Stijlmeubelen uit Lauwe "L'amateur parle" - Deel 7

Na zovele nationale overwinnngen, na alle successen op de fond, is mijn schoonste herinnering deze van mijn eerste international Barcelona. Datis het mooiste wat ik in mijn schone jaren beleefd heb. Toen sliep ik in geen acht dagen.

't Is jammer dat ik die duif toen verkocht heb. Ik had dat geld niet nodig. En het was daarenboven een echte goede kweker. Dat is een missing van mij geweest. Toch heb ik er nog enkele sterke duivinnen tegen gezet vooraleer ik hem liet gaan. En meteen, meester, belanden wij het heden met mijn "Elektriek" die op zijn beurt mijn tweede Barcelonasucces waar gemaakt heeft met zijn afstam meling. Nu doet mij dat zoveel niet meer als toen. Het is genoeg geweest. De kleinzoons nemen het nu al voor een groot part over. Een mens geraakt ook eens verzadigd. En ja, mijn duiven zijn nu over gans de wereld gekend. Velen zijn er formidabel mee gelukt. Kozijn Ivo Van Lerberhge won St. Vincent, apoteker Gilmont uit Houdeng won internationaal Barcelona, Vervisch van Kortrijk eveneens, André Vermote Perpignan en onlangs Limoges jaarlingen, en ik dan op de koop toe nog  twee maal de nationale marathon en nu in 1986 de asduif zware fond in Gistel. Dat is allemaal maar tussen haakjes voor de lezers.

Ik moet toch nog wat vertellen over 't weduwschap.
In het begin probeerde ik dat met de "Oude Stier". Hij vloog kop op nest en op weduwschap niet meer, geen toppen meer. Ik zei, verdomme nog aan toe, dat marcheert hier toch niet zoals het zou moeten zijn. In die tijd liet ik er mijn nachtrust voor. Ik sliep niet meer. Tot ik op zeker moment aan de Stier terug een jong gaf. Ge moest het gezien hebben, meester. Een dag of twee voor de inkorving zat hij op dat jong. Zijn vlerken hingen er helemaal overheen. Hij was er niet van weg te krijgen. Het was net een grote Tours In leper. Hij vloog de eerste prijs. En ik heb hem zo verder  blijven spelen. Maar nooit tegen iemand wat van gezegd. Daaraan ziet ge, meester, dat er toch duiven zijn die beter presteren op nest.
Bij de  inkorving maakte men als eens de opmerking: die duif zit precies nat aan zijn bek. 'k Zei ja, hij zal misschien net gedronken hebben. Maar Remi  Molein was nogal een goede kameraad en ik vertelde hem dat van die duif. Hij ging het ook eens proberen met zijn duiven. Maar mensen lief, dat was daar 's anderendaags een groot bloedbad op zijn hok. De duivers hadden de jongen overvallen en kapot gestekt. Ik heb het ook nog  geprobeerd met andere duiven en 't lukte ook niet. Alleen de stier was dol op een jong. Daaraan merkte ge het verschil tussen de ene en de andere duif. Ge moet alles leren zien om er op te reageren. Zien is niet genoeg. Het zien en er op reageren maakt het verschil uit tussen de liefhebbers. De fijnste zien het meeste en ze weten wat ertegen gedaan. Hoe langer ge leeft, hoe meer ge meemaakt. Na de oude stier van '32 kwam zijn zoon de "Jonge stier van '47". Dat zijn grote uitzonderingen. Ik heb de oude toen op een kot alleen gezet 0m zeker te zijn dat de jongen van hem kwamen. Nu heb ik zelfs nog een duif van '69 die nog altijd goede jongen geeft. Dergelijke duiven hebt ge maar een  paar keer in uw leven, zelfs al hebben ze veel gevlogen. Velen weten misschien niet dat we in de tijd van de oude stier 's zondags een vlucht  hadden en ter gelegenheid van een dorpsfeest ook nog een vlucht halfweg van de week. Iedereen kwam daar op af. Daarop werd zwaar gepoeld, meester. Ook Michel Nachtegale in zijn tijd en Valere Desmet-Matthys deden daaraan mee. Ik heb dat allemaal goed gekend en er tegen gespeeld. Het waren gewoonlijk vluchten uit Clermont. We speelden toen overal. Het was ten tijde van De Jaegher uit Melden en De Keyzer uit Oudenaarde. We speelden tegen de besten uit die generatie. René Willequet was er ook van de partij en Vanderbeken uit Nukerke. Met Willequet heb ik ook nog samen gekweekt in dien tijd. Mijn duiven waren gegeerd en ik kreeg de keure (gelegenheid) om met de besten te wisselen of eens iets uit te testen. Na den oorlog is het schoonste voorbeeld "De Coppi", of dat van die Gurnayduiven die omwille van hun typisch kenmerk de naam van "kortebekken"   meekregen.
Dat kwam uit mijn oude soort met die duivin van Verhoye. Wie  Gurnayduiven  bezat, sprak van zijn kortebekken' Coppi van '46 en zijn tijdgenoten hebben dan vele vluchten gewonnen.

De uitslagen zijn gekend en er is zoveel over geschreven in boeken zoals de Geschiedenis van de Belgische duivensport van Jules Gallez in deel 1 blz. 282-298. Daarin vinden de lezers de naoorlogse periode van de jonge Stier van '47 die de eerste nationaal Libourne en de eerste nationaal Pau won en over de Limoges van 48 die de eerste nationaal uit die porceleinstad won, over Tarzan van '48 die de eerste internationaal San Sebastian won waarvan de historiek ook gekend is. Wie had dat gedacht dat ik die duif in volle duisternis op het hok nog zou vinden. Dan krijgen we de Libourne van '557 die de eerste nationaal won uit voornoemde stad, de Cahors van '66 die deze nationaal won en dan Den Barcelona '61, eerste internationaal enz.. meester de palmaressen zijn gekend evenals hun afstamming.
In deel II van Jules Gallez kan men op pagina 131 - 136 nog meer informatie lezen zoals over De Montauban van 73 Dokus van'74, de Pau 74 en tenslotte ook nog in het boek van Piet de Weerd op pagina 280 de marathonwinnaar; die het in 1982 deden met name de St.-Vincent van '77, De Fijnen van '78, de Gouverneur van '78, De kampioen van '79, De Kleinen van '78 en de Marathon zelf van '77.
Al deze laatste duiven zitten nu op het kweekhok. En dat is wel een van de grootste of de voornaamste troefkaarten van een hok. Goede duiven op het kweekhok met daartegen de beste zusters, de beste dochters, sterke duivinnen meester. Ge moet weten wanneer ge moet stoppen. Ik ben in mijn leven ook al een keer of drie mis  geweest en een toekomstige kweekduif verspeeld op zijn zogezegde laatste vlucht. Ge moet ze enerzijds kunnen spelen en anderzijds  kunnen stoppen. De aard van de vluchten speelt hierin een niet onaardige rol. Overmoed leidt gewoonlijk naar de ondergang. Het is een kunst om tijdig aan de voortzetting van de soort te denken. Zowel de grote als de kleine liefhebber worstelt met dit probleem.
Spelen is zilver, maar kweken is goud.