Zoeken

De Geschiedenis van de Belgische duivensport : en wat vooraf ging ....

Op 25 oktober 1924 schreef Rudolf Dewaele als hoofdredacteur in « De Duivenbode » hetgeen volgt : ....

De hedendaagse reisduif is het produkt van ontelbare kruisingen onder de verschillende duivensoorten die vóór een eeuw in België voorhanden waren. Onder de elementen die het meest hebben bijgedragen om die eerste verbindingen te verwezenlijken stippen wij o.m. aan : de smierie - de snol - de hoogvlieger en de Perzische duif. De drie eerste soorten waren van weinig belang voor het overbrengen van berichten allerhande, terwijl integendeel de Perzische duif van in overoude oudheid gekend is, in 't biezonder waar de eerste beschaving haar licht kwam opsteken onder de volkeren, die stilaan uit de staat van onbeschaafdheid en wildheid opstonden.
Inderdaad, in de geschiedenis van de Asiërs en Perzen, vinden wij doorslaggevende bewijzen dat het gebruik van duiven vrij algemeen bekend was, voornamelijk om berichten over te brengen in de talrijke oorlogen die deze eerste beschaafde volkeren opeenvolgend voerden.
Onder Darius, een vijftal eeuwen vóór onze Romeinse tijdrekening, kwam het Perzische Rijk tot zijn toppunt van bloei en vooruitgang. De rijksgrenzen werden aanzienlijk uitgebreid, het leger hervormd, en het is in 450 dat de derde oorlog tegen de Grieken uitbrak. De Perzen leden een dubbele nederlaag, te land en te water, en de melding van deze vernederende nederlaag werd verkondigd bij middel van duiven afkomstig uit de Perzische militaire duiven hokken. De geschiedenis zegt eveneens dat in het oude Egypte onder opeenvolgende regeringen van de Pharaons, het overstromen van de Nijl in Nubië, bij middel van duivenberichten werd medegedeeld.
Het is dus ontegensprekelijk dat het oriënteringsvermogen dezer duiven van in de hoogste oudheid ten nutte werd gemaakt, en dat de er toe geleende vogel reeds een grote ontwikkeling op verstandelijk gebied bezat. Deze berichten werden trouwens op afstanden van meer dan 100 km overgebracht.
De Perzische duif werd in onze streken uitgevoerd ten tijde van de kruistochten, alswanneer de Europese bevolking in nauwe voeling en in betrekkelijk grote handelsverbindingen kwam met de Oosterse volkeren.
't Is feitelijk in 't begin van de vorige eeuw dat enkele vooraanstaande duivenliefhebbers kruisingen hebben aangegaan die ons tot de huidige reisduif hebben geleid. Dat de postduif nochtans hier en daar gebruikt werd als draagster van berichten, moge blijken uit het feit dat de nederlaag van het leger van Napoleon te Waterloo, reeds de volgende dag op de markten van Parijs en Londen bekend was, omdat duiven hiervoor hadden ingestaan.
Wij halen enkel bovenstaande lijnen aan om aan te tonen welke rol voorgenoemde rassen hebben vervuld bij die eerste kruisingen en om de duivenlief hebbers tot het besluit te leiden, dat geen enkel van onze hedendaagse (1924) hokken, de raszuiverheid van de families in het bezit kan hebben.'t Zijn de grote duivencentrums van Antwerpen en Luik vooral, die de bakermat en de oorsprong zijn van onze duiven.

De Antwerpse duif was lang, zwaar en sterk, en vertegenwoordigd door een vrij ontwikkeld beendergestel. Haar bek was breed en lang, neus en oogranden waren van grote aanwassen voorzien. Zij had een brede en lange staart en haar pluimage had nog het zijdachtig velours niet, die zo zeer onze aktuele duiven kenmerkt. Haar ogenkleur ging van bleek goud-geel, naar het hoog oranje kleur. In haar vlucht ontbrak de grote snelheid, maar was biezonder goed voor de lange afstanden.
De Luikse duif was het tegenovergestelde van de Antwerpse duif, haar lijf was dik en in elkaar gedrongen. De bek was kort, neus en oogranden waren helder wit en uiterst klein. Haar pluimenkleed was zacht. De kleur van het regenboog vlies donkerbruin. Zij had ook een voor het oog strelende bevallige en vitale houding.
Bij de gevormde Antwerpse duif, stroomt het bloed van de Perzische duif op onbetwistbare wijze door, terwijl bij de Luikse duif, de snol en de smierel een hoge toon hebben gevoerd.
Enkele zeer in het oog springende eigenschappen kunnen wij nog bij onze duiven vaststellen zoals de grote neuswratten en de fel ontwikkelende oogranden, de fazen die zich weleens in een wel verzorgde cultuur op onverwachte wijze voordoen, de tuimelperten en geweldige luchtsprongen die wij onvermijdelijk bij alle jonge duiven ontwaren en die een overblijfsel daarstellen van het ras van de hoogvlieger en tuimelaar.
Zo is onze hedendaagse reisduif ontstaan. Zo volmaakt van vorm, zo ontwikkeld van oriënteringsvermogen, met soms lichte wijzigingen al naargelang het Luikse of Antwerpse type overheersend was in de koppelingen. Zo ontstonden in België enkele grote families zoals Wegge, Grooters, Van Schingen, Gits, Hansenne, enz., enz., wier beroemdheid grote weerklank vond in de toen pas geboren duivenliefhebberij. Door talrijke kruisingen waren zij er toegekomen — zij het daaromtrent de eersten — over een soort duiven te beschikken die door haar buitengewone vlieghoedanigheden alle andere in de schaduw stelde.
Onnodig er bij te voegen dat alle Belgen die over zekere middelen beschikken, alles in het werk stelden om van een of meer duiven van voornoemde edele duivenrassen in het bezit te komen.
Een provincie uit de negen was op dat ogenblik achterwege gebleven, t.w. de Westvlaamse gouw, waar de duivensport ook eerder later op gang kwam. Vele goede hokken werden in West-Vlaanderen gevormd door de inbreng van Antwerpse duiven, hetzij door aankopen, hetzij door een massa verdwaalde duiven uit het Antwerpse die bij stoornissen in de natuur van de rechte baan werden weggedreven, en hierdoor een ander onderkomen zochten.
Er ontstonden nieuwe hokken, zodanig dat de Westvlaamse duivenliefhebbers door kundige kruisingen een nieuwe kultuur vormden, zodanig dat West-Vlaanderen als een der sterkste centra van het land moest worden aangezien.

Wij denken aan Theo Vandevelde, Oudenburg en zijn broer Alfons Vandevelde uit Waregem, Nestor Tremmery, Oudenburg, e.a. Dat men dit doel bereikt heeft door bloedverwante paringen of beredeneerde kruisingen, om het even. Het staat vast dat de oude duivenliefhebbers een grote hekel hadden aan inteelt of familiekweek, maar uiterst gelukkig waren zekere lichaamsgebreken bij middel van tegenovergestelde kwaliteiten te kunnen wijzigen en verbeteren. Zo werd een duiver met grote dikke bek en breed ontwikkelde oogranden, gekoppeld aan een duivin met fijne sierlijke bek en bijna licht witte oogranden en gesloten ogen ; een duivin met brede vleugelpennen vormde koppel met een duiver waarvan de laatste vleugelpennen fijn en smal waren. In een woord, men verbeterde onophoudend de gebreken om eindelijk na verscheidene jaren tot de ideale vorm te komen.

Men moet begrijpen dat men ten dien tijde niet over de ideale reisduif beschikte, vermits die extra duif slechts hier en daar kon aangetroffen worden.
Om deze reden zal men beter begrijpen waarom de kruisingen die werden aangegaan zozeer hebben bijgedragen, om in algemene zin de gewenste duif te bekomen. Door bloedverwante paringen toe te passen zou er een mathematische onzekerheid voor gevolg hebben gehad.
Er waren aanhangers van de familieparingen en die als grote meesters werden aangezien, maar dit gebeurde dan enkel en alleen nadat gedurig kruisingen hadden plaatsgehad.
Daaruit vloeit dat zelfs de zuiverste gekende rassen in hun bloed een mengeling dragen van talrijke voorouders die hen zijn voorafgegaan. Mengeling die in de schijn, hoe gering ook, een noodlottige of gunstige invloed moet hebben, volgens de eigenschappen die er mede verbonden zijn, noodlottig of gunstig ingewerkt heeft op het ogenblik dat de bevruchting aan de kiem werd overgedragen en van dan af tot het wezen eruit ontsproten, aan de gewone wetten van de erfelijkheid onderworpen is geworden.
Weliswaar wordt er anno 1924 gesproken van een duif met een vierde Wegge-bloed of en achtste Hansenne-bloed in de aderen, maar dit is pure
theorie en een mathematische aanwijzing. Niettegenstaande de herhaalde proefnemingen is men er nog niet ingeslaagd te bepalen in hoever de eigenschappen en gebreken komende van de vrouwelijke en mannelijke cellen overgezet aan het nieuwe wezen dat door de verbinding is ontstaan, zijn overgebracht. Het nieuwe organisme, groeiend uit de bevruchte cel heeft niet alleenlijk een uitwendige vorm die in 't bereik van onze zintuigen komt, maar ook een inwendig leven waar hersengestel en zenuwenweefsel voor ons een diep geheim zijn gebleven.
Zo komt het dat de reisduif voor ons een mysterieuze vogel is gebleven die zich enkel laat kennen nadat hij door zijn rendement de kracht zijner spieren en de hoge ontwikkeling van zijn vliegvermogen heeft weten te veropenbaren en dat verder de liefhebber op een goede dosis geluk hoeft te rekenen om door zijn koppelingen een gunstige uitslag te bekomen.