Zoeken

Om en bij de winterkweek - deel III

Toen kwam het weduwschap op de proppen... Sinds het weduwschap op de proppen kwam, is er betreffende spelsysteem niet zoveel veranderd, wat nog niet betekent dat aan het weduwschapspel zelf niet werd geschaafd en gevijld.

De varianten hierop zijn geen geheim meer; de draagwijdte ervan kan moeilijk bepaald worden, vermits de meningen over het effectieve of doelmatige, bijlange niet parallel lopen. Om maar één voorbeeld te geven: zweert de een nog altijd bij het oorspronkelijke van eieren na jongen, dan houdt een andere het mordicus bij: alleen broeden. Het gaat er hier echter niet om, uit te kiemen wat in dit verband goed of best is, al weze terloops gezegd dat met beide methoden goede en slechte resultaten geboekt en nog zullen geboekt worden. Dit bewijst nogmaals dat daar waar met duiven wordt gespeeld, andere vereisten om de hoek komen loeren. Waar het wel om gaat, is onze mening te staven dat na de vinding van het weduwschap geen doorslaande nieuwigheid meer boven water kwam. We raden wellicht juist wanneer we zeggen dat daarmee niet iedereen akkoord zal gaan, en om maar iets te noemen, denken we aan de vroegtijdige kweek of de zogenaamde winterkweek welke inderdaad op een kentering wijst. Op het eerste zicht moet dit geen gemeens hebben met voormelde ondertitel, of zijn de meeste of alleszins heel wat liefhebbers nog niet de mening toegedaan, dat de op vele hokken toegepaste buitenseizoen kweekmethode alleen met het jongenspel te maken heeft? Dat is zeker niet het geval. Er is geen schatting van te maken hoeveel sportgenoten de dag van vandaag aan winterkweek doen, al zou een statistiek over het afhalen van ringen in januari ons tenminste approximatieve getallen kunnen bezorgen. Doch waar deze statistieken alsnog ontbreken, sluit dit niet uit dat wie oren en ogen gebruikt, ervaren moet dat deze nieuwigheid inslag heeft gekregen en jaarlijks nog steeds meer aanhangers telt.

Is vroegtijdige kweek verantwoord?

Het antwoord dient noodzakelijk in twee gesplitst te worden omdat, enkelvoudig gesteld, de vraag onvolledig is. Niet alle liefhebbers beogen hetzelfde doel. Terwijl de een begin december of nog vroeger koppelt -waar de conservatieven dan nog niet eens gescheiden hebben- denkt de ander aan de piepers welke rond nieuwjaar of kort erna een ring krijgen aangestoken. Men denkt ook nog aan wat anders: de vroege paring welke niet alleen rijpe jongen oplevert in vliegtijd, doch ook de ouders die het beter of minstens zo goed zullen doen dan de in februari of zelfs maart gekoppelde.

We veronderstellen en wellicht terecht dat de meerderheid nog alleen het eerste beoogt of tenminste als hoofdschotel beschouwt en we veronderstellen ook dat het tweede, wat hun volhouden om het oude duivenspel betreft, dit een gevolg is geweest van meeval op dat terrein. Men zou het haast kunnen vergelijken aan het gezegde, dat nochtans een tegenstelling bedoelt: twee hazen tegelijkertijd najagen. Waar deze spreuk dubbel mis moet betekenen is hier het resultaat wel anders: de jager jaagt een langoor, een tweede komt onder schot, en beide gaan de weitas in. De vergelijking mag er als bijgesleurd worden beschouwd, doch vermoedelijk is het toch vooral bij de eerste beoefenaars van vroege kweek zo verlopen: vroeg kweken om de vroege jongen en de oude duiven worden er niet slechter door. Deze van het eerste uur -al vele jaren geleden en het is niet moeilijk namen te noemen- schijnen het pleit te zullen winnen. Hun prestaties liggen nog te vers in het geheugen, dan dat men ze zo maar over het hoofd kan zien omdat feiten nu eenmaal feiten zijn, al moet te allen tijde met bepaalde omstandigheden rekening gehouden worden. In onderhavige omstandigheden hoort thuis, dat de gemakkelijk te noemen liefhebbers inderdaad liefhebbers waren of gelijk men deze in de melkersmond betitelt: stielmannen! Hun resultaten hebben het bewijs geleverd dat het best kan met vroege kweek. Daar tegenover staat, dunkt ons, dat de eerste de beste duivenpiet het niet kan, of toch niet op die manier en met dat succes. We moeten inderdaad aannemen dat deze methode niet alleen kennis en ervaring vergt, doch dat ook de middelen voorhanden moeten zijn welke deze tegennatuurlijke praktijk vereist. Het is maar juist dat falen evengoed tot de mogelijkheden behoort. Desbetreffende mag het weduwschapspel nog eens in herinnering gebracht worden.


Een weduwnaar die aan vroege kweek deed, wordt hierdoor niet slechter

In het begin waren ook hier de mislukkingen legio en terug bij elkaar zetten van de geslachten was bijna een geijkte formule geworden. Nu gebeurt dit nog, doch in heel wat mindere mate en dan nog slechts ten gevolge van ontbrekende conditie, terwijl bij de eerste toepassing, veel jaren geleden, men het nieuwe spel niet onder de knie had. De aanhangers, of liever de ‘probeerders’ vonden het te moeilijk, wat later en nu nog meer blijkt dit zeker niet waar te zijn. Zal het met de winterkweek ook zo verlopen? Een vraag welke mag gesteld worden en welke in de toekomst misschien zal beantwoord worden. Dat de draak gestoken wordt met deze, die menen de kleine man te moeten waarschuwen voor het tegennatuurlijke van de winterkweek, bewijst niet. We veroordelen evenmin vroege kweek; het is al zo dikwijls anders verlopen dan men redelijkerwijze verwachten kon. Zij die menen te kunnen wat anderen kunnen, zal men niets ten laste mogen leggen. Het gezegde dat het succes voor de durvers is, maakt de cijfers niet kleiner van het getal mislukkingen. Omdat in alles het geluk een woordje meespreekt en alle oompjes in Amerika niet rijk worden, zo zal ook niet voor iedereen succes zijn weggelegd bij vroege kweek, hoe voorspoedig deze kweekmethode ook moge evolueren. We herhalen wat bijna algemeen geweten is: De liefhebbers, die naam maakten om hun wekelijks goed tot uitmuntend spel, zijn beslist aan winterkweek niet ten onder gegaan. Als we, trots deze lichtende voorbeelden toch niet durven aanraden onverwijld de handschoen op te nemen, dan behoeft dit volstrekt niet als klinkende munt aanvaard te worden omdat we de mogelijkheid van meeval niet uitsluiten. We willen de moeilijkheden die eraan vastzitten toch niet ontkennen en naar onze bescheiden mening kunnen die niet door iedereen overbrugd worden. Denk er maar aan dat niet alle winters met lentetemperatuur over de hokken scheren. Het is nooit uitgesloten dat we begin december 10 à 15 graden onder nul krijgen en dat geeft op een hok, waar de installatie niet konsekwent kan aangepast worden, niet alleen ijskegels maar ook piepers die ellendige schreeuwers worden. Dat de oudjes aan de kweek in zulke omstandigheden niet zullen tenonder gaan is best mogelijk maar ze zouden er, zelfs na een perfecte rui, toch hun goede conditie kunnen bij inschieten met als gevolg een weerbarstige forme tijdens het vliegseizoen.