Zoeken

Over de beste duiven van toen en nu

Honderd jaar geleden, ik zeg niet tweehonderd, hadden we al duiven die enorm presteerden. Ze vlogen de afstand van Bordeaux naar Antwerpen in dezelfde tijd als nu.

Bovendien presteerden ze op korte vluchten goed en om al het oude nog eens even te idealiseren, de duiven van toen waren meestal sterker en gezonder dan de tegenwoordige. Nu moet u niet denken, dat ik zo een mannetje ben dat ‘van vroeger’ alles best vindt en ‘van tegenwoordig’ alles slecht. Verre van dat! Gelukkig hebben we nu ook nog massa’s werkelijk gezonde duiven, doch het percentage twijfelaars dat met de fles overeind gehouden moet worden is beduidend groter. Vroeger viel zo een duif uit en tegenwoordig proberen velen haar in het leven te houden.

Ik schrijf speciaal over vroeger, omdat we er uit kunnen leren dat de erfelijkheidsleer ons nog niet zo erg veel verder bracht. Een beste duif van nu is weinig beter dan een beste duif van vroeger. Met de andere dieren is het eigenlijk precies zo gesteld. Type, model, enz. evolueerden wel, doch 100 jaar geleden hadden we evengoed wonderkinderen als nu. Alleen, en dit is een groot verschil, we hebben er nu meer.

Als we momenteel Bordeaux spelen, doet de snelste duif misschien weinig meters meer dan vroeger. Een feit is dat de prijskamp eerder afgelopen is. We hebben dus veel meer goede dan onze opa’s. En dat geldt alweer voor vele dieren. De beste van nu en de beste van toen, en we blijven nu maar weer bij onze kleppers, verschillen echter niet zo heel veel.

Hoe komt het dan dat we meer goede hebben dan voorheen?

Ten eerste is het aantal duiven aanzienlijk groter. Ten tweede is het milieu sterk verbeterd en ten derde is er, met of zonder erfelijkheidsleer, uit de goede meer en doeltreffend gekweekt. Ik zou niet graag beweren dat de erfelijkheidsleer van geen betekenis is geweest of is. Verre van dat. In de plantenteelt zijn de vorderingen enorm, juist door de erfelijkheidsleer. Hier heeft de Mendelse wetenschap niet alleen een verklaring gegeven voor de verschijnselen, ze heeft ook daadwerkelijke steun verleend aan de verbetering van het ras. In de dierenwereld en ook ten andere van onze duiven houden we het voornamelijk op het eerste: de erfelijkheidswet  verklaart de verschijnselen. Aan de opbouw van het ras zelf had zij minder deel. Het zijn hier speciaal de kweekervaringen en capaciteiten die succes boekten.

Hoe komt het dan dat in de plantenwereld zoveel meer succes geboekt is dan bij de dieren?


Johann Gregor Mendel (1822-1884)
Meer over de "Wetten van Mendel" onderaan deze pagina.

Ten eerste kosten kruisingsproeven bij dieren veel meer geld. Men moet niet alleen denken aan het kweken van witte muizen doch ook aan koeien, paarden, enz. Wetenschappelijk opgezette proeven en dan van zodanige omvang dat ze enige waarde hebben, kosten schatten geld.

Ten tweede krijgen dieren veel minder nakomelingen dan planten. Als men bij deze laatste een gunstig milieu schept, is het aantal nakomelingen heel hoog op te voeren. Bij dieren kan dat niet. Koeien geven 1 kalf per jaar; paarden 1 veulen; varkens 20 biggen en duiven 10 à 12 piepers. Begin er maar aan. Een reuze karwei, die van lange adem is.

Ten derde is bij de dieren de ontwikkelingstijd lang. Hoe lang duurt het eer we van een koe iets weten. Als we aan melkproducten denken, hebben we inclusief de drachtigheidsperiode 5 à 6 jaar nodig. D.w.z. als we een paar melklijsten willen hebben. En bij de duiven? Ook een paar jaar. De kwaliteit van de duif demonstreert zich in haar prestaties. Feitelijk ook in haar vitaliteit en een belangrijke waardemeter hiervan is haar levensduur. Bij planten ligt dat allemaal eenvoudiger. De meeste leren ons binnen een half jaar of hoogstens één jaar en soms al na enkele weken of een bepaalde proef resultaat opleverde.

Ten vierde is bij de plantenveredeling zelfbevruchting mogelijk. Bij dieren niet. Deze zijn namelijk niet bruikbaar tweeslachtig. We kennen bij planten zuivere lijnen, bij dieren niet. Steeds kruisen we twee verschillend aangelegde dieren. Dit kan niet anders. En eenëiige tweelingen hebben dezelfde aanleg doch we kunnen deze niet met elkaar paren. Ze hebben immers hetzelfde geslacht. Er zou anders geen sprake kunnen zijn van eenëiige. We kunnen stellen dat, toen de regels van de erfelijkheidsleer opgesteld werden, de veeteelt al in vrij hoge mate voldeed aan zekere eisen en dat men door inzicht en ervaring al aardig ver gevorderd was. In ieder geval verder dan in de plantenteelt.

De drang naar verandering en dus naar verbetering was daardoor ook minder groot. Het is dan ook op geen stukken na zover, dat we onder duivenkweek of veeteelt in de praktijk omgezette en toegepaste erfelijkheidsleer kunnen verstaan. Dat lijkt er niet op. Toch zal in de fokkerij meer en meer gebruik gemaakt kunnen worden van wat de erfelijkheidsleer heeft aangetoond en geleerd. Als duivenkwekers komen we het verst als we de grondslagen van de leer kennen, de invloeden weten van o.a. inteelt en dergelijke, ondermeer de principes begrijpen ten aanzien van het aandeel van het milieu en erfelijke aanleg en verder de levenslessen van vroegere kampioenen tot de onze maken en dat waren:

a. de beste tegen de beste
b. selecteren op prestaties
c. selecteren op gezondheid

Deze punten vormen onze grootste houvast. Zonder kennis van de wetenschap, die we erfelijkheidsleer noemen, kunnen we het echter niet stellen. Teveel feiten uit onze liefhebberij vragen om verklaringen. Wij moeten die verklaring kunnen geven.

Het is al te gek, dat we als domme ganzen over de sport praten. Laatst nog op een kampioenendag. Een liefhebber kwam met duiven. De man had gewoon gepresteerd. Alleen op een paar vluchten had hij hard gespeeld. Hij kreeg allerlei vragen te beantwoorden en geen enkel antwoord hield steek. Dit toonde alleen aan dat de man puur bij toeval wat presteerde, doch van biologie, van leven, van erfelijkheid, van voeding, enz. niets maar dan helemaal niets begreep. We moeten weten wat we doen. Bij de kweek, bij de voeding, bij de koppeling, enz. Het is het minste wat we van een echte melker mogen verwachten.

Dat zo weinig liefhebbers wat presteren, houdt verband met hun gebrek aan kennis. Dat zo weinig melkers, die succes kennen, dit weten te handhaven komt uit dezelfde oorzaak voort. Ik ken absoluut wijze mensen en toch zie ik hen dikwijls naar een boek grijpen...om een verklaring te vinden voor een onbekende of onbegrepen zaak. Dat is juist een bewijs van hun wijsheid. Domme mensen zoeken niet in boeken. Ze praten in het beste geval de anderen na...




Duivensport vroeger ...


En nu ....

De Mendelwetten

De monnik Johann Gregor Mendel (1822-1884) is de grondlegger van de erfelijkheidsleer. In de tuin van het klooster bestudeerde hij kruisingen tussen erwtenrassen. Hij bemerkte dat het overerven van kenmerken volgens bepaalde wetten verliep. De resultaten van zijn onderzoek publiceerde hij in 1865, maar de wetenschappelijke wereld van die tijd begreep zijn werk niet. Zestien jaar na zijn dood werden de erfelijkheidswetten door drie wetenschappers herontdekt. Uit eerbied voor de monnik werden de erfelijkheidswetten de 'wetten van Mendel' genoemd.

Eerste mendelwet: Als men twee homozygote individuen die slechts in 1 kenmerk verschillen kruist, zijn in de eerste generatie alle nakomelingen gelijk aan elkaar.
Tweede mendelwet: Bij kruising van individuen uit de F1-generatie, bekomen uit homozygote ouders, ontstaan in de F2-generatie nakomelingen met een verschillend fenotype. er is echter een vaste getallenverhouding van 3:1 in het geval van dominant-recessieve overerving en 1:2:1 in geval van codominante overerving.
Mendel had echter nog nooit gehoord van genen, chromosomen en allelen!

Reacties

Volgens mij waren er vroeger even goede duiven als nu,alleen was het moeilijker om ze perfect gezond te houden denk ik.Wat me opvalt is:de duiven zien er niet zo raszuiver meer uit!Duiven zoals den buffel en de kilo van William Geerts zie je niet meer.(er zijn nog meer voorbeelden)

ik heb wel is beweerd, dat een renpaard, een racehond en een wedstrijdduif niet sneller kunnen; alleen de omstandigheden, zoals motivatie, gezondheid e.d. maken het verschil.maar helemaal waar is dit niet want er zullen ongetwijfeld meer duiven zijn, dan vroeger; die wel sneller zijn..!die geëvolueerd zijn. die zich genetisch hebben aangepast/doorontwikkeld. Aan de selectienormen van de moderne melkers. Niet bewust natuurlijk, maar wel onderbewust. Zie, het onderzochte leergedrag bij apenkolonies. Ofwel, zonder bewuste communicatie zijn dieren binnen hun soort blijkbaar instaat om "slimmigheden" te leren. En onderbewust over te dragen. Misschien zijn er biologische waarnemingen bekend: van duiven die elkaar naapen Smile

ps. de wedstrijden kennen een korter verloop, omdat meer duiven, het motivatie en met name gezzondheidsniveau halen. een mooi resultaat van de vooruitgang.

Ik denk dat motivatie de basis is, gezondheid/form en een goedhok is belangrijk, maar alleen een slimme duif met verstand is te motiveren net als topsporters de één heeft het de ander niet, hou je maar eens bezig het aankomende jaar met motiveren van je duiven en je zal zien dat de prestaties aanzienlijk beter zijn, dit ook voor de baas natuurlijk die moet ook gemotiveerd zijn hahaha sucses allen en een heel goed winter seizoen toegewenst.

Its all about progress ! Breeding better pigeons, transportation, feeding etc. May it long continue !!

Zij die denken dat de duiven van vroeger even goed als de huidige moeten er eens de oude uitslagen op na pluizen.De eerste vlogen vroeger waarschijnlijk even snel,maar de overgrote meerderheid bijlange niet.Bv
wedstrijden van Bordeaux een echte klassieker stonden bijna elk jaar een week open nu +- 5 uur.

At my own stud we line breed and inbreed to the three Champion pigeons, ie Champion Pennine Heights, Champion Biacton and Champion Pennine Home Alone, all three pigeons are the result of the crossing of unrelated but very good pigeons,they are the result of the first cross.
Now the daughters of each will be coupled with each male champion and the offspring then paired back to the original champion, hope this makes sense !