Devriendt (Moere, BE), opgetekend in 1951 - Deel I

Oscar Devriendt uit Moere is de nationale kampioen op alle afstanden, die al dertig jaar goed speelt en... over wie, in zekere zin, het minst van al geschreven werd.

Moest het gebeuren dat ge curieus zijt eens wat nieuws te vernemen over een fameus duivenspeler uit de West-Vlaanderen, die twintig jaar geleden reeds overal uitgesloten en beperkt werd en die in '49 twee eersten, een tweede en een vierde prijs nationaal won op de fond, dan zal ik U, om met Karel Van Wijnendaele te spreken, „seffens uit den droom helpen!" Met de locale, kleur er op!

"Zien," zei de blinde...

Waren er niet die „missingen" geweest inzake de toekenning der punten waarvan het totaal de eerste officiële kampioen van de B.D.B, zou aanduiden en de stof die zij deden opvliegen, dan zou het ook in '51 tot het besef van slechts weinigen zijn doorgedrongen, dat de „Grote Onbekende", Oscar Devriendt de gelijke is van een Andre Vanbruaene in topforme en dat hij de voet mag plaatsen nevens de ware wereldkampioenen in de duivensport, van voorheen en thans.

Vanwaar die opvallend geringe publiciteit rond deze machtige figuur?

Vanwaar die stilte, die, vergeleken bij de „reklaam" rond de anderen, bijna lijkt op  eenzaamheid? Philip Thijs in zijn tijd won driemaal de Tour de France en toch bleven ze denken dat het maar een „gewone" coureur was, gelijk er om zo te zeggen dertien in een dozijn gaan. Er waren er zelfs die vlakaf beweerden dat hij niet fietsen kon en dat het allemaal geluk was. Volgens de kenners van de stiel echter, viel hij nooit plat omdat hij ieder scherp kiezelsteentje zag dat hem voor de tuben kwam. Welke oplettendheid er op wijst dat hij reed niet alleen  met de benen, maar ook met de kop: een wakkere, schrandere kop. En dat hij geen vermoeidheid kende! Dit nu zijn buitengewone kwaliteiten al zijn zij misschien weinig spectaculair.

Oscar Devriendt, de zwijgzame, sympathieke West-Vlaming, schept door het enkele feit van zijn merkwaardige persoonlijkheid, die zeer bijzondere, moeilijk onder woorden te brengen sfeer, die geen sensatie verdraagt. Bij Oscar past het best een taal die even sober is als welsprekend: de taal der uitslagen. Die taal wordt gesproken in het vliegseizoen. Alle weken kunnen wij haar vernemen, uit koppen op de frontpagina's van alle degelijke duivengazetten van België. Dit is geen reklaam: dit zijn feiten. Dit zijn geen woorden, maar daden. „Aan mij ligt het niet", zegt Devriendt, „als ze komen willen, dan zullen wij ze pakken."

Deze woorden zijn de enige „stoeferij" die ik ooit uit zijn mond gehoord heb. Voor 't overige spreekt hij altijd met lof over de prestaties van ...... de anderen! En het is of zelfs de journalisten, deze „ruige honden", die alle dagen een ander been moeten hebben om af te kluiven, 't is te zeggen andere stof om over te schrijven, die sfeer ongerept willen laten. Zij verkopen wel „ophefmakend" nieuws over de vrienden, doch nimmer over Devriendt. In de winter van '52 werd hij getroffen door een ernstige ziekte, waarvan hij nog altijd niet geheel hersteld is.

Maar in 1950, toen ik mijn eerste grote reportage over hem liet verschijnen, was hij nog gezond en sterk; niets deed toen vermoeden dat hij voorbestemd was, een „geraaktheid" te krijgen, waardoor hij tot algehele werkloosheid zou worden gedoemd en zich niet meer actief met de duiven zou kunnen bezighouden. Op maandagavond 24 April '50, in Brussel aan de Zuidstatie, vatte ik, zonder dat er enige aanleiding voor bestond, het plan op, niet naar Holland, maar naar Oostende te gaan. De trein zou over weinige minuten vertrekken: anderhalf uur later stond ik aan de kust. Het was bitter koud en er zat vuile nattigheid in de lucht. Over de weerberichten hadden ze sneeuw voorspeld en harde wind met uitschieters boven het Nauw van Kales en het Kanaal. Met zulk weder loeit en brult en dondert de zee. Ontembaar beukt het schuimbekkende waterbeest de kaaien der huiverende havenstad; de wind giert door de verlaten straten. En dan te zeggen dat wij een week van de maand mei af waren. De bomen wit van hun bloei en het gras aan hun voet wit van de sneeuw. Waarboven een loodgrauwe  lucht met laaghangende, jagende wolken. Een uur lang heb ik die avond langs de loeiende zee gelopen, een impermeabel aan en een wollen das om de nek; het kan geen kwaad dat een mens eens uitwaait.

De nacht in Hotel Terminus Maritime en de andere morgen per ijzerenweg naar Moere. Het was nog niet ten volle acht uur toen ik bij Oscar Devriendt voor de deur stond. Er woei een stijve bries die jacht scheen te maken op witte wolkenflarden in de blauwe lucht, waaruit een vrolijk zonnetje scheen. Oscar was zijn duivenkot aan 't kuisen, maar kwam seffens af. Ik was er al menigmaal op bezoek geweest en zou er later nog dikwijls komen. De dag die ik nu in herinnering terugroep gold echter, zo had ik mij inmiddels voorgenomen, een zeer speciaal bezoek, namelijk de studie van het ras Devriendt tot in de finesses en het uitpluizen van de afstamming dezer buitengewone vogels. Ik heb altijd een hobby gehad voor duivengenealogie....

Oscar Devriendt, een welgesteld man van huisuit, is een goeie zestig jaar oud. Hij is eigenaar van veel onroerende goederen en van een schone winkel in  textielwaren, die nog niet zo lang geleden geheel nieuw opgetrokken werd en ingericht naar de eisen des tijds. Destijds woonde hij nog in dat huis, nu is hij met duiven en al verhuisd naar de overkant.

Men zag Devriendt zijn leeftijd niet aan. Hij was nog krachtig en van gezonde gelaatskleur. „Een duivenliefhebber", zegt hij, „is gelukkig. Die leeft altijd een jaar langer dan een ander mens." Oscar kent het leven en hij kent de mensen. Hij zal weinig woorden vuil maken aan dingen die vanzelfsprekend of onvermijdelijk zijn. Devriendt is met de duiven begonnen toen hij thuis kwam van 't college, dat is nu bijna vijftig jaar geleden. Het was in Roeselare dat hij de „Handelsklassen" doorliep, maar de West-Vlaamse nachtegaal Guido Gezelle en diens leerling Hugo Verriest heeft hij niet meer gekend. Dat is voor zijn tijd geweest.

Reeds in 1907 had hij duiven van de Gebr. Cools te Eemegem, niet ver van Gistel. Evenals de Gebr. Cattrijsse, die een paar jaar jonger zijn dan hij, schafte hij zich in '12 duiven aan van Jeroen Staelens, de destijds fameuze Arras-speler. Eerst op diens hok en achterna op zijn verkoping te Eemegem. Veel geld kostten  ze niet, maar het duivenspel van toen was ook dat van tegenwoordig niet, terwijl anderzijds de frank haar volle goudwaarde bezat.

In hetzelfde jaar kocht hij nog een koppel jongen op de verkoping Louis Vereecken van Torhout. Niemand kan zeggen of hij ermee gelukt zou zijn, want twee jaar later stond de wereld in brand. Van die soort is natuurlijk geen pluim overgebleven. Moere werd door het Duitse leger bezet en uitgekozen als geschutsstelling voor de beruchte dikke Bertha's van maarschalk Von Kluck en Prins Albert van Würtemberg. Van hieruit werden Nieuwpoort en Diksmuide beschoten en zelfs Veurne en Duinkerke.

Wij vinden Oscar Devriendt als soldaat aan den Ijzer, te Steenstraete, Diksmuide, enz. Hij vocht er onder Koning Albert bij het 1e en 13e regiment artillerie en verdiende er zijn strepen. Een van de ontelbare naamlozen in het groeiende geallieerde leger was hij, wier regen van zware granaten uiteindelijk de Teutoonse  kracht braken. Na vier jaar mokeren en ten koste van o zo vele diep betreurde mensenlevens. Het enige wat Devriendt ervan zegt is: „De kanonnen stonden  achter het front. Voor de anderen was het erger dan voor mij...." Hij demobiliseerde in Juli 1919.

Maar, wat er ook gebeurd was in een verscheurde wereld, de liefhebberij was in zijn hart niet uitgeblust. Thuisgekomen uit de oorlog was Oscar Devriendt's eerste gang naar meester Theo Vandevelde te Oudenburg, de onklopbare kampioen van voor '14, de sterkste speler van West-Vlaanderen en ongetwijfeld een der fijnste stielmannen van België in het begin der eeuw. Devriendt schafte zich vier jongen aan van 't jaar '19, die echter reeds vooraf hadden uitgevlogen, van kleur blauw en geschelpt.

Een dezer jonge blauwe duivinnen was van een duiver getrapt bij meester Vandevelde en legde haar eieren op het hok Devriendt. Hieruit kwam een kolossale blauwe kweekduiver, genaamd de „Zwartentik", die wij bij Devriendt nog zullen tegen komen vermits hij telkenmaal, zodra de oude titularis dood is, een afstammeling aldus zal benamen. Oscar Devriendt heeft altijd een „Zwartentik" op zijn hok gehad, nu reeds vijf en dertig jaar lang.

De eerste „Zwartentik", die oud en „der dagen zat" geworden is op het hok Devriendt en tenslotte nog wegbleef van het veld, werd gepaard met een blauwe duivin van zijn kozijn René Devriendt te Moere, die het ras Ancke van Veurne bezat en zich daar kranig mee verdedigde tot Orleans. Hieruit zijn voortgekomen de  tweede „Zwartentik" en de „Wittentik" om enkel de bekendste te noemen, die fameuze vliegers waren van Breteuil tot Bordeaux. Successievelijk werden nog meer, overwegend vale duiven ingebracht van die kozijn en daarvan werd een ras opgebouwd.

Devriendt lukte vanaf het begin. Zijn duiven vlogen straf. En ze hadden met hem terdege rekening te houden. In die tijd is het ook dat hij de echtverbintenis  aanging met Gusta Van Hevel, die de nicht was van misschien wel de beste en veelzijdigste wielrenner die België door de tijden heen gekend heeft, de fameuze „flandrien" Jules Van Hevel van Ichtegem. West-Vlaanderen is een nest van duivelsjarels en coureurs...

In de jaren '24-'25 raakte hij bevriend met de brouwers Gebr. Depuydt van Aertrijke. Zij kweekten het ras van Frans De Loof van Ledeberg, die o.a. de zuivere De Ridders van Dendermonde bezat, naast duiven van de Franse kampioen Paul Sion en zijn vriend Julien Commine. Frans was internationaal keurder van pluimvee; hij maakte in binnen- en buitenland deel uit  van de jurys dewelke de raskiekens en ander gevogelte beoordelen op de punten. Als collega in dezelfde stiel was hij in verbinding gekomen met Jules Depuydt, een der (vele) gebroeders.

Van de soort De Loof nu bezaten de Gebr. Depuydt een klein en ogenschijnlijk nietig duifken, dat een echte doodvlieger was en dat zij noemden, het „Ijzeren". Het was wijd en zijd gekend in gans de streek en 't was omreden van dat „Ijzeren" dat Oscar Devriendt die mannen een bezoek ging brengen. Behalve het  „Ijzeren" vond onze vriend er op het hok nog een duivin, die hem buitengewoon goed beviel, zodanig dat hij de Gebr. Depuydt adviseerde het „Ijzeren" ermee te doen paren en volgaame offreerde een verwisseling aan te gaan van jongen van dit koppel en deze van zijn eigen beste kwekers. Aldus geschiedde en de  verwisseling heeft zowel de Gebr, Depuydt als Oscar Devriendt voldoening geschonken. Het was ook in die tijd dat Devriendt een blauwe duivin op zijn hok bracht van de Gebr. Cattrijsse, die toen opkomende sterren waren. Het was een dochter van hun oude „Vanderespt", dus eveneens ras Vandevelde. Deze duivin werd samengezet met een vale duiver van de kozijn René Devriendt; er kwamen drie duivinnen uit die formidabele vliegsters waren. Een ervan, de „Goede Molenaarde", won drie eersten in één week tijd. Zij werd al spoedig ingehouden voor de kweek en gepaard met het zogezegd „Puitje", klein simpel duiverke maar van ijzer en beton, zoon van het „Ijzeren".

Uit dit eerste fameus kweekkoppel van Oscar Devriendt zijn een ganse reeks echte kopvliegers voortgekomen. In die dagen werd doorgaans niet verder gespeeld dan Orleans en de duiven van Devriendt zetten op de kleine halve fond zo geweldig hard aan, dat hij zowat overal in de streek werd beperkt of uitgesloten. Wij zien dus, dat hij zich een ras Vandevelde-Devriendt-Cattrijsse-Depuydt had opgebouwd met al zijn mogelijkheden en eigenaardigheden. En Devriendt,  noodgedwongen, ging zich toeleggen op het provinciale en interprovinciale spel, op de verre drachten. Het zou niet lang meer duren eer men zijn naam ging vinden op de uitslagstaten der grote nationalen. Al seffens bleek daarbij dat de valen van de kozijn te flauw waren voor het spel op de fond. Zij deden wat ze konden en ze klasseerden zich van tijd schitterend, maar zij waren te rap versleten. Devriendt constateerde dit feit zwijgend, gelijk het zijn gewoonte is en trok er zijn conclusies uit. Hij deed een kruising van zijn „Goede Molenaarde" duivin met de „Oudepenne", een cendré-witpen, zuiver Vandevelde, een de jongen die hij er van trok, beantwoordden volkomen aan de verwachtingen.

Vandevelde had nooit anders dan de sterkste duiven op zijn kot gehaald, duiven die fond konden vliegen en de zonnebrand konden verdragen. De „Oudepenne" zelf had de 8e prijs Bordeaux gewonnen in de West-Vlaamse Vereniging; zijn zonen, de „Bronze" en de „Zwarteplekke", zouden hun vader voorbijsteken, meer afgetekend, naarmate het verder en zwaarder was.

In '39 zette de „Bronze" de kroon op het werk met het winnen van de 1e van Bordeaux in de W.V.V.   In het ras Devriendt, gelijk het ter dage geëvolueerd is, is er nóg een Vandevelde tussengekomen, van een ander midden, 't is te zeggen de „Charel", vale duiver van zijn vriend Charles Vanderespt te Oostende. Dat was in 't jaar '35. Hij werd gepaard met een duivin Vandevelde van het hok Devriendt. Uit dit koppel is  voortgekomen de „Bronzen Sproete" van '39, stamvader van bijna alle na-oorlogse glories. (zie pedigree o,deraanZijn duivin was een geschelpt van '39 dat voortkwam van de „Sinjoor", duiver van Juul Beemaert van Antwerpen, met het „Wittikske" Depuydt. Twee broeders van dit „geschelpt", van een paar jaar eerder, waren de „Dromer" en de „Filosoof", formidabele vliegers, mee van de beste duiven die Devriendt ooit gekend heeft. Om mijn verhaal niet te lang te maken, sla ik al die schone episodes over. „'t Zijn albumbladen", zegt Devriendt, die het oog alweer gericht houdt op het nieuwe seizoen. Maar ik wil toch even vastleggen dat het de „Bronzen Sproete"

van '39 en het „Geschelpt" geweest zijn, die de basis gelegd hebben voor de geweldige opgang die het ras ook na de Tweede Wereldoorlog - ondanks die  rampvlucht in '46 die hem bijna duivenboer-af maakte! - heeft gemaakt.

Uit dit kweekkoppel zijn voortgekomen:

l) De blauwbonte sproete duivin van '41 die de moeder is van de „Zwartenband", Ie prijs nationaal Angouleme national derby 1949 met 22 minuten vooruit, op de 2e prijs van André Vanbruaene. In de seizoenen '50 en '51 zou hij nog sterker vliegen!

2) De blauwbonte duivin van '42, moeder van de gevreesde „Bulte" van Henri Casteleyn van Moere, de rapste duif van de streek. Deze duivin heeft geruimen tijd bij de Gebr. Cattrijsse gezeten voor de kweek. Zij werd er zelfs uitgewend.

3) De „Korte", late van '45,

4) De „Kletsekop" van '46,

5) „Levientje" van '46.

Een halfbroer van al deze fameuze duiven is nog de „Trimard", die voortkomt van dezelfde vader maar van een andere moeder, de blauwe Vandevelde-duivin die ook de moeder is van de sterkste vlieger van het hok, de „Pauw". Als wij over de „Pauw" spreken raken wij het hart van deze grote West-Vlaamse kampioen. Hij won in dat gedenkwaardige seizoen '49 de Ie prijs nationaal Cahors (1314 duiven), en de 2e prijs nationaal Bergerac (1715 duiven). Zijn vader is een vale duiver, genaamd de „Prins", kleinzoon van de „Goede Molenaarde"-duivin. Ik moet er nog even op terugkomen, op die nek-aan-nek-race tussen de Cattrijsses en Devriendt in '49 om het Kampioenschap van België in Cureghem-Centre.

Aanvankelijk nam Devriendt op zeer moeilijke vluchten een grote voorsprong in punten. Tegen het einde van het seizoen echter waren de Cattrijsses er in  geslaagd hun achterstand voor een belangrijk deel weer in te lopen. Tenslotte moest het concours met de jonge duiven op Limoges de beslissing brengen. Bij de inkerving betoonde Devriendt zich niet optimistisch. „Ik vrees", zei hij, „dat het wel eens een kwade vlucht kon worden." „Kom, kom", gekscheerden de  omstanders, „niet zo somber. Ge moet gij nogal schrik hebben van een kwade vlucht, terwijl algemeen geweten is dat Uw duiven komen met alle weder. Als er  geen duif doorheen kan, zijn de Uwe er nog."

„Ik weet het wel", hernam Oscar, „maar wat zijt ge van een pieper, die nog niet geleerd is, te wachten ?" Devriendt's voorgevoel had hem niet bedrogen. Het werd een miserabele vlucht, brandsmoor en geen oriëntatie. Van de jonge duiven waren er 's  Zaterdagsavonds nog geen tien door in heel België. Het concours stond open tot Maandagavond, tijd genoeg voor de Cattrijsses om in het concours met de piepers een paar prijsjes te pakken, die hun uiteindelijk de titel en de centen zouden opleveren.

Devriendt was geklopt

Ondanks zijn 2e en 4e prijs nationaal Bergerac, zijn 1e prijs nationaal Cahors (16 minuten los) en zijn Ie nationaal Angouleme (22 minuten los) enz. enz.  „Niet getreurd", zei Devriendt, „toekomend jaar beter." Wij zullen eens zien of het inderdaad beter was! In '50 won Devriendt de 1e en 5e interprovinciaal van Chauteauroux (tegen al de grote kanonnen van West- en Oost-Vlaanderen en Henegouwen), de 12e nationaal van Montauban, de 2e nationaal van Libourne, de 3e internationaal van Libourne, de 4e nationaal en internationaal van Barcelona, de Ie en 5e nationaal Limoges Derby (twee-jarigen), de Ie en 14e nationaal  Limoges, de 7e nationaal van Argenton en de 6e nationaal van La Souterraine. Ik heb hier slechts vermeld de prijzen, behaald door de eerst binnengevallen duiven. Gewoonlijk kwam er nog een heel ristje prijzen achteraan.

Het kampioenschap van de Entente Beige werd dat jaar gewonnen door Daniël Labeeuw vanBissegem(ras Stichelbaut)

En in '51 ?

In '51 eindigt hij in het kampioenschap van de Belgische Duivenliefhebbersbond - het meest officiële van alle kampioenschappen, zolang de duivensport wordt beoefend - gelijk met de kampioen der kampioenen André Vanbruaene van Lauwe. En met Julien Mathijs. Zonder de spreekwoordelijke tegenslag, waarmee Devriendt op het beslissende moment altijd af te  rekenen heeft, had de „Grote Onbekende" dus in drie jaar  tijds minstens twee officiële titels in de wacht  gesleept. Het  jaar dat er tussen viel, 1950, was zijn beste jaar van na de oorlog.

In '51 wint Devriendt de 22e nationaal van Montauban, de 15e nationaal van Dax, de 5e nationaal van Libourne, de 3e nationaal van Pau, de Ie nationaal van St. Vincent (een uur los) enz. enz. Oscar Devriendt zelf had dit resultaat niet verwacht. Immers na zijn ernstige vleugelkwetsuur, opgelopen op Angouleme 1950 vloog de „Pauw" nog slechts op halve kracht. Voordien had hij o.a. gewonnen de 2e nationaal van Bergerac, plus automobiel, de Ie nationaal van Cahors, plus automobiel enz. enz. „Levientje" was jammerlijk gesneuveld op Barcelona. Voordien had hij o.a. gewonnen de 12e nationaal van Montauban en de 3e van Bordeaux, enz. enz.

De „Korten" geraakte - voor het eerst sinds 1945 - niet in forme, hetgeen in de maand Maart reeds te zien was. Voordien had hij o.a. gewonnen de 22e nationaal van Montauban, de 4e nationaal van Bergerac enz. De „Vale Witoge", volle broeder van de „Pauw" en een van Devriendt's sterkste troeven voor het seizoen '51, begon met het winnen van de 4e provinciaal Orieans in de West-Vlaamse Vereniging, de machtigste fond-organisatie ter wereld! doch raakte ontredderd op de verschrikkelijke rampvlucht van Tulle, waarna Devriendt hem voor het verdere seizoen inhield (mede voor de kweek).

Voordien had hij o.a. gewonnen de 2e nationaal Libourne, 3e internationaal, de 5e nationaal Limoges, Derby, 14e nationaal Limoges, enz. De „Zitter", zoon van de „Pauw" werd als tweejaarse duif in 't geheel niet gespeeld, omdat hij - volgens Devriendt - als jaarling veel te hard had aangezet. „Een oprecht goede duif", aldus Oscar, „daar moet ge zuinig op zijn; die moet ge weten te sparen." Alles bijeen genomen heeft in '51 slechts vijftig percent van Devriendt's effectieven (in het volle bezit van zijn mogelijkheden) aan de strijd kunnen deelnemen. Op de avond van de dag dat de fameuze „Zwartenband" de 1e nationaal van St. Vincent won, wisten in heel België slechts twee duiven hun hok te bereiken .... De „Zwartenband" vloog een uur vooruit! Voordien had hij reeds een solovlucht gemaakt van Angouleme: Ie prijs nationaal met 22 minuten vooruit!