Zoeken

Gezonde jonge duiven: de toekomst van ieder hok

Voor tal van liefhebbers zit het kweekseizoen er al op. Ze hebben alles vroeg bijeen gezet en speenden de jongen voor eigen gebruik. Anderen zijn niet zo haastig, kunnen zichzelf in toom houden en bewijzen daarmee een grote dienst aan hun duifjes.

Een verstandige duivenliefhebber maakt een groot onderscheid tussen de kwantiteit en de kwaliteit van de gekweekte jongen. Wat baat het nu 30 à 40 jongen te hebben als de kwaliteit erbij ontbreekt?

Ik begrijp de melkers niet, die uit alles kweken en een hele reeks jongen daarna op het hok hebben die hun primo veel kost en hen daarna de grootste ontgoochelingen brengt. Neen, de ware kampioenen die ik ken, maken steeds een keuze uit hun kweekmateriaal en leggen zich hierbij strenge beperkingen op. Zo zullen ze nooit jongen aanhouden van ouderparen die merkelijk in gewicht afnemen bij het azen van de jongen. Jongen uit zo’n kwekers (?) op het hok brengen is om perikelen vragen en het is vooral spijtig van het verloren geld en tijd.

De jaarduivinnen, die op vele plaatsen voor de eerste maal op de kweek zitten, dienen hierbij scherp in het oog gehouden. Kweekmateriaal, hetzij duiver of duivin, dat mooi rond en vast blijft na het kweken van een koppel jongen verdient onze aandacht. Valt de partner of partnerin tegen op dat gebied, blijft dan niet aanmodderen. Scheidt de koppels, verwijder de duiven van minderwaardige kwaliteit of met bepaalde gebreken en koppel enkel het kruim aan elkaar. Duiven op de kweek, die goed in de huid blijven, beschikken doorgaans over een perfect metabolisme. Ze zijn kerngezond, sterk en temperamentvol en bijgevolg prima geschikt om uit te kweken.

Als ik aan wijlen Pol Bostijn vertelde, dat ik sommige liefhebbers kende die erg strenge zifters waren voor de jongen en dit van in het nest, antwoordde Pol heel flegmatiek:
“Jongen, dat is nog geen reden dat het om verstandige melkers gaat. Hoe meer jongen ze verwijderen des te soepel waren ze bij de keuze van hun kweekduiven. Uit optimaal gezonde ouders kweekt men optimaal gezonde jongen en voor de rest is en blijft het steeds afwachten geblazen. Wat er in dat kopke zit, zal de mand uitwijzen!”


Links Paul en rechts, Leopold Bostijn, de man met de ongezouten meningen

Mijn grootoom uit Adegem, een boer die net vòòr Wereldoorlog II al ruim dertig jaar de beste duiven in de grote regio bezat, zei mij het volgende als ik hem vroeg naar zijn manier van kweken:

“Ik zette voor die tijd mijn duiven steeds vroeg bijeen, meestal met Lichtmis. Mijn eerste ronde was maar een proefronde en veel jongen bleven er nooit van over. Ik lette vooral op toestand van de duivinnen. Deze waar vlees aan bleef met 2 jongen in het nest waren mijn kweeksters voor de volgende ronden. Als de jongen ongeveer drie weken waren, werden de duivinnen weggenomen en bleven de duivers nog een week alleen met hun jong. Ik hield er maar enkele over om de duivers zoveel mogelijk maar één jong te laten. Nog 14 dagen later koppelde ik opnieuw en liet ik de uitgekozen duivinnen met de beste duivers paren. Van die koppels alleen hield ik jongen aan, de rest ging allemaal weg.”
Zonder mij aan chauvinisme te bezondigen mag ik gerust stellen, dat ik nu ruim 50 jaar later nog steeds geen duiven in handen heb gehad die de vergelijking kunnen doorstaan met de toenmalige duiven van mijn grootoom.

Doorgaans zijn de liefhebbers veel te zwak en te toegevend voor de jonge piepers; ze moeten groeien als kolen, rustig in hun nestje liggen en een ganse dag slapen. Diegenen die ongedurig rondkruipen en schreeuwen in het nest, beloven niet veel. U zult er de ouderparen een grote dienst mee bewijzen met ze van dergelijke jongen te verlossen.
Natuurlijk dat de voeding bij het kweken een grote rol speelt. Een flink gevarieerde mengeling als hoofdschotel is het ideaal voeder voor de kweek. Vermijd in alle geval een te zware voeding en overdrijf niet met eiwithoudende granen. Het is net als bij de mensen. Ik hoor het mijn moeder nog altijd zeggen: “Voor de gezondheid van de meeste mensen zou het nog eens oorlog moeten worden”. De oudere liefhebbers zullen het zich zeker nog herinneren, de mooiste en gezondste jonge duiven werden gekweekt gedurende de oorlog, toen de liefhebbers zich moesten behelpen met korrelvoeder en enkele groene erwten en wat zelf gewonnen maïs. De dag van vandaag zijn de liefhebbers legio, die hun jonge duiven willen forceren met hun vitaminepreparaten te geven.

Het spenen doet men van zodra de jongen kunnen pikken of alleen eten. Nooit te lang wachten. Jonge duiven van 4 weken met hoogrode en ontstoken slijmvliezen zijn verloren voor de toekomst en zullen u veel geld kosten en tal van ongemakken bezorgen. We moeten ze radicaal kunnen verwijderen. Eens gespeend, moeten de jongen vaster worden, het vet moet er af, ze worden kleiner, vaster ineengedrongen en de pluimen moeten dicht tegen het lichaam aansluiten.

Al deze kleine bijzonderheden moeten wij aandachtig gadeslaan, ze kunnen later van groot nut zijn bij het uitkiezen van zowel de waardevolste ouderduiven als jonge duiven.