te beïnvloeden etc.

In dit art. hebben ze het over mais om dat het vetgehalte zo hoog is etc. Maar haver bevat een veel hoger percentage...toch? En wordt ook door vd Pelt genoemd..! Plus mais geef je toch om de glucose voorraad van een duif op peil te houden etc.

Rob