Zoeken

Lappen en opleren - Deel I

Dat de meningen over ‘lappen en opleren’ van de ene liefhebber tot de andere nogal ver uiteenlopen, heeft ieder van ons als meermaals gehoord of gelezen.

Omdat ikzelf naar mijn mening te weinig ondervinding heb om terzake stelling te kiezen, heb ik mijn documentatie maar eens geraadpleegd. In het boekje ‘Word keurder op eigen hok’ van wijlen Raymond Van Steenberghe kan men hierover het volgende lezen:

“Vele jaren geleden las ik in een lovende reportage over Fons Vijvermans, Muizen dat deze kampioen zijn jonge duiven recht naar Quievrain meegaf zonder enige voorafgaandelijke lap- of opleervlucht. Een tijd later las ik dat Jef Carlens zijn duiven met de auto ineens tot op ongeveer 100 km. bracht en dat zij daarna ingekorfd werden voor een vlucht van 200 à 300 km.

In plaats van naar de pen te grijpen om die zaken in twijfel te trekken, ben ik sporadisch begonnen met mijn duiven eveneens op dergelijke wijze op te leren. Ik begon met een derde van mijn jonge duiven en met deze die ik volgens mijn mening het best missen kon. Mijn bevindingen waren van dien aard dat ik sinds 1974 geen enkele duif meer heb meegegeven met de opleervluchten van onze maatschappij en mijn duiven sindsdien voor het eerst in de mand kwamen met bestemming Quievrain. Het zelf wegbrengen (lappen) heb ik al meer dan 20 jaar afgeschaft.

Wat nu het plezier aan dat lappen betreft zoals enkele liefhebbers het voorstellen, kan dit inderdaad wel zeer gezellig zijn. Ik ken een liefhebber die jaren een der sterkste vitesse- en halve fondspelers was van de provincie Antwerpen. Hij was tevens een voorstander van veelvuldige lappen. Sinds enkele jaren is die grote kampioen echter gaan plaats vatten bij de gewone spelers. Indien de oorzaak van dit minder goed spel in het minder of helemaal niet lappen moest te zoeken zijn, dan zou die man daar geen jaren laten overheen gaan, want dan was hij al lang met zijn lappen herbegonnen.

Wanneer het nu bewezen is, dat liefhebbers zonder lappen en zonder opleren op kleine afstanden, eveneens in kampioenenstijl spelen, hoe wil men dan het nut van het veelvuldig lappen en opleren bewijzen? Indien het niet noodzakelijk is om duiven te lappen en veelvuldig op te leren, kan men zich heel wat moeite en geld besparen. De benzine is duur en het opleergeld met de maatschappij eveneens. Wij willen het er dan nog niet over hebben, hoeveel jonge duiven ziek worden door teveel in de korf te verblijven bij zieke duiven op de kleine afstandsvluchten. Eens dat het Quievrain is, zijn die ziekteverspreiders al voor het merendeel verdwenen. Of hoe kan men het anders uitleggen waarom er ieder jaar zo enorm veel duiven sneuvelen of achterblijven bij de korte opleervluchten met de maatschappij.

Wij weten thans bij ondervinding op eigen hok plus op deze van onze vrienden, dat de verliezen zeer klein zijn wanneer men ineens inkorft voor ongeveer 100 km. Enkele van onze navolgelingen hebben er al 50 km. bijgedaan met hetzelfde resultaat. De voornaamste voorwaarde is, dat zij drie maanden oud zijn, nog niet aan het paren en kerngezond zijn.

Maar er is nog een ander aspect dat mij aan het nut van het lappen doet twijfelen. Ieder jaar hoor ik hetzelfde liedje. Liefhebber A is er zoveel kwijt bij het lappen op 5 km. van huis en liefhebber B zoveel. Enkele jaren geleden heeft een zeer gekende liefhebber uit het Limburgse enkele slapeloze nachten doorgebracht, omdat een oude duivin die het jaar voordien de 1e prijs nationaal gewonnen had uit St.Vincent, na een lappartij op 5 km. van het hok, drie dagen nodig had om huiswaarts te keren. Of die man er nu een andere mening op nahoudt, weet ik niet, want de overtuiging dat niet alleen jonge duiven doch ook oude ieder jaar opnieuw geleerd moeten worden, zit er bij veel oudere liefhebbers zo vast in, dat men ze onmogelijk van mening kan doen veranderen.

Dat jonge duiven geleerd moeten worden is logisch. De vraag is echter hoe? Wanneer wij onze jonge duiven recht naar Quievrain geven, is dit eveneens om hun te leren naar huis komen. Dat zij de tweede maal op dezelfde plaats gelost, al veel vlotter thuiskomen, wijst erop dat zij bijgeleerd hebben. Ik vraag mij echter altijd af hoe het komt dat vitessekampioenen die al meer dan 50 Quievrains vlogen op sommige vluchten uren te laat komen, om de volgende vlucht weer op kop aan te landen. Hadden zij dan op die bepaalde vlucht hun opgedane routekennis niet bij zich?

Een ander voorbeeld dat ik al meermaals gehoord heb: een jonge duif, die voordien nog nooit in een mand gezeten had, wordt bij vergissing in de mand gestopt voor ongeveer 100 km. en komt als eerste of bij de eersten thuis.

In 1939 speelde ik samen met mijn schoonvader wijlen Frans Op de Heyde te Waarloos. Een jonge duif waarvan hij mij verzekerde dat zij Quievrain gevlogen had, werd ingekorfd voor Compiègne te Rumst. Zij vloog de 36e prijs van 580 duiven. Een week later vloog diezelfde duif, die door mijn schoonvader de naam ‘Clottier’ gekregen had de 1e prijs uit Quievrain op een regionale vlucht te Reet en een week later won zij de 6e prijs op een regionaal uit Noyon te Waarloos. Enkele weken later verklapte nonkel Jef mij, dat ‘Clottier’ nooit een mand gezien had voordat zij meeging naar Compiègne. Wie mijn schoonvader, de kleermaker van Waarloos gekend heeft, zal zich daar niet over verwonderen. Maar ook van hem heb ik veel geleerd.”

Als we hierbij weten dat Raymond Van Steenberghe twee jaar achter elkaar de ereprijs uit München (605 km.) won met jonge duiven, in 1972 internationaal en in ’73 in de Antwerpse Fondclub, en dit met jongen die voordien enkel Merchtem (20 km.), Quievrain (90 km.), Noyon (190 km.) en Corbeil (320 km.) vlogen, dan moeten we toch sportief toegeven dat hij recht van spreken heeft. Vanaf 1974 heeft hij Merchtem en Noyon achterwege gelaten en deden zijn duiven, zowel oude als jonge, nog slechts tweemaal Quievrain om nadien ingezet te worden op vluchten van 320 à 340 km. Moest Raymond daar enig nadeel van ondervonden hebben dan zou hij met dit systeem zeker niet verder gegaan zijn.