Zoeken

Om en bij de winterkweek - deel IV

Evolutie of revolutie in de kweek? Revolutie en evolutie komen in betekenis bijna op hetzelfde neer. Allebei betekenen ze wijziging. Wij zeggen: komen "bijna" op hetzelfde neer. Dus is er verschil.

Een revolutie is een plotse en grondige wijziging. Het duurt gewoonlijk een tijd eer het er van komt, maar dan is de wijziging bijna altijd doorslaand, grondig, de moeite waard om over te praten. Ik zal er nog bijvoegen dat ze dikwijls met grote smart gepaard gaat. Welke smart en ellende, die van het ogenblik zelf of deze van later, de grootste en de pijnlijkste is, komt hier niet ter sprake. Want het is evolutie, dat we vandaag gaan behandelen.

Alles kent zijn evolutie, alles evolueert, het gebeurt zonder ophouden en er komt geen einde aan. De wereld, van zijn ontstaan af, evolueert en we weten niet waar we aan toe zijn, waar we zullen uitkomen. Die uitkomst is nog een groter mysterie dan de kwestie van het ontstaan van de wereld. Panta rhei: alles vloeit, alles verandert, alles?...dus ook de duif. Nu zijn we waar we wensten te zijn.

Wie eraan twijfelt en jaren doende is met duiven, moet maar eens achterom kijken, in zijn memorie gaan putten en zichzelf afvragen met welke duiven hij begonnen is en hoe die er uitzagen, welke type van duiven in die tijd zijn hokken bevolkten. Het is dikwijls prettig om lezen wat reporters schrijven over het type van duiven, dat de tenoren in de beginjaren van de duivensport in ons land, op hun hok bezaten.

Het ware blauwe die A. had. Neen, pardon, hij had meest geschelpte, want hij haalde bij B. een duivin en die had die kleur en iedereen weet dat uit die koppeling zulke kleur ontstaan is, die op het hok van A. de hoofdkleur was. Dat is over de kleur... Begint men te zoeken naar het model, dan had Wegge (om het maar bij die te houden) grote duiven volgens de ene reporter. Nummer twee komt dan vertellen dat hij bij C. echte Weggeduiven gezien had en die waren eerder aan de middelmatige kant.

Er zijn boeken verschenen over de oogkleur van de duiven bij de pioniers in onze vaderlandse duivengeschiedenis en dan moeten we geloven (ze vertellen het ons met een serieus gezicht) dat alle duiven op elk bepaald hok dezelfde oogkleur hadden. We zullen ons in die discussie niet mengen. Panta rhei: alles vloeit, alles wijzigt, alles evolueert en de eerste hokken konden aan die regel ook niet ontsnappen. Niemand begon met duiven en kreeg nooit één pluim bij van een ander hok! Allemaal dezelfde duiven vermits er nooit iets anders kon bijkomen van pluim, van grootte, van oogkleur en van model?!

Wij weten dat tot nog toe niemand dergelijk mirakel kon verwezenlijken en dat de meest ingeteelde stammen, ook de huidige nog, weigerig stonden om vreemd bloed binnen te loodsen. Men stond er weigerig tegenover wil zeggen: men weigerde niet maar men was uiterst streng bij de selectie van het materiaal waarmee men wilde kruisen. En ook dààr, wil men enkele jaren achteruit gaan, zal men moeten bekennen dat er verandering gekomen is. Het kan bezwaarlijk anders...

Selecteren heeft men altijd gedaan en doet men nog en zal men blijven doen. Men zal altijd de prijswinnaars de voorkeur geven op de duiven, die geen prijzen kunnen winnen. Een prijswinnaar is anders dan een duif, die geen prijswinnaar is. Waren ze allebei gelijk, voor alles wat er bij prijs winnen te pas kan komen, dan zouden ze allebei prijs winnen of geen van beide zou het kunnen. Een prijswinnaar is anders. Dat staat vast. Dat anders zijn betekent, dat hij iets heeft dat prijzen doet winnen en dat de andere duif niet heeft... of dat hij iets niet heeft, dat de andere duif belet prijs te winnen. Kweekt men uit die prijswinnaars, dan heeft men een grotere kans (wij zeggen niet: alle kans) om ook prijswinnaars in de schotel te krijgen. Die zullen dan niet te veel van de ouderduiven afwijken. Misschien nog verder afwijken van de niet-winnaars en dus naar een volmaakter type overgaan.

De hokken zijn verbeterd, het voer is op wetenschappelijke basis gemengd, de spelmethodes zijn geperfectioneerd, de duivensport van nu verschilt grondig van de duivensport van vroeger. Ze is geëvolueerd en dat heeft zijn weerslag op de duif gehad, zo goed als de onophoudelijk doorgevoerde selectie.

Wat is het tastbare resultaat?

De tempovliegers hebben de baan moeten ruimen. Wie eertijds Bordeaux speelde en hoorde vertellen dat de eerste vogels op zaterdagavond geklokt waren, die had nog de heimelijke hoop ’s zondags vòòr de Hoogmis zijn duif te klokken en nog centen te rapen. Dat behoort tot het verleden. U hoort dat iemand geklokt heeft, zie dat u binnen het uur ook kunt klokken of u krijgt enkel nog wat kruimels. Waar of niet?... Men zegt dat de eersteprijsvliegers van vroeger zo snel vlogen als die van nu, maar...de prijskampen duurden langer omdat de doorsneeduif van toen niet zo goed was als de doorsneeduif van nu. Wij moeten dat eerder ook verteld hebben. Mea culpa. Wij zijn van mening veranderd. Er waren vroeger ook goede duiven, daar valt niet aan te twijfelen. Maar, wij geloven ernstig, zonder voorbehoud, dat de beste van nu toch een haartje beter zijn dan de beste van toen.

We zijn geëvolueerd. Er is iets, er is veel veranderd. Hoe zagen die tempovliegers van vroeger er uit?... Labeurpaarden, bij manier van spreken. U had iets in uw hand. De heer Vanderschelden vertelt het ons in zijn “Revue Colombophile”.

Wij vertalen:
“Er was een tijd dat men zware, sterk ontwikkelde duiven zocht omdat men meende dat de kwaliteit op het gebied van de sport te zoeken was bij de fysieke kracht. Dit bracht de mensen des te gemakkelijker in de war, omdat deze duiven het haalden op de kleinere duiven met korte vleugels. Dit heeft niet lang geduurd, tot hier en daar duiven kwamen opdagen die lichter waren en lange kwaliteitsvleugels hadden.”

Wij moeten opmerken dat wij naar Adegem gingen, naar een oom, om de duiven van Bordeaux te zien aankomen. Onze oom heeft twee gereputeerde fondvliegers gehad. De “Genopte” was een reiger, lang van hals en poten, met lange vleugels. Hij won geen enkele prijs onder Orléans. De “Witpen” was kleiner met korte vleugels, won nooit behalve op Bordeaux. De twee vogels waren tempovliegers en het waren zware duiven. Iemand wees er ons onlangs op, dat er nu op tien duiven van klasse er zeker negen zijn, die de naam klein dragen: de Kleine Rode, de Kleine Blauwe, de Kleine Vale, enz... Volgens een Brusselse kronijker zouden de duiven evolueren naar klein, om klassevogels te kunnen zijn. Ik ben akkoord om te getuigen dat kwestie vleugel veel vooruitgang geboekt is. Zelfs bij melkers die nooit van de vleugeltheorie een jota gelezen of een woord gehoord hebben, verdwijnen door selectie van de mand bijna alle duiven die bajonetpunten hebben aan de toppen van de pennen. De toppen van de slagpennen evolueren naar rond. Maar, beweren dat de duiven om tot de eliteklasse te behoren, moeten evolueren naar klein, middelmatig of er onder, dat is wat te straf. Naar onze bescheiden mening evolueert de duif naar lichter, naar lichter in verhouding tot de gestalte. Van twee duiven van gelijk model, groot, middelmatig of klein, zal men in de meeste gevallen de lichtste in de hand als de beste aanduiden. Wij spreken van twee duiven van gelijke sportieve waarde. Dat grote duiven over het algemeen een neiging vertonen van dieper te zijn dan de kleine, heeft voor gevolg dat ze daardoor ook zwaarder gaan wegen. Wie echter op niet diep selecteert, wél op rond (niet plat) zal onder de grote ook duiven vinden, die proportioneel lichter wegen dan de diepe of de ‘diepe op het randje af’. En dan zullen die zo goed zijn als de kleine. Groot of middelmatig of klein doet niets terzake. Ze moeten proportioneel gebouwd zijn en dan komt dit in aanmerking voor gestalte, vleugellengte en bijzonder voor het gewicht. Door de selectie van de mand gaan we naar de steeds betere duif. We gaan naar een duif die, qua gewicht, minder is dan de tempovlieger. Maar of we naar de kleine duif gaan, geloven wij niet.

Wij hebben al meer dan eens geweten dat hokken, waar de duiven steeds kleiner worden, over betrekkelijke successen mogen spreken. Het duurt niet lang, het breekt plots, men heeft te lang en te veel aan inteelt gedaan of gekweekt uit kleine duiven, die het goed deden en daarom werden aanzien als het geijkte model. Men ging naar klein kweken...

Maurits Vandevelde, al jarenlang gewaardeerd als een fijne melker, waarschuwde ons voor de kleine duiven: “Ze zijn zo goed als de middelmatige en de grote, maar opgepast als men steeds naar kleiner gaat. Aan de maat hecht ik geen waarde. Ik kijk naar de proportie in de bouw, in het model en ik hecht veel belang aan het gewicht naar verhouding.”

Wij komen op hokken waar grote en middelmatige en kleine goede duiven zitten, maar wij koppelen nooit klein aan klein. Wij proberen de kerk in het midden te houden. Vandevelde is een goed leermeester, die goed speelt, jarenlang, en hij heeft er in alle maten, die het best doen op alle afstanden. Hij waarschuwt voor de kleine duiven. Wij doen het hem na.