Zoeken

Het ontstaan van de Belgische postduif: van rotsduif naar postduif - deel I

In een tweedelig artikel gaan we terug naar de oorsprong van de moderne postduif zoals we die heden ten dage kennen. We starten bij de "Oude chinezen", vele eeuwen voor de christelijke jaartelling.

Een lezer - zelf geen duivenliefhebber, maar wel rasfokker in de dubbele betekenis: hij „zit" in de honden -, die een door mij geschreven artikel over sokpoten onder ogen gekregen had, vond het een opmerkelijke prestatie van die veelgesmade „duivenmelkers", dat zij, in een goede honderdvijftig jaar tijd, uit een blijkbaar zeer heterogeen mengelmoes van tamme duivenrassen, de prachtige hedendaagse postduif, met haar feilloos oriënteringsvermogen, hadden te  voorschijn getoverd. Hij wist uit ondervinding wat er in de fokkerij van kleine huisdieren zoal te koop is, welk een geduldwerk de selectie is en hoe pijnlijk de teleurstelling, een arbeid van jaren, waar een mens zich alles van voorgesteld had, te zien mislukken. Ik neem er mijn petje voor af - aldus deze vriendelijke hondenmijnheer.


De eerste duiventorens werden teruggevonden in het oude Egypte

Namens het legioen der vijfmaal honderdduizend, wil ik het compliment in dank aanvaarden. Die honderdvijftig jaar hebben er overigens slechts de laatste hand aan gelegd. Als overbrengster van berichten was de duif reeds bekend bij de oude Chinezen, vele eeuwen voor de Christelijke jaartelling. Zij was bekend  in India en bij alle volkeren van het Nabije Oosten, bij de Egyptenaren, de Perzen en de Joden.

Joseph en Maria brachten duiven, het geschenk der armen mede, bij de aanneming van Jesus, in de tempel van Jerusalem. De Bijbel gewaagt op vele  plaatsen van duiven, voor het eerst in het zondvloedverhaal. En reeds daar is de duif, met haar olijftakje, een gevleugelde bode. Het zeevarend volk der Phoeniciërs gebruikte, op zijn tochten door de Oude Wereldzee, duiven om tijdingen van voorspoed of onheil naar het vaderland te doen overbrengen. Aanvankelijk moet de taal van deze berichten hebben bestaan uit tevoren afgesproken tekens. Een witte duif was een vreugdevol teken, een zwarte duif daarentegen een teken van rouw. Later gebruikte men lapjes stof of papyrus, voorzien van tekens en letters, welke aan de poot werden bevestigd. Volgens de overlevering wist de Griekse athleet Taurósthenes zijn overwinning op de Olympische Spelen, in zijn geboorteplaats Aequina bekend te maken, door het loslaten ener duif. Het militaire belang der kleine, gevederde koeriers werd reeds ingezien door de Egyptenaren, de Perzen, Grieken en Romeinen, en vooral door de Turken.

Waardevolle diensten bewezen de duiven aan de Muzelmannen bij de belegering van hun steden door de Kruisvaarders. Onder de regering van sultan Noer-el-din-Mahmoed, die de Tweede Kruistocht verijdelde en zijn machtige belagers Konrad III van Duitsland en Lodewijk VII van Frankrijk versloeg (midden 12e eeuw) richtte men in de meest afgelegen gebieden van het Moslimse rijk duivenstations op, waar de vogels werden gefokt en afgericht voor het onderhouden van koeriersdiensten.

In het „Hollandsch Pluimveeblad", jaargang 1880, verscheen hierover een interessante bijdrage, waaraan ik in het hiernavolgende enkele passages ontleen.    Volgens een spreuk in de Koran zou reeds Koning Salomo vogels als boden hebben gebruikt, 'n Feit is dat in Egypte en het Nabije Oosten, tot in het land van Euphraat en Tigris, het postduivenwezen reeds tot ontwikkeling was gekomen, eer Egyptisch-Syrische machthebbers op de gedachte kwamen de  depechendienst door middel van duiven ambtelijk en deskundig te regelen en een vaste postduivendienst ten behoeve van de Staat in te richten.

Khalil-Daheri, die de stations der Egyptische paardenposten opsomt, heeft ook gegevens over de postduivenstations langs de grote heirbanen nagelaten. Volgens hem bestonden de volgende duivenvluchtlijnen en duivenposthalten: van Kahirah (Cairo) naar Alexandrië en van Cairo naar Damiate, elk met drie halten. Van Birah ging een dienst over de stations Khalat-el-Rum en Bahasma tot aan Kaisariech op Byzantijns gebied. Verder voerde een postduivenverbinding van Haieb (Aleppo) over Kabkah en Tadmor (Palmyra) naar Rutbah in de Syrische woestijn. Van Damascus voerde er een naar Tarabolas met vier halten, van Damascus een naar Baalbek (beroemd om zijn tempelruïnes) zonder halte en van Gazah een naar Karak, met drie halten.
In de opsomming dezer verbindingslijnen schijnen onnauwkeurigheden te zijn geslopen. Geheel en al ontbreekt de lijn van Cairo naar Opper-Egypte, terwijl wij uit andere bronnen weten dat van Assoean naar Cairo en vandaar tot aan de rivier de Euphraat een onafgebroken depechendienst door postduiven werd  onderhouden. Daarnaast verklaart Khalil-Daheri dat de afstand der verschillende duivenposthalten gewoonlijk zeven mijl bedroeg, wat echter niet te rijmen valt met de opgave als zou bv. de dienst tussen Damascus en Bagdad zijn onderhouden met behulp van slechts zes  pleisterplaatsen. Bedoeld is misschien  zeventig mijl. Van de inrichting dezer halten weten wij het volgende: Het duivenpoststation dat evenals de halten der postpaarden met de naam „berid" dat betekent „post" werd aangeduid, bestond uit een torenvormig gebouw, van welks plat dak de duiven werden losgelaten. Dit dak heette „mutar". De wachter, aan wie de verzorging der duiven was toevertrouwd, werd „mutair" genoemd. Bij de pleisterplaats behoorden, naar gelang van haar betekenis, een of meer grote duivenhokken, waarin zich de tot de halte behorende duiven bevonden. Verder waren er de nodige stallen voor de muildieren, waardoor het verkeer met de naastbijzijnde pleisterplaatsen, ter uitwisseling van de duiven, werd onderhouden. Behalve deze etappendienst, waar evenveel duiven aan te pas kwamen als er stations waren, bestond er nog een directe dienst tussen de hoofdstad en de provincieplaatsen. Wilde de sultan in Katviah een depeche aan zijn stadhouder te Damascus afzenden, dan was hij niet genoodzaakt van de eerste lijn (de boemeltrein) gebruik te maken. Er stonden hem ook duiven ter beschikking die regelrecht uit Damascus kwamen en het hele traject van Katviah naar Damascus in één ruk moesten afleggen. Deze duiven waren derhalve postduiven in de huidige betekenis, rasduiven die werden gefokt en geselecteerd tot het afleggen van trajecten over vele honderden kilometers. Op deze duiven heeft waarschijnlijk de term „hawadi" (snelduif), die de Arabische schrijvers gebruiken, betrekking. De duiven van de sultan werden door het afdrukken van een hete stempel op de washuid van de snavel, gemerkt. Merkwaardigerwijs koos men voor de depechendienst slechts duiven van azuurblauwe kleur. De op zeer dun papier geschreven staatsdepechen waren verzegeld. Zij werden in kokertjes van goudblik aan de poten bevestigd. Blijkens een opgave van Makrizi waren er in 1288 alleen op het station te Cairo, bijna tweeduizend postduiven voorhanden!

Voor iemand die daar liefhebberij in heeft, is de afstamming van onze hedendaagse postduif een der denkbaar meest fascinerende studie-objecten! Ten tijde van Darwin was men (met Cuvier) nog algemeen van oordeel dat de hoofdrassen, bv. de carriers, de kroppers, de pauwstaarten enz. van verschillende,  van oorsprong geschapen soorten zouden afstammen. Men stond echter in twijfel wat betreft de zg. kleurduiven: de kleursnippen, nonnen, helmduiven, zwaluwduiven, papen, monniken, porceleinduiven, goudvinden, schildduiven, enz., die in de eerste plaats in kleur van de in de natuur levende rotsduif (Columba livia) onderscheiden waren. Men had de ervaring dat al deze rassen zich (tamelijk) zuiver voortplantten. Maar hoewel rij van elkaar en van de rotsduiven zeer in  pluim, in grootte, in poten en snavel verschilden, evenals de veldvluchters, die overigens slechts weinig varieerden, stond men toch niet afwijzend tegenover het  denkbeeld van een gemeenschappelijke afstamming.

De variabiliteit, of, juister uitgedrukt, veelvormigheid, achtte men het gevolg van veranderde levensvoorwaarden. Bovendien nam men aan dat vele rassen  enigszins waren veranderd door kruising en dat sommige variëteiten, die slechts in de kleur verschilden, door kruising van verschillend gekleurde variëteiten, waren ontstaan. Darwin bestreed de opvattingen, die in Cuvier haar laatste, even militante als gezaghebbende verdediger hadden gevonden, met klem van argumenten. Hij achtte de diep ingrijpende veranderingen, die de hoofdrassen - kroppers, tuimelaars, enz. - hadden ondergaan, allerminst een bezwaar voor zijn stelling dat alle cultuurrassen zouden zijn ontstaan door spontane variatie van de Columba livia. Wat Darwin „erfelijke variaties" noemt, preciseert De Vries als mutaties, terwijl Lotsy de Mendelse bastaardering in de natuur als de oorzaak der variabiliteit beschouwt.

Charles Robert Darwin (Shrewsbury (Shropshire), 12 februari 1809 – Downe (Kent), 19 april 1882) was een Engels autodidact op het gebied van natuurlijke historie, biologie en geologie. Darwin ontleent zijn roem aan zijn theorie dat evolutie van soorten wordt gedreven door natuurlijke selectie. Het bestaan van evolutie werd  nog tijdens zijn leven binnen een groot deel van de wetenschappelijke gemeenschap geaccepteerd. De acceptatie van natuurlijke selectie als aandrijvend mechanisme liet langer op zich wachten, maar is tegenwoordig ook onomstreden.

Darwin kende zowel de mutaties als de kruisingsvariaties. Hij kende ook de twijfelachtige Lamarck'se factor der erfelijkheid van verworven eigenschappen. Maar Darwin kende Mendel niet en evenmin deed hij een poging het begrip „erfelijke variatie" te determineren. Hij achtte het klimaat, de algemene levensvoorwaarden enz. d.w.z. niet nauwkeurig aangeduide invloeden van buiten af aansprakelijk voor het optreden van alle optredende erfelijke veranderingen, onverschillig welke, doelmatig of ondoelmatig, waarop de richtende kracht van zijn „natural selection" kon aangrijpen. Bezien in het licht van Johannsen's studie van de zuivere lijnen, waardoor het duidelijk wordt dat aan de variatie en daarmee aan de selectie zekere grenzen zijn gesteld, begrijpen wij dat latere onderzoekers genoodzaakt  waren meer aandacht te besteden aan de verklaring der erfelijke variaties. De afstamming van onze moderne postduif i» een vraagstuk van evolutie, waarin  aanvankelijk (misschien!) alleen de mutaties en Darwin's richtinggevende factor hun rol hebben gespeeld. Op een later tijdstip heeft de mens ingegrepen, waarmee een nieuwe periode werd ingeluid, de periode van domestisering, bastaardering en niet meer „natural" doch „cultural selection". In deze tweede periode, welke uiteraard nog slechts enkele duizenden jaren omvat, hebben de mutaties veel minder te betekenen. Het is de soortkruising of bastaardering die de enorme veelvormigheid der tamme duivenrassen heeft teweeggebracht. Darwin kon dit moeilijk begrijpen. Hij kon weinig feiten vinden die deze leer steunen en geloof de er dan ook niet aan.

„Indien de hoofdrassen niet zijn ontstaan door variatie van deze of gene oorspronkelijke soort - schrijft Darwin ongeveer - moeten zij afstammen van verscheiden oorspronkelijke soorten. Doch geen kruising tussen zes of zeven (als stamouders in aanmerking komende) wilde duivensoorten, zou zozeer verschillende rassen als kroppers, carriers, meeuwtjes, tuimelaars, raadsheren enz. kunnen voortbrengen. Hoe zou kruising een kropper of een pauwstaart kunnen opleveren als de beide ouders de opvallende kenmerken dezer rassen niet bezaten? Sommige natuuronderzoekers (Pallas) geloven, dat kruising een sterke neiging tot variatie doet ontstaan, onafhankelijk van de van elk der beide ouders, geërfde kenmerken. Zij geloven dat men gemakkelijker een raadsheer of een tuimelaar kweekt  door kruising van twee verschillende soorten, die geen van beide de kenmerken van deze rassen vertonen, dan uit één enkele soort!"

Pallas bleef erbij dat hij mysterieuze werkingen toeschreef aan het kruisen. Soms zouden „goed uitgedrukte" rassen, door kruising zijn gevormd. Bijvoorbeeld: een valkenet zou kunnen ontstaan door kruising van een langsnavelige carrier met een of andere kortsnavelige duif.


De "Kropper" komt in verschillende kleurenvariaties voor, wit, Wit-bruin, zwart ...etc...


Akmanii tuimelaar

Als zeer bedreven vliegduiven die bijna neerstorten bij het landen, zo worden deze duiven beschreven. Ze komen uit Bulgarije maar hun naam duidt toch op een Turkse oorsprong. Ondanks hun robuuste bouw met strak aanliggende bevedering en een staart die 12 of meer staartpennen moet bevatten, wordt het ras in Bulgarije niet veel aangetroffen.

Hoe dit alles zij, kan hier buiten beschouwing blijven. De kwestie waar wij ons in eerste aanleg mee bezig houden is deze: Waar stammen de hoofdrassen der tamme duiven, waaruit in honderdvijftig jaar tijd (om juist te zijn, sinds 1789, het jaar der Franse revolutie), onze moderne postduif werd te voorschijn getoverd, van af?

Darwin geeft het antwoord. Van de rotsduif  (Columba livia). Van alle andere wilde soorten onderscheidt zij zich door haar leigrijze kleur met twee zwarte banden op de vleugels en haar witte stuit (croupion). Evenals de rotsduif leggen alle rassen tamme duiven twee eieren en broeden zij achttien a negentien dagen. Zij kunnen alle dezelfde grote verschillen in klimaat verdragen. Zij geven alle de voorkeur aan hetzelfde voedsel (granen en peulvruchten met naar „melkersbegrippen" groot watergehalte, groen en grond). Zij zijn alle verzot op zout. Zij maken de wijfjes alle op dezelfde wijze het hof en koeren alle met hetzelfde ronkende keelgeluid. Geen andere wilde duif dan de Columba livia laat een dergelijk geluid horen. Practisch al onze tamme duivenrassen zijn ontstaan uit kruisingen van rotsduivenvariëteiten, terwijl niet onwaarschijnlijk is dat andere wilde soorten haar „genenkapitaal" nog hebben vergroot.

De overtuiging dat de rotsduif, zonder veel moeite, is te temmen vindt steun bij oude schrijvers, die verklaren dat de „velt- of steenduif" de hokken van vele  Middeleeuwse kasteelheren bevolkte. Blyth deelt gevallen mede, dat wilde rotsduiven op afgelegen tillen kwamen en paarden met daar huizende tamme of halfverwilderde vogels. Wittouck schrijft van deze „velt- of steenduif" dat zij „nog maar op enige hoeven en bouwvallen is te vinden".


De Columba Livia of Rotsduif leefde oorspronkelijk in rotsen maar bleek gemakkelijk tam te maken

Hem is de witte stuit opgevallen, alsook de beide blauwzwarte banden op duivenblauw fond. De korte poten schijnen nog korter, „door de gewoonte van zich te  buigen". Hij vindt de vogel zeer schuw en wild en gekenmerkt door „barse bewegingen en snelle vlucht". Wittouck noemt vier duivenrassen, waarvan kruising en  selectie onder de nakomelingschap, de eigenlijke Belgische reisduif, het aanzijn zou hebben gegeven. Dat zijn:de Ierse duif, de tuimelaar, de Franse cravaté  (krawaatduif) en de platneusduif. Andere oude kenners noemen ook de veldvluchters en smijters (Rothschild's kleine kroppers) enz. De Ierse duif of carrier wordt door Wittouck beschreven als een „vogel van zuiver ras, die in het Vlaamse land gewoonlijk Engelsen bek is geheten, omreden van zijn dikken en langen bek, voorzien van een groten, wratigen schild".

De iris is volgens zijn beschrijvingen rood; de ogen zijn door een abnormaal zware, knobbelige rand omringd. Hij heeft een  smalle, platte kop, fijne hals en  vooruitstekende schouders,  zoals ook sommige roofvogels hebben. Deze duif komt uit het  Oosten! Hij is zeer gehecht aan zijn geboortedak. „De Engelse bek heeft een zeer grote begaafdheid van gewestverkenning" - in verschillende landen zou men hem reeds in oude tijden voor het overbrengen van berichten hebben gebruikt. De carrier is een van de stamrassen waar de zg. „Antwerpse duif" van voortkomt. Slaan wij er Fulton (plm 1850) op na, van wie gezegd wordt dat hij meer carriers in handen heeft gehad „dan enig mensenkind ter wereld", dan lezen wij dat de carrier vroeger uitstekend heeft kunnen vliegen. De sterke bouw van zijn beendergestel en zijn geduchte spierontwikkeling, waarin hij, naar het oordeel van deze Britse expert, door geen enkel ander duivenras wordt overtroffen, zijn later, door de selectie op andere hoedanigheden, teruggelopen.

Daarentegen schrijft Baldamus dat alleen onkundigen de carrier voor een berichtenduif houden, omdat „bij geen enkel ander ras het oriënteringsvermogen en de gehechtheid aan het hok zo slecht ontwikkeld zijn als juist bij deze, alleen voor de tentoonstelling gefokte, fijne volbloedduif". Hij schrijft dat in Engeland wel  dragonderduiven voor de wedvluchten werden gebruikt. Nu kan deze soort gemakkelijk met de dragonders worden verwisseld doch afgezien hiervan is de carrier van de laatste vijftig jaar niet meer te vergelijken met de oorspronkelijke Oosterse importvogel. De carrier is nog slechts gefokt op de „verfraaiing" van zijn uiterlijk en zodoende is zijn vliegvermogen zeer verminderd. In zijn eerste levensjaren vliegt hij nog wel, daarna wordt hij traag en lui en voor het reizen totaal ongeschikt. Hij keert zelfs niet meer naar huis terug. In zijn tegenwoordige staat zou hij zeker geen aanspraak mogen maken op het stamvaderschap van het edele postduivenras. Vroeger was hij veel minder zwaar van oogranden en neuswratten. De Engelsen hebben, door eenzijdige selectie, deze eigenschappen naar voren gehaald: hoe zwaarder en sterker ontwikkeld, hoe beter!

Reacties

Altijd leuk deze artikelen een mooie afwisseling in het stille seizoen.

Mooi en interessant artikel.
Heb daar geweldige interesse in.
Doe al jaren aan K.i. bij duiven en onderzoek naar oriëntatie van de duiven.
se site artificial pigeon.

H Geurts