Zoeken

Om en bij de winterkweek - deel II

Vermenigvuldigingscyclus: de liefhebbers die de normale ontwikkelingsfysiologie van de duif niet kennen, zullen abnormaliteiten en afwijkingen van het basispatroon minder vlug onderkennen dan de volleerde duivenmelker.

Daarom wordt de normale vermenigvuldigingscyclus van de duif bondig doch duidelijk onder de loep genomen. Wat was er nu eigenlijk eerst op deze wereld, de duivin of het ei? We kunnen best beginnen door het ei in de duivin te beschrijven. Vijf dagen na het koppelen ontwikkelen zich 2 eifollikels op de eierstok. Deze groeien zeer snel, de ene iets vlugger dan de andere, tot ze werkelijk op de eierstok gaan uitpuilen. Op dit ogenblik wordt door het koppel een zeer primitief nest gebouwd. Ongeveer 44 uur voor de leg van het eerste ei, scheurt het beschermende vlies van de sterk uitpuilende eifollikel open en deze komt aldus in de eileider terecht. Dit is de eisprong of ovulatie. De tweede eisprong geschiedt 40 tot 44 uur later. De eerste eisprong gebeurt om 22 uur omdat dan een periode van 10 uur nachtrust volgt en het eitje aldus niet accidenteel kan beschadigd worden tijdens een vechtpartij of iets in die aard. De bevruchting van de kiemschijf heeft plaats de eerste 20 uur na de eisprong, zeer diep in de eileider tegen de eierstok.

Theoretisch is het sperma van de duiven 2 weken levenskrachtig in de geslachtswegen van de duivin, maar in de praktijk is het zo dat de duiver die de duivin het laatst trapt ook de genetische vader zal zijn. Maar om werkelijk zeker te zijn betreffende het vaderschap zou een duivin twee volle weken van elk mannelijk individu moeten gescheiden blijven. Het sperma dat 3 tot 4 dagen door een mogelijke voorlaatste partner werd gedeponeerd in de eileider wordt in die 3 tot 4 dagen zo sterk verdund en verliest zo veel aan levenskracht dat het praktisch niet kan concurreren met het sperma van de laatste partner. Maar de uitzonderingen bevestigen de regel en soms wordt de nestpartner “bedrogen” door een duiver van hetzelfde hok.

De bevruchting geschiedt minimum 24 uur voor de leg van het ei. Onmiddellijk na de bevruchting begint de ontwikkeling van de kiemschijf, nog voor er een schaal aanwezig is. Dit speelt zich dus af de nacht en de dag volgend op de eisprong. Door speciale eileiderbewegingen wordt de eicel door de relatief lange geslachtsweg gedreven. Gedurende deze reis door de eileider gebeuren drie zaken in een welbepaalde chronologische volgorde. In het magnum of eerste deel van de eileider wordt rondom de dooier eiwit afgezet. De hagelsnoeren, een speciale eiwitstructuur houden de dooier en de kiemschijf mooi in het midden van het ei. Het losse eiwit of albumine dient als reservevoedsel voor het embryo. Verder in de istmus worden drie perkamentachtige vliezen rond de eiwitmantel gevormd. Deze dienen om het geheel te beschermen. In de uterus wordt door de schaalklier kalk neergeslagen welke de schaal vormt. Op dit ogenblik is de eileider 50 maal groter dan in rusttoestand. Het volledige ei verblijft nu nog 24 uur in de uterus. Onder invloed van het hypofysehormoon ocytocine wordt het tussen 16 en 18 uur uitgescheiden op het primitieve nest. Dit eerste ei mag feitelijk niet bebroed worden om de ontwikkeling van het embryo niet te laten doorgaan. Vierenveertig uur later in de vroege namiddag wordt het tweede ei uitgescheiden en beginnen de beide partners 17 tot 18 dagen te broeden. De duiver gaat enkel ’s namiddags op het nest, de duivin van de vroege avond tot de daarop volgende middag.

Een pas gelegd ei heeft al een hersenaanleg; op het einde van de tweede broeddag slaat het hart al en vanaf de twaalfde dag kan het geslacht worden onderscheiden. De 17e dag na de leg van het tweede ei, komen beide jongen gelijktijdig uit het ei gekropen. Aangezien er een verschil is van 44 uur tussen de leg van beide eieren, wordt het eerste ei dus niet bebroed de eerste 44 uur. Om ongelukken te vermijden worden gepikte eieren de zeventiende broeddag best niet meer in de hand genomen. De krakgeluiden, die men soms kan horen, worden veroorzaakt door de klopbewegingen van het jonge duifje met de eitand op de bovensnavel tegen de schaalwand. Het breedste deel van het gepikte ei, dus de kant van de luchtkamer, wordt met de schoudergordel opengewrongen en zodra dit gebeurd is, kan het jonge duifje de hals strekken. Het blijft nu rusten in de resterende schaal tot de bloedvaten van de dooierzak loskomen van de schaalwand. Het resterende dooierzakje wordt tenslotte via de navelopening in de buikholte opgenomen. Dit dienst als reservevoedsel voor de eerste uren.

In onze vogelwereld is er geen enkele soort aanwezig welke de jongen grootbrengt zoals de duiven. De vorming van kropmelk geschiedt onder invloed van het hormoon prolaktine. Het is een crèmeachtige substantie welke veel gelijkenis vertoont met gestremde melk. De vorming van duivenmelk in de kropwand is een echt klierproces. Vanaf de achtste broeddag treden veranderingen op in de kropwand. Er is een sterke ingroei van voedende bloedvaatjes en de cellen uit de groeizone beginnen fel te vermenigvuldigen. De twaalfde dag is de kropwand maximaal ontwikkeld. De voedende laag wordt verder en verder geduwd door de eronder liggende bloedvatrijke groeizone en de nieuwe cellen. De afgeduwde cellen sterven af. Ze komen los van de kropwand en vullen de kropholte volledig op. Deze vetrijke afgestorven cellen uit de kropwand vormen de duivenmelk. Duivenmelk bevat per 100 delen: 70 water, 18 eiwit, 9 vet, 2 mineralen en 1 suiker en andere stoffen. Zodra het pas uitgekipte jong opgedroogd is en het halsje genoeg kracht heeft zich even te strekken, is dit voor de voedsterduif een subtiel teken om het pas uitgepikte jong een eerste aasbeurt te geven.

Het bekje van het jong wordt zodanig in de voedende bek genomen dat het jong zeer veel van de opgerispte melk in een minimum van tijd kan opzuigen. Het kropje staat dan werkelijk gespannen. Zowel de duiver als de duivin vormt die kropmelk, het lijkt ons alledaags en toch is het een grote uitzondering in de enorme vogelwereld. Vanaf de 4e dag worden zeer fijne graantjes afgeaasd en vanaf de 12e dag wordt geen kropmelk meer gevormd en wordt enkel geweekt graan afgeaasd. Hoe langer er geaasd wordt hoe sterker de jongen groeien. Een jong eet de eerste dagen dagelijks zijn eigen gewicht aan voedsel en de eerste 48 uur verdubbelen ze in gewicht. De jongen moeten rustig in de nestschotel liggen, onrust duidt op voedselgebrek of ziekte en is allesbehalve een teken van supervitaliteit...dus geen toekomstige crack. Tussen de 20 en 25 dagen worden de jongen gespeend, dit naargelang het seizoen en het weer. Persoonlijk verkiezen we jongen zo vroeg als mogelijk te spenen. De jongen staan dan na een paar dagen veel zelfstandiger voor de eetbak en drinkpot. Vroeg geleerd is oud gedaan, ook bij de sportduif!