Zoeken

De geschiedenis van de Belgische postduif: van rotsduif naar postduif - deel II

Om bij de gegevens van Wittouck te blijven: drie van de vier stamouders, de tuimelaar, het meeuwtje en de platneusduif (camus) zijn pas in de Nieuwere Tijd bekend. De tuimelaar wordt het eerst genoemd door Aldrovandi en Willoughby.

 Uit de beschrijvingen in het oudste boek over postduiven ter wereld, dat van de Arabier Michail Sabbagh, kunnen wij niet tot haar bestaan besluiten. Het meeuwtje is te herkennen in een beschrijving van Willoughby (anno 1677). Door sommige schrijvers wordt aangenomen dat in Ulysses Aldrovandi's zeer nauwkeurig geschrift over duiven, van omstreeks 1600 de zg. Cortbeck een meeuwduif is. Bevreemdend is op zijn minst dat de kenmerkende en zeer opvallende jabot niet wordt vermeld. Het is mogelijk dat de Cortbeck toch een meeuwtje is, maar dat de „cravate" of „frulle" op de borst eerst na 1600 is ontstaan en vastgelegd. Dat de meeuwduif geruimen tijd voor 1600 bekend was, valt nochtans moeilijk aan te nemen. Evenals de pauwstaart en de raadsheer is zij ontstaan door mutatie. De platneusduif (camus) beschreven door de Waal dr Chapuis, wordt beschouwd als een tuimelaarvariëteit en dateert dus eveneens uit de Nieuwere Tijd.


De Bursa-tuimelaar

Aangezien de berichtenduiven reeds duizenden jaren bekend zijn, moeten wij aannemen dat het zuivere postduifkarakter (oriënteringsvermogen, hoktrouw  enz.) via een oeroud ras in de Belgische reisduif is gekomen. Dat kan geen ander zijn dan dat van de carriers. Plinius verklaart dat de Grieken en Romeinen hun beste berichtenduiven van de Perzen kregen. In zijn werken heeft ook Darwin het over de Bagdad- en de Bassora-duif. Misschien is dit oude Perzische vliegras het best in de Engelse „horse-men" bewaard gebleven.  


Het "Meeuwtje" was een van de eerste best geschikte
postduiven om haar hok snel terug te vinden

Wittouck noemt de „Engelse bek" een vogel „van zuiver ras". Daaronder verstaat hij een ras dat zich zuiver voortplant, d.w.z. zonder al te veel afwijkers. Inderdaad, de snelle ontwikkeling van onze hedendaagse postduif is slechts te verklaren door aan te nemen dat de Oosterse duiven reeds in oude tijden een grote mate van zuiverheid hadden bereikt voor de erffactoren van vele, onontbeerlijke hoedanigheden.

Men kan nu de vraag stellen hoe de oude. Oosterse postduiven, de vermoedelijke stamouders van de zg. „Engelse bek" of carrier in Albion zijn beland en hoe het mogelijk is dat dit ras, terwijl het „on the Continent" door klakkeloze bastaardering en het ontbreken van iedere vorm van selectie, bijna geheel verdwenen was, in het Eilandenrijk althans tot op zekere hoogte stand gehouden heeft. Om die vraag te beantwoorden moeten wij in gedachten teruggaan naar een roemrijke periode in de wereldgeschiedenis, de tijd van Godfried van Bouillon en Richard Leeuwenhart!

Begrijpelijk is dat de Arabische „hawadi" (koerierduiven) vooral in de oorlog hun waarde bewezen. Bij menige gelegenheid moesten de Kruisvaarder» ondervinden, hoe uitmuntend de inlichtingendienst van de volgelingen van de Profeet was georganiseerd. Verdeeldheid onder de Muzelmannen kwam hun te hulp. In 1098 werd de emir van Hasar, bij Haieb (Aleppo), ongehoorzaam aan zijn heer en gebieder. Deze  zond een leger van veertienduizend man om hem te tuchtigen. De emir verschanste zich in zijn burcht en stuurde in allerijl gevolmachtigden naar de Kruisridders onder de hertog van Lotharingen, ten einde een verbond met hen te sluiten. De Franken accepteerden het aanbod, doch wisten niet hoe zij de  accoordbevestiging ter kennis van de benarde bondgenoot in zijn omsingelde veste zouden brengen. Verrast zagen zij toe, hoe de gezanten van de emir  postduiven bij zich hadden, de vogels kleine briefjes onder de vleugels bonden en ze vervolgens de vrijheid gaven met de verzekering dat de tekst van het  gesloten verbond weinige uren later in handen van de belegerden zou zijn. En dat de emir, in de verwachting van spoedig ontzet, tegenstand zou bieden tot het uiterste. Het geschiedde zoals zij voorzegd hadden. Nadat de in ijltempo opgerukte ridders de belegeraars hadden verdreven, beloofde de emir trouw aan de Kruisvaarders en gaf hun de burcht in handen (Raumer: Geschichte der Hohenstaufen). Hoe de Christenen spoedig met list gebruik wisten te maken van de postduiven, als zulke gevederde koeriers hun in handen vielen, wordt veelvuldig vermeld. Toen zij het gewichtige Tyrus belegerden vingen zij een duif, die een van de emir van Damascus afkomstige depêche bij zich droeg. Daarin werd de belegerden medegedeeld dat een grote legerschare tot ontzet van de stad toesnelde!   De Kruisvaarders echter, namen haar dit bericht af en lieten de duif met een heel andere boodschap vliegen! Het gevolg was dat de misleide belegerden, na de ontvangst van het vervalste, zeer ontmoedigende nieuws, wanhopend aan de bevrijding, capituleerden. Eenzelfde toeval dat hun een duif van de vijand in handen speelde, hielp de Kruisvaarders later, bij de verovering van de stad Akkan. De geschiedschrijver Nowairi verhaalt een geval, waarin de vloot van Roger, koning van Sicilië, een Saraceens schip buitmaakte, met een kooi vol postduiven aan boord. De Kruisvaarders gebruikten deze vogels nu om hun tegenstanders valse  oorlogsberichten toe te zenden. De mannen van Richard Leeuwenhart ook, zijn het geweest, die de duiven mee naar het continent van West-Europa en naar  Engeland hebben gebracht.

Dit betekent niet dat gecultiveerde duiven hier voordien onbekend waren. Zij waren er reeds in de Romeinse tijd! De eerste onmiskenbare aanduiding over het  gebruik van duiven dateert van het jaar 43 na Chr. Gajus Plinius sec. is in de oudheid de enige, die authentieke mededelingen doet over duiven als gevederde  koeriers, namelijk daar waar hij het beleg van de vesting Modena beschrijft. Deze Plinius, geboren te Como in Noord-Italië, leefde van 23 tot 79, in welk jaar hij, aan boord van een galei, zijn schrijver dicterend, de dood tegemoet voer naar de vuurspuwende Vesuvius. Hij was veldheer en rijksambtenaar en, getuige zijn vele werken, een bijzonder vlijtig man. Volgens Plinius, die het beleg van Modena beschrijft, zou Brutus persoonlijk de snelberichten aan de poten der vogels hebben bevestigd.


De eerste onmiskenbare aanduiding over het  gebruik van duiven dateert van het jaar 43 na Chr.
Gajus Plinius sec. is in de oudheid de enige die authentieke mededelingen doet over duiven als
gevederde koeriers, namelijk daar waar hij het beleg van de vesting Modena beschrijft.

De consul Hirtius liet te Modena gewende duiven op, zo dicht mogelijk bij de verschansingen. In de Romeinse legioenen werd van de diensten der duiven veelvuldig gebruik gemaakt. Caesar werd door middel van duiven verwittigd van de opstand der Galliërs onder de koning van honderd koningen Vercingetorix. Een Romeins geschiedschrijver roept uit: „Waartoe dienen Antonius de blokkade, de waakzame schildwachten, de valstrikken bij de stromen, indien een bode de lucht doorklieft ?" (per coelum eunte nuntio ?) De Romeinse keizers waren bijzonder op hun duiven gesteld. Zij besteedden geld voor de bouw van luxueuze hokken, die ware duivenpaleizen mochten worden genoemd.

Onder keizer Varro verkochten Romeinse legeraanvoerders duiven voor vierhonderd dinar het koppel. Plinius schrijft: „Ik zie de duivenhokken van Rome op hoge torentjes: ik hoor de Romeinen zich beroemen op de afkomst van de ene duif en op de prestaties van de andere." Het bijhouden van stambomen en  kwartierstaten is even oud als de teelt van duiven voor militaire doeleinden zelf. Dit georganiseerde misbruik van duiven, dateert misschien reeds uit de tijd van Alexander. Volgens mededelingen van de Griekse schrijver Plutarchus namelijk, liet zich bij de Macedonische veroveraar een man aandienen, die het voorstel deed om over de ganse uitgestrektheid van diens reuzenrijk een berichtendienst te organiseren, door middel van snelle en bescheiden boden, die niet in staat waren geheimen te verraden. Men neemt aan dat hier op duiven wordt gezinspeeld.

Dat er in West-Europa in de vroege Middeleeuwen van het oude Romeinse „ras" nog veel over was, is overigens weinig waarschijnlijk. Een edelman die in de 14e eeuw het kasteel Nesie bewoonde, bezat twaalfhonderd duiven. Hij had er altijd zitten van vrienden en verwanten, „seinduiven", gereed voor een pijlsnelle boodschap voor het kasteel waar zij thuishoorden: „Alles wel in Nesle. Hoe maakt het mijn nicht in het arendsnest aan de Rhone ?" of „Wij worden belegerd en onze voorraden beginnen op te raken. Zend krijgslieden om ons te ontzetten!" Maar wie zal zeggen van welke origine deze gevederde koeriers zijn geweest: Romeinse of Turkse? De vraag waarom het ras in Engeland het best schijnt te zijn bewaard, is evenmin gemakkelijk te beantwoorden. Over de evolutie van de postduif in de  Middeleeuwen en de Nieuwere Tijd is slechts weinig bekend. Wel wordt steeds melding gemaakt van het gebruik van duiven om berichten over te brengen, o.a. in de Nederlanden bij het beleg van Haarlem (1573) en Leiden (1574) door de  Spanjaarden. Op het ogenblik dat de inwoners van Leiden, uitgeput door honger en ellende, de stad aan de Spaanse belegeraar Francesco de Valdez wilden  overgeven, kwam er een duif met een snelbericht aangevlogen. Het briefje, gericht aan de dappere burgemeester Pieter Van der Werf, dat zij bij zich droeg, berichtte dat de Prins van Oranje de dijken van Maas en IJssel had laten doorsteken en dat de geuzenadmiraal Boisot Leiden naderde met een machtige vloot (platboomde schuiten) en talrijke sloepen levensmiddelen! De geestdrift vonkte weer in aller harten. Moedig doorstond de burgerij alle ontberingen, tot de vijand de aftocht blazen moest. Er werd bepaald dat de duiven, die zulke gewichtige diensten bewezen hadden aan de goede zaak, op kosten van de Staten zouden worden onderhouden. En tevens dat zij na hun dood zouden worden geprepareerd en in het Stadhuis een ereplaats zouden krijgen.

Maar echte postduiven, in de huidige betekenis zijn het nog niet (of moet ik zeggen: niet meer?) geweest, de duiven van Willem Cornelissen. Speelman, alias Duivenbode, waarvan men in het wapen aan de gevel van het oude huis aan het Rapenburg te Leiden nog de afbeelding vindt. Wittouck vermeldt dat de Fransen BuflFon en Lacipède in de 18e eeuw dikke boeken over duiven hebben geschreven en dat Temminck in de jaren 1813—1815 een uitgave het licht deed zien te Parijs en te Amsterdam.


De heer Wittouck Silvain werd geboren in Hulste bij Kortrijk en schreef op het einde van de 19e eeuw
verschillende boeken die ons toelaten de oorsprong van de Belgische sportduif te traceren.
Meer over Silvain Wittouck onder: 
De Geschiedenis van de Belgische duivensport, 1838 - 1924 Sylvain Wittouck - Hulste (BE)

Veuillot schrijft: „Men zou zeggen dat de natuur, de onstandvastigheid, de grilligheid en de menigvuldigheid der menselijke gedachten voorziende, aan de  schepselen die het meest tot vermaak van het mensdom geschikt zijn, zoals honden» duiven, hoenders, bloemen enz. het vermogen heeft verleend zich tot  in het oneindige te kunnen veranderen." De enorme variabiliteit (veelvormigheid), een gevolg van veelvuldige kruisingen, schijnt dus wel zeer opvallend te zijn  geweest.

Een jaar of vijftien geleden schreef Werner Möbes in het „Zeitschrift für Brieftaubenkunde" interessante artikelen over hoogvliegers en tuimelaars. De inzender illustreerde zijn publicaties met afbeeldingen die hij had aangetroffen in het beroemde standaardwerk van Ulysses Aldrovandi „Ornithologia", uitgegeven te Bonn in de jaren 1559 en 1603, en dat van Albin: „Naturgeschichte der Vogel" (ao. 1734). Louis Vermeyen van „De Duif" tekende erbij aan, dat deze koppen  „sprekende gelijkenis vertonen met menige goede, hedendaagse postduif" en kwam tot het besluit: „Voor honderd jaar had men niet nodig een zwalper met een smierel te kruisen en er dan nog een carrier bij te brengen om met de duiven te kunnen spelen. De vliegduif was er reeds sinds onheuglijke tijden. Zij moest  enkel maar uitgezift worden, door voortdurende selectie, want in de loop der tijden was zij met wat van alles gekruist: ontaard!" In de Italiaanse stad Modena, waar de laatste duiven-Olympiade werd gehouden - bestaat reeds meer dan tweeduizend jaar liefhebberij voor één enkel, zeer merkwaardig ras van vliegduiven. De fokkers van - tevens spelers met - deze duiven zijn de zg. triganieri. Prof. Bonizzi heeft over de Modenezer duiven een uitvoerig werk geschreven. 

Hieruit blijkt dat het doel van het eigenlijke duivenspel is, door zijn eigen klad duiven, de vogel» van andere duivenhouder» te lokken en te vangen. Dit spel wordt ook in Nederland en België door nog te veel oneerlijke liefhebbers in praktijk gebracht. De duiven worden afgericht om tussen andere koppels duiven te  gaan vliegen.

Op een teken van hun meester, verlaten zij de groep onmiddellijk, waarbij zij trachten enkele der minder goed gedresseerde vogels uit deze  groep, toebehorende aan de tegenpartij, met zich mee te nemen. De dressuur vindt plaats op het dak gebouwde duiventorens, waar de duiven schraal  worden gevoederd en aldus geoefend in het snel binnengaan. De eigenaar past daarbij allerlei ook bij ons bekende trukjes toe, zoals rammelen met de  voerbus, fluiten enz. Is de wedstrijd aan de gang, dan hoort men het geroep van de verschillende spelers tot hun duiven, die zich in grote groepen  aaneensluiten of zich daaruit losmaken, al naar het hun gegeven teken. Deze Modenezer duiven zijn uitermate intelligent. Goed geoefende vogels, die het klappen van de zweep kennen, vliegen altijd boven de stad en zijn steeds in de weer, minder hokvaste broeders mee te lokken. Het moet een interessant schouwspel zijn, overal de triganieri op hun platten te zien staan, met de vlag zwaaiend om eventueel te vroeg of „zonder buit" terugkerende duiven weder op te jagen en de bewegingen van hun vlucht te leiden. De Modenezer duif en het spel dat ermee gespeeld wordt, dagtekenen reeds uit de tijd van de Romeinen. Plinius zegt van de Modenezers „dat zij als dol zijn, torens voor hun duiven op de huizen bouwen en van sommige duiven zelfs stambomen aanleggen". Malmusi heeft het archief van de stad Modena, teruggaande tot het jaar 1327 kunnen onderzoeken. In dat jaar werd door de overheid een wet uitgevaardigd houdende het verbod om van andere partijen gevangen duiven te doden. Een authentieke mededeling over de grote bloei van dit duivenspel, vinden wij in de eerste helft van de 16e  eeuw bij de Modenezer dichter Alessandro Tassoni, die er weinig over gesticht is en de triganieri „een bende dagdieven" noemt, „verslaafd aan het spel en het laten vliegen van duiven". In hoeverre ons hedendaags postduivenras nog inslag heeft van deze slimme lokvogels uit Noord-Italië zal moeilijk uit te maken zijn.


De Modenezer-duif en het spel dat ermee gespeeld wordt, dagtekenen reeds uit de tijd van de Romeinen

In 't begin van de 19e eeuw maakte het persbureau Reuter voor het overbrengen van telegrammen gebruik van een soort kleine kropperduiven. Deze zg. smijters waren toentertijd in de Zuidelijke Nederlanden overal verbreid. Bankiers en speculanten van de Koffiebeurs te Brussel, Antwerpen, Parijs, Londen en
Frankfort (Rothschild) kochten de beste vliegers op en trachtten daarmee hun concurrenten, die voor het wereldnieuws, de prijzen en noteringen nog waren aangewezen op koeriers en postkoetsen - in Holland bovendien op Hildebrand's „snelvarende trekschuiten" - de loef af te steken. Het bericht van Napoleon's nederlaag bij Waterloo tegen de verbonden legers onder Wellington, Oranje en Blücher, werd aan het filiaal van het huis Rothschild te Londen, door „smijters" overgebracht. Onmiddellijk lieten de financiers tot aankoop op grote schaal van de op dat ogenblik niet te best genoteerd staande Engelse staatspapieren  overgaan, aan welke transactie het Huis fortuinen moet hebben verdiend. Het (Antwerpse) Handelsblad was de eerste courant die (in 1848) postduiven voor de berichtgeving in gebruik nam. De aldus overgebrachte berichten, welke onder de rubriek „Duivenpost" werden gepubliceerd, betroffen voornamelijk financieel nieuws, dat door middel van duiven uit Londen, Parijs, Frankfort en zelfs Madrid (per estafette) de redactie bereikte.  De fokkerij van duiven voor de  wedstrijdsport, zoals wij die kennen, dateert van de eerste jaren der 19e eeuw. In den beginne werd zij slechts beoefend door de beter gesitueerden. Later, na de toepassing van James Watt's beroemde uitvinding, de stoommachine, in het snelverkeer, werd de aantrekkingskracht der liefhebberij zeer groot. Door het feit der verlaagde kosten van verzending immers kon ook de gewone man er aan te pas komen. Gaandeweg is de duivenliefhebberij daarna de „volkssport" van het legioen der vijfmaal honderdduizend geworden!

Loading ...

Loading ...


Loading...