Zoeken

Op zoek naar een prima kweekkoppel - Deel I

Wat moeten we verstaan onder een kweekkoppel? Met kweekkoppels wordt te pas en te onpas nogal geschermd, maar meestal is dit ongegrond.

Voor ons is een kweekkoppel, in de echte zin van het woord, een koppel waarvan bewezen werd dat er ‘goede’ van afstammen en dan valt nog te bekijken wat door ‘goede’ bedoeld wordt. Voor sommige melkers zijn doodgewone prijsvliegers al "goede" en voor anderen zijn dat duiven die in drie van de vijf vluchten per vijftal kunnen winnen.

Welke duiven bij ons als ‘goede’ kunnen gecatalogeerd worden?

Wel, eentje dat van tien vluchten zeven keren per tiental, of nog meer naar de kop kan winnen. Neem echter maar rustig van ons aan dat zij er nog niet zo dik vliegen, de duiven die aan deze normen voldoen.
Kijk, als men dan een kweekkoppel bezit dat elk jaar zo een paar duiven op de wereld zet die aan onze vereiste van ‘goede’ voldoen, dan is dat naar onze smaak, een voortreffelijk kweekkoppel. Wij kennen tal van echte kampioenen waar op het kweekhok tien koppels huizen en van die tien zijn er vijf die aan onze normen voldoen. Dat betekent echter niet dat zij uit die vijf koppels elk jaar een tiental ‘goede’ hebben gekweekt, want tussen dat tiental zitten natuurlijk ook duivinnetjes en gezien zij uitsluitend weduwschap spelen, zijn het alleen de doffers die van tel zijn voor de vlucht. Daarbij komt dan nog dat er elk jaar ook wel enkele worden kwijtgeraakt. Dus als ze uit die vijf koppels een drietal ‘goede’ overhouden dan prijzen zij zich al gelukkig. En die andere vijf kweekkoppels? Wel, van die hebben zij het nog af te wachten wat het wordt. Dat zijn doodeenvoudig proef-kweekkoppels.

Begrijp je het verschil?
En van die melkers die met een kweekstal van twintig koppels en meer zitten, dan is het grootste deel daarvan proefkoppel. Wat een doorsnee melker met zo een aantal zogenaamde kweekkoppels moet aanvangen, vragen wij ons altijd in gemoede af.
Gesteld dat iemand een hokcapaciteit van twintig weduwnaars heeft en plaats om een vijftigtal jongen onder te brengen. Laten wij even een klein rekeningetje maken. Twintig koppels kwekers die een vroege winterronde jongen van dertig geven, vervolgens een tweede ronde van opnieuw dertig. Dit maakt er zestig en dus al een tiental boven het aantal dat behoorlijk kan gehuisvest worden.

Daar zitten dan nog de twintig weduwnaars waarvan dus geen enkel jong kan behouden worden, als men zich tenminste de plaag van overbevolking wil besparen. Dus geen jongen aanhouden van de weduwnaars, ook niet van de nieuwe koppels (jaarlingen) die daar gevormd worden. Op dergelijke manier wordt een belangrijke troef zo maar uit handen gegeven.

De voorname troef van ‘het moet pakken’ om een kweekkoppel te ontdekken en... of het al dan niet pakt, dat kan men alleen aan de weet komen door jonge duiven aan vluchttests te onderwerpen, wat natuurlijk onmogelijk is als men het vertikt uit de nieuw gevormde koppels afstammelingen te ringen. Dus een andere doenwijze door één ronde uit de nieuw gevormde koppels van de weduwnaars te ringen, plus een ronde uit de kwekers. Een mogelijkheid die zeker meer kansen biedt.

Waarom het dan echter noodzakelijk is er twintig kweekkoppels op na te houden, als er toch maar één ronde kan uit aangehouden worden, blijft ons toch een raadsel, tenware men natuurlijk met een ‘marchand’ te doen heeft. Wij kennen er zelfs zo eentje, die er op zijn reusachtige zolder zeventig kweekkoppels op nahoudt. Moeten er daar ‘soepduiven’ tussen zitten zeg!

Voor een gewone melker is zo een kweekstal met twintig koppels in elk geval een overbodige luxe. En let wel, het voorbeeld dat wij hier hoger aanhaalden is voor alles behalve een middelmatige hokbezetting want met die twintig weduwnaars en die twintig koppels van het kweekhok komen er al tachtig duiven op de hoklijst. Telt men er dan de vijftig voorziene jongen bij dan komt men al aan 130 duiven. Dat kan men geen hokbezetting van een doorsnee melker meer noemen. Als twintig kweekkoppels daar al zoveel te veel zijn, dan is het voor een klein hok zeker vijfmaal te veel.

Reacties

Hahahahahahahahaha

I have one. My 'Super pair' ! Smile

is dit een vroege 1 april grap ? hahaha

Aan Pipa

Kan je zo eens vijf super koppels opgeven kan niet zo moeilijk zijn want op jullie veilingen zijn het allemaal supers ook al hebben ze nog geen platte prijs gevlogen

Beste groeten Eric

Ik denk dat er helemaal geen kweekkoppels zijn die altijd maar supers voortbrengen, wel doffers of duivinnen die goeien geven.

We leven in een wereld van papier Eric en als ouderen dienen daaraan te leren wennen.
Van één zaak ben ik overtuigd in de duivensport : wie eenmaal één echt kweekoppel gevonden heeft waarbij de afstammelingen ook goede jongen geven is in den duivenwereld voor goed vertrokken
dan nog goed begeleiden en meer moet het niet zijn.
Helaas sinds 1967 zodoende zoekende en nog niet gevonden .....

Ja DeDe

Als ik een duif heb die per seizoen 5 maal per tiental vliegt is het al een hele goeie

ga maar eens na zulke vliegen er niet te dik.

groeten Eric

ja je kan wel goeie vlieger hebben en kweker maar ge moet ook een madam vinden die bij dien diuver past endat is al even moeilijk dan goeie prijsvlieger te vinden maar ja is weere winter hebben weere allemaal goeie zalwel veranderen in april als we met ons horloge binne moeten haahhahahahahhahaha

So many questions not many answers.
Why so many breeding pairs ? it is because there is no formula that is apparent that will identify pairs which will produce winning offspring.
So many Genes, so many permutations, so many different results.
A pair that has bred more than average winning offspring is the pair we want.
These pairs are unique and very scarce.
If we are to beleive the number of winners advertised then we would be foolish, ask the vendor to provide the proof that the pigeon advertised have bred so many winners then see what response you get.
THere is much uncertainty in the pedigrees of pigeons, this can be proven by DNA testing and this has been the case for birds sold on PIPA.
HONESTY AND PEDIGREE are two vital ingreedients required, make sure when you build your breeding pairs you have both.
Study the pedigrees of Thoroughbred racehorses they will help as they go back some 200 hundred years and have strict controls on acuracy.

我其实喜欢看这样的文章,很长见识啊!

Hello Iguanna

Jij hebt volledig gelijk inzake....blij dat het toch eens iemand durft zeggen..keep awake....

Mvg Uw fan....

Ooit ben ik begonnen met enkele duiven van een goedspelende liefhebber aan te kopen.
Starters problemen, het waren al duivinnen, via een andere goede speler aan doffer bekomen uit zijn kweekstal, duivinnen zware fond /overnacht, doffer halve fond/snelheid zo bleek achteraf.
Door bijgehaalde duiven aangekocht /gekregen slaagde ik erin om uit enkele koppels vastzitters jongen te kweken die toch op de lange afstand en afstanden boven de 500km prijzen begonnen te pakken als een 4e, 5e, 6e, 8e, 12e afijn diverse prijzen konden vliegen binnen de eerste 20 /30 maar zeker ook niet alle weken.

Een aantal jongen ook weggeschonken en die liefhebbers spelen er ook niet slecht mee een jong van 2007 vloog op 3jr 9x Int en Nat 9 op 9 prijs, een ander speelde vorig jaar met de jaarlingen 2 van mijn duiven de ene 6 prijzen van 7x boven de 600km het andere duifje vloog 3 van 6 vluchten boven de 600km prijs.

Een TOP hok zouden we allemaal wel willen maar soms is mee doen even belangrijk dan te winnen.
En anderzijds wie zijn de concurrenten, spelen ze allemaal het spel zuiver, tegen wie speel je binnen de eerste 10, 20 of 30.
We blijven moed houden en proberen ons te verbeteren jaar na jaar uiteindelijk zullen we er eens staan en zal hopelijk de ogen weer gericht zijn op die kleine melker met een hok goede duiven, Gebr. Janssens waren ook géén grote liefhebbers maar bereikten toch wereldwijde faam.
Persoonlijk denk ik ook als men wilt weten wat voor duiven men op het hok heeft zitten en vooruit wil komen met "goede duiven" men zowel doffers als duivinnen te spelen, weduwschap is mooi met de weduwnaars maar de duivinnen zijn evenwel belangrijk tenslotte goede kwekers / ouders of stamkoppels te bekomen.

Daarnaast zijn er al vele theorieën de revue gepasseerd, Ogentheorie, Vleugeltheorie, Spierentheorie, bouw van de duif. Maar een goede duif die vererft moet alle theorieën bezitten. met enkel een goede vleugel of een goed oog kom je er niet.
Vervolgens moet het in het koppeken alles in orde zijn luchtwegen, maar ook een stel hersenen om zich juist te oriënteren, los te kunnen maken van de "klad" of massa andere duiven. Véél maar echt héél veel valt en staat met het africhten / opleren van de duiven.

Goeie duiven stammen af van goeie duiven, is het nu in eerste, tweede of verdere generatie.Velen hebben toch een goeie duiver waar ze blijkbaar geen enkel goeie afstamming van krijgen.Die goeie duiver is echter maar de helft van een koppel. Hoeveel liefhebbers weten echter wat hun duivinnen waard zijn? Als je duivers en duivinnen speelt en je houdt alleen de allerbeste over om te kweken dan zal je na enkele jaren een dunbevolkt maar beresterk kweekhok overhouden.Zaak is om eerst van beide geslachten een superduif in uw bezit te hebben. Ik ben ook nog op zoek.