Stijlmeubelen uit Lauwe "den Elektriek" - Deel 5

De huidige stammaker is den Elektriek. Ik. heb zo vier kweekduivers van hem op de kweek. Het zijn "De Marathon", "De St. Vincent", "De Notaris" en "Den Baron".

Die Elektrieklijn is een wrede soort... Ze zet zeer gemakkelijk voort. Ge kunt dat niet zeggen van alle duiven. Zo heb ik nu weerom een
zeer goede duif die de grote marathon of de asduif zware fond wint van Gistel. De tijden op de fond zijn ook geëvolueerd. Ik vind dat de bond een onderscheid zou moeten maken tussen de asduiven. Vroeger waren een Limoges, een Périgueux, een Angoulème, enz... grote fondvluchten van 600 km. Maar nu klappen wij daar niet meer over. 't Gaat hem nu over fond van 700 km tot 900 km. En men mag zeggen wat men wil, maar Vanbruaene zegt dat dit andere duiven zijn. Vooral voor de naam van de Belgen in 't buitenland is dat een grote troefkaart. We zijn toch de bakermat van de duivensport en we moeten zien dat we dat blijven in stand houden.
Rechtuit gesproken, zijn het nu de fondmannen die op 600 km het schoon weder uitmaken. Ge moet daar nog voor opletten want het zijn tegenwoordig rappere duiven. We moeten daar allemaal eens ernstig over nadenken. Eens boven de 700 k m spreekt nog meer de klasse. Naar  mijn oordeel, en gezien in het daglicht van de duivensport in de wereld, moet daarover eens gepraat worden. En een asduif met vier fondvluchten, zoals we zien, is ook geen zaak. Ofwel moet er daar ook een onderscheid gemaakt worden tussen lichtere fond en tussen zware vluchten. Wij winnen het kampioenschap van Gistel met twee duiven voor een minimum afstand van 2200 km. Het zijn "De Diplomaat" op Barcelona en de "Laureaat" op Montauban en Lourdes. De Laureaat is nu de derde asduif van België plus de eerste asduif yan de trofee Upjohn in Gistel. Ze zijn mij komen  vragen wat ik als prijs zou willen. Ik zeg liever een biefstuk dan een beker. Succes is een last, meester. Ik heb geen rust meer. Altijd bezoek. Ik  moet naar hier en naar daar. Ik klap of spot al liever ne keer dan altijd maar opnieuw over duiven te moeten spreken. Er zijn er die niet anders  kunnen dan duiven en nog eens duiven.' Maar 'k heb nog steeds mijn sterk karakter en daardoor wil ik mij nog niet geven tegenover de jeugd. Ge  moogt het mij niet kwalijk   nemen, meester, maar ik kan mij niet inbeelden dat een jonge mens tot zeven 's ochtends in zijn bed ligt. Ik spreek niet van een zieke of ook niet van een oude mens. Maar Vanbruaene is 77 en nog alle dagen den eersten uit de veren. Ik mag op gelijk welk uur  thuis komen, zelfs nu in de winter. Te vijven en een half (5u30') ben ik present. En in de zomer is 't nog veel eerder. Ik heb geen "réveil" (wekker)  nodig. Als ik aan iets denk dan moet dat gedaan worden. Mijn duiven vliegen in het seizoen bij het opgaan van de zon. In de namiddag vliegen ze  tussen 18 en 19 u. Kijk, ga naar boven, gisteren heb ik alles ontsmet met choor en er daarna ongebluste kalk op gedaan. Het ligt op sommige  plaatsen nog nat van te gieten met javel. Pascal de kleinzoon, werpt op: Wij moeten leren werken volgens de oude manier van peepee. Hij dikteert ons de wet. Zijn oude trukken en niets anders.
Wij en hij ook, lezen regelmatig oude dingen, ondermeer in het groene boekske. Ge vergeet soms  zaken uit den ouden tijd die nu nog altijd stief goed zijn.

Onverbeterlijk zegt Vanbruane. En hij leest wekelijks Practicum. Daarvoor alleen al neemt hij al de kranten. Ge moet lezen en mee zijn met de tijd. Iedereen kan er wat uit leren. Natuurlijk, zegt André, is het niet alle dagen kermis met de  duiven. Er komt veel kijken bij de verzorging. De hokken worden altijd dagelijks gereinigd. Ik heb acht hokken voor weduwnaars, elk van twaalf  bakken. De hokken van de jongere duiven zijn goed bevolkt. De hokken van de tweejaarse zullen na het seizoen erg gedund zijn.

Op de hokken van de oude zitten al maar 5 à 6 duiven meer. Er is zelfs een hok met maar 3 duiven. Ik heb in de winter nooit meer dan zo'n 120 tot 130 duiven zegt André. En, meester, een jaarling die zich eens toont is nogal vaak eens een goede driejaarse en een goede oude duif. Ik zeg altijd dat ge voor de duiven een programma moet opmaken. Een programma volgens: hun leeftijd. Mijn duiven ontwikkelen zich tot hun derde levensjaar.
Ik zal geen jongere duiven op Barcelona steken. Dat is net eender met een mens op zijn werk of in de sport. Ge kunt iemand tijdens zijn jeugd forceren. Dit zowel op het werk als in de sport. Alles op zijn tijd. Forceren is nergens goed voor. Alles op zijn tijd en in het gepaste ritme. Zo leer ik mijn jaarlingen op nest. Ze kweken een paar keer en 't is maar op het laatste van het seizoen dat ik ze op weduwschap breng. Dat is mijn systeem.
Jaarlingen moeten eerst eens Kunnen kweken. Een nest of twee en dan even kennis maken met het weduwschap. Zo eens de ondervinding op doen. En dan geef ik ze gaarne mee op hun Lirnoges. Of ze daarop "tielijk" (vroeg) zitten is van geen belang. Vroeg of later is allemaal niet zo erg van belang. Maar wanneer het een normale vlucht is en er zit een tielijk tussen, ja, dat worden goede duiven, als ge er wat geduld mee hebt. Wanneer de grote vluchten op het programma staan dan staat de stoep van de straat vol met liefhebbers die de duiven komen waken. Mijn tweede Barcelonduif was er OOK vooraleer ik boven op post was. Ik hoorde ze roepen en tieren op de straat en ik moest met de lift nog naar boven en mijn valplank nog omhoog trekken. De duif verschoot, vloog op, maar hij kwam gelukkig snel binnen. Nu het was wel  Barcelona, maar iedereen weet dat ge tegenwoordig niet veel tijd moogt verletten om de eerste prijs kwijt te spelen.

Nu, half november, begin ik  gerst bij te geven. De duiven zijn door de grote rui heen. De laatste pennen zijn gevallen en nu wordt het stilaan tijd om  over te schakelen op gerst. In de winter ga ik tot 50 % en een klein rantsoen mengeling. Maar tijdens het speelseizoen kan ik mij niet inbeelden wat zuivering bij het eten komt doen. Als gij hard gewrocht (gewerkt) hebt, of een koereur of een arbeider komt thuis,...zegt uw vrouw dan ook: manneke, opgepast zulle, niet te veel eten. Wees voorzichtig. Ik zal u een glas water geven, en een droge boterham en misschien nog een aspirineke. Fond en zuivering, nee, dat  gaat er bij mij niet in. Ik zeg niet op de vitesse. En voor mij mag de commercie ook leven. Ik weet echter niet waarom ik op de fond zuivering zou moeten geven wanneer de duiven zo hard gevlogen hebben. Ik heb in het seizoen maar een voeder. Als uw vrouw u een goede snede vlees zou geven, goed eten na het labeur, dan denk ik dat ge veel beter zult rekupereren dan met wat water en wat droog brood. Wat spelen de renners al niet naar binnen na een klassieker of na een rit in de Tour de France. Mijn duiven  krijgen  dat ook, meester, en ik heb het nog nooit meegemaakt dat een weduwnaar teveel zou eten.