Tips voor de winterkweek

Veel duivenliefhebbers zijn ervan overtuigd dat ze hun kwekers zo dicht mogelijk bij de natuur moeten houden om sterke en gezonde jongen in de schotel te hebben.

De uitdrukking “dicht bij de natuur” is feitelijk heel gebrekkig gekozen omdat onze reisduiven lang geen echte natuurduiven meer zijn maar volwaardige, goed gevoede en prima verzorgde huisdieren. De wilde duiven zoals bosduiven en tortelduifjes zullen gedurende de winter zeker niet kweken. Door voedselgebrek kunnen ze zich die luxe niet permitteren. Ze vinden nauwelijks genoeg om zelf in leven te blijven, verre van jongen groot te brengen.

Het mislukken van koppelingen door het uitblijven van de leg, het grote aantal klare of onbevruchte eieren en natuurlijk de klassieke vechtpartijen tussen de moeilijkste koppels onderling, zorgen elke winter voor een opmerkelijk hoog percentage afval of beter duivenmiserie. Dit percentage is merkelijk hoger op kweekhokken waar de inrichting gebrekkig is. Met inrichting wordt dan bedoeld de technische hulpmiddelen zoals verwarming en verlichting, welke het algemene hokklimaat verbeteren.

Het klimaat op een hok wordt bepaald door het samenspel van temperatuur en vochtigheidsgraad en dit verschilt nogal sterk van hok tot hok. Als algemene regel geldt, dat een duivenhok droog moet zijn en dat de temperatuursverschillen tussen dag en nacht niet te hoog mogen zijn. Het duivenhok mag dus overdag geen droge en warme serre en ’s nachts een vochtige kille kelder zijn. De duiven verdragen zeer goed lage temperaturen en ook zeer hoge temperaturen, maar die mogen niet te plots komen en verdwijnen. Het is zo dat bij zeer grote koude, de gekoppelde duiven geen nest zullen maken en eieren leggen. Dit kan op sommige hokken 100 procent bij alle koppels voorkomen hoewel ze prima gezond zijn. Zulke duiven moet men onmiddellijk scheiden en tevens de hokaccommodatie verbeteren.

Ofwel wachten op beter weer en dat met het ongeduld van een duivenliefhebber. Men kan die moeilijke koppels wel kunstmatig met hormonale inspuitingen op gang brengen in sommige uitzonderingsgevallen. Onze reisduiven zijn lang geen natuurduiven meer, maar volwaardige huisdieren.  Kunstmatige middelen zijn hier dus zeker niet uit den boze maar wel een heilzame oplossing voor lastige problemen.

Huisdieren

Voor sommige melkers houdt de winterkweek van het verleden niet veel prettige herinneringen in, soms voldoende reden om er dit jaar niet zo vroeg meer aan te beginnen. Dit is alles behalve een lichtvaardige uitspraak want wij zijn er stellig van overtuigd dat de algemene tendens hier in België vrij vlug zou veranderen, moesten we nog eens van die gepeperde winters meemaken, zoals die in een ver verleden vaker voorkwamen. De reden hiervoor ligt niet alleen in het feit dat de eigenlijke kweek zelf minder vlot verloopt maar ook omdat de pas gespeende jongen in zeer ongunstige omstandigheden moeten buiten komen om de omgeving te leren verkennen en de eerste vluchtjes te maken.
In Duitsland en op die plaatsen waar de winters veel strenger zijn en langer duren, wordt praktisch niet aan winterkweek gedaan. Hetzelfde kan men trouwens zeggen van onze noorderburen. Wij zijn zeker geen tegenstanders van de vroege winterkweek. Integendeel, maar deze objectieve beschouwingen kunnen toch moeilijk ontwricht worden. Soms zien we veel klare eieren en soms zelfs geen eieren, zelfs na drie à vier weken nog geen enkel gebeuren. En dit volgens de melker zijn mening op een doodzieke kolonie. Toch werd er geen enkele ziekte vastgesteld bij die duiven. Duiven die weigeren te paren, de klassieke vechtpartijen daar nog eens bijgenomen en men mag ruw geschat van 25 procent mislukkingen spreken.

Praktijkervaring toont echter ook aan dat er liefhebbers 100 procent geslaagd zijn. Die zijn dan tevreden en enthousiast. De probleemstelling ligt op tafel. Welke factoren zijn verantwoordelijk voor mislukkingen, welke fouten werden er gemaakt en hoe kan men er op de meest rationele wijze aan verhelpen?

Reisduiven zijn huisdieren en geen natuurduiven. Reisduiven zijn levende wezens met een gevoelige psychologie wat betreft variaties in spelsysteem, verhokken en veranderen van kweekpartner. Men mag het psychologische evenwicht van de kwekers niet doen wankelen door om de haverklap een nieuw systeem toe te passen. Men moet de duiven hier tegemoet komen en wel door de volgende techniek toe te passen:

De jonge duivers welke op het kweekhok als nieuwkomers worden binnengebracht, worden samen met de gepensioneerde weduwnaars of kandidaat-kwekers op het eigenlijke kweekhok bij de oude kwekers gebracht. Al die mannelijke kweekduiven moeten gedurende een langere periode kunnen wennen aan elkaar en aan het nieuwe hok. Elk moet er vrij zijn halve woonbak kunnen kiezen en dit naargelang orde en stand. Deze aanpassingsperiode kan best geschieden gedurende de maand november, tijdstip dat de duiven gescheiden zitten.

Al dan niet voorkoppeling

De duivers welke gekoppeld worden d.w.z. deze die een andere duivin krijgen en de jonge koppels nieuw op het hok, worden eventueel samen met de oude blijvende koppels voorafgaandelijk gedurende een paar dagen halfweg de maand november voorgekoppeld. Tijdens deze voor- of proefkoppeling leren de duivinnen hun partner, hun woonbak en hun toekomstige omgeving kennen. Er zullen zeker heel wat interessante feiten aan het licht komen tijdens deze proefperiode. Duiven welke niet willen paren zal men op voorhand kennen. Duivers die liever een andere duivin en woonbak opzoeken, zal men vlug onderkennen. Naar de harde vechters zal er niet lang moeten gezocht worden. Kortom, al de narigheden van de eigenlijke kweekperiode zullen op voorhand aan het licht komen en aldus veel miserie voorkomen. Daarna worden de duiven terug gescheiden tot op de meest geschikte dag voor een definitieve koppeling.