Een vorm van selectie: op prestatievermogen - deel IV

Ik heb onlangs een heel interessant artikel gelezen onder de titel ‘Selectie op prestatievermogen bij sportpaarden’. Daar de meeste duivenliefhebbers selecteren op de prestaties van hun duiven, die vaak de ‘renpaarden van het luchtruim’ genoemd worden, willen we daarom nog even ingaan op de mogelijkheden van de selectie op prestaties.

Ras en fokdoel

Bij de duiven net als bij het paard kent men verschillende gebruiksdoelen, die men in de selectie hanteert en dit met het oog om er uit te kweken. De vitesseduif moet intrinsiek een hoge basissnelheid gedurende merkelijk langere tijd kunnen aanhouden. Onze fondvliegers moeten dan weer over die onverzettelijkheid beschikken van te blijven doorgaan. Aan duiven voor de overnachtingvluchten wordt de eis verbonden van te vliegen tot zonsondergang en bij het eerste morgenkrieken terug te starten.
Wil men nu zo gaan selecteren dan zal men meetbare normen bewust moeten hanteren om het fokdoel te verwezenlijken. Dat kan de minuutsnelheid zijn, of de behaalde prijs, of de winstsom, of een recordsnelheid, mogelijks het doorvliegen bij duisternis, enz.

De resultaten dienen geregistreerd te worden. Het gebruik van moderne systemen van gegevensopslag en verwerking met behulp van computers maakt het mogelijk allerhande nieuwe inzichten te krijgen in de verwerving van de resultaten.

Een tweede probleem dat zich stelt, slaat op de vraag of een gemeten prestatie wel selecteerbaar is. Dit hangt nauw samen met de nauwkeurigheid van de meting (de meetbaarheid). Onze duiven worden immers geklasseerd volgens hun minuutsnelheid, iets wat totaal onbetrouwbaar is. Waarom? Wel, alle duiven in één en dezelfde prijskamp vertrekken wel op hetzelfde punt maar kennen helemaal niet hetzelfde punt van aankomst. Een heel juist systeem van klasseren kunnen we waarschijnlijk hierbij nooit bereiken, maar een wijze van rangschikken zoals ze vroeger door de heer Georges de Paduwa (omrekenen naar één en hetzelfde punt van aankomst) of de heer Jean Hoche (klassement volgens het systeem Jules Schwartz of volgens het aantal afgelegde kilometers de behaalde prijs toekennen) zouden ons merkelijk een correcter beeld kunnen geven. Verder is er de inwerking op onze duiven van allerlei milieu- en verzorgingsinvloeden (de verzorger = de houder van de duiven). Wat we hierbij ook niet mogen vergeten is de stamboom van de duif (haar juistheid van afstamming). Voor dit laatste is een controle via bloedgroeponderzoek een noodzakelijke vereiste. In de duivensport moeten we het nog steeds stellen met een waardeloos papier (steeds in optie van de meetbaarheid der prestatie) waarop men kan invullen wat men wenst. Ook een onuitwisbaar merkteken van de vogels zou op dat vlak voordelen bieden.

Erfelijkheidsgraad

De mate waarin een kenmerk of eigenschap erfelijk is, wordt meestal aangegeven door de zogenaamde erfelijkheidsgraad. Dit getal dat kleiner is dan 1 geeft aan welk deel van de waargenomen kenmerken of eigenschappen bij de ouderdieren terug te vinden is in de nakomelingen.

Via ingewikkelde statistische berekeningen kan men er bij de paarden toe komen een schatting van de erfelijkheidsgraad van een bepaald kenmerk te verwezenlijken. Op de vraag of iets dergelijks bij de duiven bestaat of ter studie ligt, dien ik het antwoord schuldig te blijven. Indien sommige lezers hierop bevestigend weten te antwoorden, zouden we het erg op prijs stellen hun gegevens of bronnen te leren kennen.

Selectiescherpte

Eens men overtuigd is dat het kweekdoel op een voldoende erfelijke basis berust en men de metingen ervan registreert, kan men deze gebruiken om bepaalde individuen in het ras te bevoordeligen in het geven van de volgende generatie nakomelingen. Men heet dat selectie en die selectie wordt beheerst door tal van verschillende factoren. De globale erfelijke vooruitgang per jaar wordt immers bepaald door de erfelijkheidsgraad, de selectiescherpte en de generatieduur. Onder selectiescherpte verstaat men het aantal duiven dat men tot kweken toelaat ten opzichte van het totale aantal gekweekte jongen. In tegenstelling tot de paarden waar de selectiescherpte bij de hengsten zeer hoog ligt, is die in de duivensport het hoogst bij de duivinnen, voor zover ons de duivenlectuur hierover inlicht of zover we van de duivenkampioenen mogen aannemen. Op basis van eigen prestaties stelt men uiteraard een variabele selectiescherpte vast bij zowel onze duivers als duivinnen. Daarbij is een vroegtijdige indicatie van het eigen prestatievermogen belangrijk. Voordien heeft men al een sterkere selectie doorgevoerd op basis van de uiterlijke kenmerken, zoals de bouw van de duif, haar beendergestel, de vleugel, het oog, de keel, de spieren, enz.

Een andere mogelijkheid is het nakomelingenonderzoek. Dit heeft de meeste waarde voor kenmerken met een lage erfelijkheidsgraad en bij een hoog reproductievermogen. Bij de duiven neemt het nakomelingenonderzoek uiteraard een belangrijke plaats in. Een nadeel is echter dat men het resultaat pas laattijdig kent, zodat het tijdsinterval tussen de generaties toeneemt. Dat generatie-interval waarop de selectie van reisduiven zich kan baseren, ligt rond het 3e jaar en nog later bij de fondduiven. Dat is dus de leeftijd van de ouderduiven en hun potentiële waarde als kweker. Hoe langer dat generatie-interval, hoe trager de selectievooruitgang per jaar kan zijn.

Besluit

De selectie op het prestatievermogen zowel bij de sportpaarden als sportduiven hangt af van het gekozen kweekdoel van het ras. Al naargelang dat doel zal men meer of minder gebruik kunnen maken van de verschillende componenten die de erfelijke vooruitgang bepalen. De gezaghebbende deskundige en schrijver van in hoofding vermeld artikel besluit zijn bijdrage met de bedenking of het niet wenselijk is dat meer inzicht verkregen wordt in de erfelijke basis van kenmerken als karakter en gedrag, en hun relatie met de geschiktheid voor topsport of recreatiesport. Hiermee hangt uiteraard ook onze vraag samen: of de selectie op topsport wel te verenigen valt met de selectie op recreatiesport. Die laatste vraag biedt zeker nog veel stof tot nadenken.