Zoeken

Hoe geven we de najaarsjongen van nu... volgend seizoen alle kansen als jaarling? - deel II

Het minste dat we van een jaarse duif kunnen zeggen is, dat zij een eigenaardige vliegduif is. Een beginneling-duivenliefhebber die het jaar voordien sterk presteerde met de jongen, is vaak de mening toegedaan dat zijn duiven, die nu jaarlingen zijn, die mooie uitslagen zeker gaan herhalen.

Hoe gedraagt een jaarduif zich?

Niets is echter minder waar en vaak is dan ook zijn verbazing over het falen van zijn duiven erg groot. Meer nog, hij loopt een desillusie op. We kennen genoeg jonge duiven die eerste prijzen wonnen op Dourdan en vroege prijzen op Bourges en Argenton toe, maar er als jaarling niets van terecht brachten. De onwetende liefhebber blijft ze dan maar verder spelen tot ze uiteindelijk wegblijven. De duivenliefhebber denkt dat ze ziek of versleten zijn, meestal is daar niets van! Andere melkers denken dan weer dat hun duiven de ondervinding die ze als jonge opdeden totaal kwijt zijn, en leren ze terug op als ware het een jonge duif. Rats verkeerd! Zodoende komen ze nog maar eens veel te veel in de mand en het is juist dat, dat we moeten vermijden. Bovendien neemt de kans ziekten op te doen aanzienlijk toe. Het beste bewijs daarvan is, dat na een jaar van rust deze jaarlingen als tweejaarse duiven soms wonderen verrichten.

Een verklaring voor dit gedrag?

Wel, het hangt van kleine dingen af en het is de melker die maar al te dikwijls vergeet dat een jaarduif nog een jonge duif is en hij er zoveel niet mag van verwachten als van een oude. Indien men van een klasrijke jaarduif een toekomstige kampioenduif op de halve fond of fond tracht te maken, dan dient men ze maar eerst te spelen als men begint met de jongen. Het is duidelijk dat men ze dan ook zeker niet op weduwschap speelt. Wijlen dokter Bricoux, een monument in de Belgische duivensport, deed talloze proeven met jaarse duiven en werd, gezien de uitslagen, een fervente tegenstander van het weduwschapspel met jaarlingen. Recenter noemen we die andere grootheid, André Vanbruaene uit Lauwe, die zijn jaarlingen nog steeds op nest speelde.

We weten het maar al te goed, een jaarling op weduwschap kan alles, zelfs de oude kloppen. Maar daarna bestaat er een groot gevaar dat het er definitief mee gedaan is en dit na amper één seizoen. Het komt dus vaak voor dat liefhebbers, die de halve fond en zeker de fond ambiëren, het seizoen voor de jaarling beschouwen als een voortgezet leerproces voor die duif. Anderzijds zijn er streken waar de prijskampen voor jaarse duiven fel in trek zijn en waar het mogelijk is hiermee veel geld te winnen, zelfs met ze te dubbelen tegen de oude. Maar er zijn ook talloze kleine liefhebbers die menen dat ze werkelijk onbekwaam zijn om zich te meten met de kampioenen en de grote liefhebbers op de prijsvluchten voor oude duiven. Ze hebben geen keus, waar ze vroeger slechts over de jongen beschikten, kunnen ze nu ook de jaarlingen spelen. Is het u ook al opgevallen? Hoe meer de kleine liefhebber zijn jongen en jaarlingen speelt, des te spaarzamer de grote liefhebber of kampioen er op wordt!

Alvorens het te hebben over de verschillende wijzen waarop we de jaarlingen kunnen spelen, willen we eersteven nagaan of er geen systeem bestaat om ze met succes te spelen zonder echt hun toekomst in het gedrang te brengen. Naar we gelezen en gehoord hebben is dit zeer goed mogelijk op voorwaarde echter dat we ze niet op weduwschap spelen.

Wat men ook moge beweren, het nestspel gespeeld zoals het hoort, kan ook mooie resultaten opleveren zonder dat het de duif het minste nadeel berokkent. Omdat het hier in de bedoeling ligt van de duiven te sparen, noemen we het dan ook het “spaarzame spel”. Dit spelsysteem begint laat en eindigt vroeg! Om zodoende deze jaarlingen einde mei of begin juni te spelen is het nutteloos vroeg te koppelen, best is zo laat mogelijk. Voor vele liefhebbers betekent dat wellicht half februari of begin maart. Dat is té vroeg, véél té vroeg.

Indien men van zin is de jaarlingen als tweejaarse duiven volgend jaar op weduwschap te spelen, kan men nu ze gerust op hun toekomstig hok brengen en hen zonder duivin een nestbak laten uitzoeken. Slechts in de tweede helft van april en nog liever in mei worden ze pas in de strijd geworpen. Men koppelt ze aan een oude duivin die niet reist, gebeurlijk een kweekduivin, en worden opgeleerd op broeden tot 50 à 100 km. Liefst of nog meer, enkel bij helder weer. Daarna worden ze gestopt tot ze een graanetend jong hebben en gaan dan voor de eerste maal de mand in voor een Frankrijkvlucht. Bij de volgende inkorving, één week later, neemt men de dag voor de inkorving de duivin weg. Bij de derde keer toont men ze niet meer en men laat de duiver alleen bij zijn jong, terwijl de duivin er ’s nachts en gebeurlijk een deel van de morgen moet voor zorgen. Deze derde inkorving voor een duiver, die als jonge duif al gespeeld werd, mag er een zijn van om en bij de 300 km, b.v. Dourdan, Etampes en zelfs een Orléans.

Na twee Frankrijkvluchten en op allerbeste positie is tijdelijk weduwschap op een groot jong aan te raden, het jong alléén zal de duiver aanzetten snel huiswaarts te keren.
Om ons “spaarzaam spel” gestand te blijven, laten we de jonge duiver na deze drie prijskampen een hele poos rusten. Eerst wanneer hij terug een graanetend jong heeft, kan hij terug worden ingekorfd voor een reeks van drie prijskampen. Daarna laat men hem met rust en laat hen goed uitruien.

Dit systeem kan ook toegepast worden bij jaarse duivinnen, hoewel deze al op eieren kunnen gespeeld worden. Het klinkt allemaal wat raar, maar zij lopen minder kans dan de duivers om verspeeld te geraken. Zij kunnen ook op een groot jong gespeeld worden. Weduwschap op een groot jong is ook voor duivinnen best mogelijk en met succes.

Voordelen “spaarzaam spel”

Zoals we al zegden, dit systeem biedt de kans schone prijskampen te winnen en toch de duiven te sparen. Anderzijds geeft het aan de jaarling de kans meer ondervinding op te doen zonder veel gevaar van hem te verspelen nog te pijnigen. Een klasvolle duiver, die als jong werd gespeeld en als jaarling aan een 6-tal prijskampen deelneemt, kan uitgroeien tot een prima tweejaarse duif.

De fondliefhebbers weten maar al te goed, dat om met tweejaarse duivinnen succesrijk te spelen tegen de weduwnaars, men de vrouwtjes als jonge en jaarse duivin niet te fel moet vermoeien. Ten andere de kansen die men heeft in de dubbeling tegen de ouden zijn dan zeker niet te onderschatten. Jaarse duiven op nest zijn misschien minder nijdig dan op weduwschap, maar bieden heel wat meer zekerheid. Wij hebben op tal van hokken vastgesteld dat het uit den boze is maar onmiddellijk zijn jaarse duiven op weduwschap te spelen. Sommigen haalden wel puike resultaten maar waren als oude duif meestal al uitgeblust. Uitzonderingen zijn er altijd maar de kolonies die over een hok allerbeste oude duiven beschikken, zijn op een hand te tellen. Bekijk maar eens aandachtig de ringnummers op de nationale uitslagen!

Waarom en aan wie dit systeem aanraden?

Aan de kleine liefhebbers en zeker beginnelingen, omdat ze ervan zouden kunnen profiteren. Er zijn toch tal van liefhebbers die met hun duiven niet kunnen wedijveren tegen de oude van de zogenaamde specialisten en beroepsspelers, of niet soms? Wel, zij moeten zich toeleggen op het spel met de jonge en jaarse duiven. Trouwens voor hen is het geen kwestie van te weten wat wenselijk is, maar wél wat mogelijk is te doen.

Reacties

Nice topic
Frankly, I heard a lot about widowhood system, and also to the system ..Natural
The widowhood system is directly related to the age of the bird
It is a double-edged sword! Must Taatqna well is difficult and has Bray many accounts
But it gives amazing results

veryyy nice articls tanks for all