Stijlmeubelen uit Lauwe "De Vlaschaard" - Deel 1

Dit verhaal, geachte lezers, begint in de eerste voetstappen van de twintigste eeuw in de streek van Heusden, nabij Gent. Twee West-Vlaamseboerenkinderen uit Rekkem en uit Lauwe hebben er zich nabij de vallei van de Schelde gevestigd.

Zij wrochten er en bewerkten met veel  naarstigheid moeder aarde en kregen er twee kinderen, een zoon André in 1910 en zijn zus.

Alras werd het heimwee naar de streek van de Leie te machtig, mede door de grote bloei van het vlas. Toch liepen de kinderen nog schüol te Destelbergen. Dit was ten tijde van de oorlogsjaren 14-18. Alles stond onder water wegens het open trekken van de sluizen. De boerderij stond eenzaam te velde,
Men vaarde met een bootje door land en door beemd. Van het Gentse taalfenomeen heeft onze gastheer en zijn gastvrouwe evenwel niets meegenomen. Het was 1925, of de periode van de naoorlogse bloei van het vlas, dat besloten werd alle landerijen .net dit edele gewas te bezaaien om met de opbrengst van de oogst naar het in duivenmiddens wereldberoemde Lauwe te trekken. Deze stap terug naar de Leiestreek stelde dus niet zoveel problemen. Het landbouwersgezin was immers daar getogen en geboren. Zoon André, goed 15 lentes, leerde in zijn jeugd al de knepen van het vak. Vlas zwengelen tussen de 'domestiquen' (knechtjongens) was zijn eerste kennismaking met de zware arbeid. Het gezin kende er welvaart. Maar er was OOK een vooruitziende oom in de nabijheid. De oudste broer van vader Vanbruaene deed schone zaken in de meubelindustrie.. Nonkel Gerome stond alleen in het meubelbedrijf en hij voorzag dat de zaken in het vlas slechts een korte glorietijd beschoren was, gezien de revolutie van die tijd. Ik zal uw zoon inwijden in mijn vak, was zijn probaat antwoord.
Het zal een zekere toekomst zijn. We zullen hem inwijden in de kennis van het vak. André ging op stiel in Kortrijk in diverse  meubelzaken.  Hij werd de stichter van het gekende Mobilor te Lauwe.


De ouderlijke boerderij

Maar ... vader. Vanbruaene had ook zijn jongste broer op de ouderlijke hofstede in Rekkem. Deze broer was een duivenliefhebber In hart en nieren. Op de boerderij was het zowat 'de zoeten inval' voor jonge kadetten zoals André.
Hij trok er wekelijks heen om mede te genieten van de sportvreugde. Zijn oom bezat de beste duiven uit de streek.
Hij was trouwens zeer goed bevriend met Geroom Vereecke, ook een geslepen handelaar en dulvenliefhebber. Ze kwam André als Jonge 'snotter' zonder het goed te beseffen, in contact met zowat alle personaliteiten uit de', duivensport uit die tijden. Ik luisterde met mijn beide oren, lacht André in zijn zetel, en ik stal met mijn ogen. Jonge kadetten hadden in die tijd niet vee! te piepen tussen die grote mijnheren.. André werd tot over zijn oren verzet op de duiven. Maar, zijn vader was er radikaal tegen. Dit omwille van het feit dat zijn broer de hofstede te Veel overliet aan knechten en zijn zaken onvoldoende behartigde omwille van .. -de duiven.

Vader, zegt André, die zag dat ik er 'óók een smeet van weg had, wou mij daarvan weghouden. Tijdens het weekend trok ik toch naar mijn oom Het was toen nog allemaal met de fiets te doen. Er waren toen nog geen auto's. Samen met mijn oom bezochten wij Benoot van Olsene, Lagas van Ingelmunster, Vadecaveye van Wingene, Vereecke in Deerlijk ... enz ... Kortom, ik leerde de beste kennen uit de streek. In 't geniep, als mijn vader niet thuis was, begon ik piet een 'bete' (duivenval) te steken in het dak van de schuur. Hier eentje en daar nog eentje. Vader protesteerde heftig. Het dak zou overigens wel kunnen instorten en dergelijke vieren en vijven (protesten). Het verzet bleef echter binnen de perken en meteen zat André met duiven van zijn oom, die hem het beste van het beste bezorgde. Nonkel had niet veel geduld met de duiven. Er mocht eentje een eerste prijs vliegen, 't miste ne keer en 't moest al weg. Nonkel speelde sterk op de korte drachten uit die tijd. Er waren toen nog zo geen grote wedstrijden zoals de dag van heden, zegt André.
Al wat mijn oom kon missen, bracht ik mee, tot ik op de lange duur betere duiven bezat dan nonkel zelf. Op zekere memorabele dag, 't was in't jaar 1926, herinnert zich onze gastheer, komt mijn nonkel naar hier. Kijk, zegt hij mij.
Kijk eens wat ik hier bij mij heb. Het was een late nestpender, een blauwe doffer, die bij hem binnen gelopen was. Ge moet dat meedoen André. Het is voorzeker een duifke van zeer goed bloed.
Het is van een prima afstamming. Daar steekt origine in. Hij liet het mij zien en er stond cf'n naam op de vleugel: Deprez van Etimpuis. Een vriend van mijn oom?

Louis Slesse, die dat te weten kwam, zei tegen nonkel: "Watte!"Deprez, Deprez! Geef mij dat piepertje, geef het mij, geef het aan ikke (mij). Potverdorie, als het allemaal goed uitkwam was Deprez de schoonzoon van Julien Commine van Leers- Nord. En Louis Slosse was toen een van de allerbeste liefhebbers uit de Vlaanders, zegt André. Zegt nonkel: Gi (gij) André. gi moet dat meedoen, want Slosse beweert dat dit duifke iets zeer speciaals moet zijn. Ik, jonge snaak, grinnikt André, ik kende toen nog niet zoveel van duivenrassen, ... allez ik zag het jong toch niet al te graag.
Het was een lang beestje met een uitzonderlijk lange staart. Moest het niet door nonkel Gerome geweest zijn en door toedoen van Louis Slosse, dan had ik dat duifke nooit gehouden. Zeker zo geen laat jongske.
Goed, ik begin met daar een koppel jongen uit te trekken en 'k zette dat aan (opleren). Jongens, jongens toch, die duiven vlogen tereke (beurtelings) kop voor den eersten prijs. En in dien tijd was er al een serieuze concurrentie. Stichelbouts woonden hier nabij en al die mannen die toendertijd gekend waren. Ze begonnen al naar mij om te kijken vooraleer ik het zelf goed en wel besefte, mompelt André. Ik was een van de  jongste melkers en meteen al een van de beste.
Wel te verstaan op de vitesse. De omstandigheden (uitsluitend) hebben mij dan alras verplicht over te schakelen op de midfond.