De geschiedenis van de Belgische duivensport - Vandevelde Theo (Leffinge, BE) & Vanderespt Charles (Oudenburg, BE) - deel I

Wij schrijven zondag 16 December '51. Het is bomvol bij Corbisier aan de Place Fontainas in „A la Cour de Bruxelles", hetzelfde duivenlokaal waar drie en vijftig jaar geleden Karel Wegge's duiven verkocht werden: „Uw vuist kunt ge er niet binnen steken."

Gust Ducheyne van Deurne, die gaat verhuizen naar Schoten, houdt publieke verkoping van al zijn duiven. Genette, de artist in „de stiel" even buiten beschouwing gelaten, „vergruizelt" hij alle records. Veertienduizend voor de „Kleine Geschelpte", zestienduizend voor de „Sture", negentienduizend voor de „Vendomeduivin", alles ongerekend de verhoging van achttien ten honderd..... Het heeft ons allen goed gedaan dat de schitterende halve fondvogels van de Gust hier betaald zijn aan de waarde, te meer nu er ook voor de kleine beurs volop gelegenheid was een „serieuze" duif te kopen.

Voor de Gust was het een intense voldoening eens te meer te hebben ervaren hoezeer hij zelf en zijn duiven werden gewaardeerd. Zijn gemoed was vol. „Ik verhoop", waren zijn laatste woorden, eer de „roeper" zijn stem verhief, „dat ze in goede handen mogen komen. Ik heb ze toch altijd zo gaarne gezien."   „Het zij zo, jongen", zei ik, „en tot later. Want uw verder leven zonder duiven, dat houdt ge toch niet uit...." Toen de verkoping haar beslag gekregen had, zijn wij naar Oostende gegaan, de „Lange" Van der Wal. indertijd verzorger van zesdagenkoning Piet van Kempen en ik. Naar een der grootste kampioenen van alle tijden, zolang de duivensport bestaat: meester Charles Vanderespt. Wij belden zijn woonhuis op van Terminus Maritime uit en vernamen dat we nog een uurtje tijd hadden, eer Charles thuis zou zijn van de Kampioenendag te Moere. Daarom wandelden wij op ons gemak langs de haven en over de boulevard. De zee was kalm. Juist kwamen de vissersboten binnengevaren, die op de sprot waren uit geweest.  „Dat hier aan de Kust nu toch de beste zitten", zei de Lange, „en dat daar nu absoluut niets aan te doen is. Vroeger had je overal grote kampioenen: Bricoux en Duray - ondanks wat ze tegenwoordig de slechte ligging noemen - hebben zelfs jaren gehad dat ze alles en iedereen onder tafel vlogen. Maar kom daar nu eens om. Het is alles West-Vlaanderen wat de klok slaat, er is niet meer aan te kluiven. Die Vandevelde van Oudenburg moet toch wel een verschrikkelijk ras van duiven gehad hebben".  „Ongetwijfeld" zei ik, „maar  wist je dat je Charles Vanderespt in één adem mag noemen met de meester van Oudenburg. Dat Charles praktisch even sterk geweest is en in feite veel langer heeft stand gehouden."

De „Lange" zag mij ongelovig aan.  „Nee", zei de „Lange", „dat wist ik niet...... Leg mij dat eens uit, ge maakt mij effenaf curieus." In het uurtje dat we, van  de statie, rondwandelden langs de zee, de tientallen verlaten hotels, het nieuwe concertgebouw en vervolgens onder het ruiterstandbeeld van Leopold II door naar het Stuiverstraatkwartier, heb ik hem verteld wat ik er, uit vele gesprekken met Charles, zelf van wist.


De oude meester Charles Vanderespt te Oostende (Oudenburg), Nonkel Charel en zijn kozijnen,
de Gebroeders Vanderespt te Leffinge, de zonen van zijn overleden broer Jules die hij kampioen van België Cureghem-Centre maakte.

Het verhaal begint in 1895. Als elfjarige schoolknaap kreeg de Charles zijn eerste duiven. Het bakkersgezin van Jordaan Vanderespt woonde toen nog niet in Leffinge, maar in het kleine dorpje Leke niet ver van St. Pieterskapelle, tussen Diksmuide en Gistel. Papa was liefhebber sinds 1875. Hij heeft Vandevelde naar Oudenburg zien komen en de ster van zijn roem, die alle andere zou overstralen, zien opgaan. Ook de zonen, Charles en Jules hebben dat gezien, de zonen die „hardnekkiger" waren dan de vader en - altijd in de duivenstiel - ook slimmer.

Remi Buyse van Hooglede heeft mij daarvan eens een frappant staaltje verteld. In die oude tijd waren er nog geen katsjoeringen. Er moest gelopen worden, met de duif in een stikkezakje. In vele gevallen werd de strijd onder de lopers pas „op het laatste rechte eind" beslist. Charles prakkezeerde zich een punthoofd om er wat op te vinden. Op een goeie dag kreeg hij de ingeving de ezel, die doorgaans voor de bakkerswagen liep, als koerspaard te gebruiken. In alle stilte en onder grote  geheimzinnigheid werd het weerspannige dier er voor onder handen genomen. En de volgende zondag zagen de onthutste dorpelingen Charles op zijn wild springende en rennende ezel, in volle galop de rapste lopers voorbij stuiven, naar het duivenlokaal: 't vuur uit de stenen. Het was bij die  gelegenheid dat de oude sjarels elkaar veelbetekenend „bezagen" en „zegden": „Die snotpin, daar groeit nog eens een groot kampioen uit met de  duiven." En ze hadden het bij het rechte eind.

Niet dat de eerste duiven van Charles veel te betekenen hadden. Het „waren" een koppel zwarten, gevangen door een zekere Maris, op de kerktoren. Verhuisd naar Leffinge, waar de jongens papa al flink konden meehelpen in de bakkerij en daardoor al wat meer voor hun zeggen kregen, maakten ze een kotje op de tilt boven het paard (de ezel was toen blijkbaar reeds versleten). Ik meen dat het Jules geweest is die mij eens verteld heeft dat de klep versierd was met twee oude, uit zwart hout gesneden paterkes, die ergens van een rommelzolder te voorschijn gekomen waren. De jongens  „droegen hun brood uit" tot Snaaskerke tegen Oudenburg. Meester Vandevelde, het nieuwe hoofd der school van de kanten van Waregem - was seffens begonnen goed te  spelen. Het duurde niet lang of Charles had hem klant gemaakt. Het heette dat het de klandizie was maar in werkelijkheid ging  het nergens anders om, dan om de duiven. En papa Jordaan, die klaagde: „Ze slijten er op het duivenkot hun broek en hun verstand." Maar toen er sprake van was dat de meester zijn (huur)huis  kon kopen en zodoende met zijn duiven met rust gelaten worden zo was Jordaan Vanderespt de eerste om meester Theo Vandevelde de centen aan te bieden.

De transactie ging door en de onderwijzer mocht het huis waarin hij woonde zijn eigendom noemen. Van hun kant hebben de Vanderespten nimmer een cent moeten betalen voor de beste blauwe Vandeveldes die er onder de hemel vlogen. Voor niemendal wilden zij ze echter ook niet. Madame Vandevelde die uit Slijpe kwam en een fijne keukenmeesteres was, kreeg er alle jaren een paar beste zakken tarwebloem voor thuisbezorgd.

Hecht was de vriendenband

ledere donderdag, dan had hij enkele uren vrij, ging Charles bij de meester het kot kuisen en wat de zondagen betreft, die ging er winter of zomer niet een voorbij of Charles zat met z'n tractement in Oudenburg. Hij werd op de duur het manusje-van-alles, van kwekers bijeen zetten tot duiven constateren toe. Vandevelde was er 's morgens vroeg „niet geren bij":  Charles die elke morgen om vier uur op stond, kon niet op bed blijven liggen. Door Vandevelde is Vanderespt niet alleen aan zijn duiven gekomen, maar ook aan zijn vrouw.  Op een zondag bleef een van Vandevelde's beste duiven, de „Kletsekop" achter. Korte tijd later kreeg de meester bericht dat hij gevangen zat in Gits, bij een eerlijke liefhebber, zekere Hénri De Duyvcr, die begreep dat het hier een kampioenduif betrof en hem niet „op goed valle 't uit" de vrijheid had willen hergeven. De beide mannen pakten de velo en trapten er op af.

Voor Charles werd dit de eerste reis van vele. Hij is later met een der beide dochters, Maria, getrouwd, 't Kan raar lopen in de duivensport. Nu is de dochter van Charles en Maria op haar beurt getrouwd met de zoon van Remi Buyse van Hooglede. Er wordt dikwijls beweerd dat de duiven van meester Vandevelde ten dele zuiver Wegge waren. Volgens de oude documenten, zijn deze wel „tussengekomen" - wij zullen seffens zien door wie en wanneer - maar het is zeker overdreven te zeggen dat de invloed van het superieure Wegge-bloed bij Vandevelde zo groot is geweest als bv. bij De Ridder van Dendermonde. Wegge en Vandevelde hadden bovendien zelf heel wat meer duiven op hun hok dan doorgaans aangenomen wordt! Mijnheer Vandevelde, aldus ongeveer de authentieke documenten, die ik er over geraadpleegd heb, vergeeld van ouderdom en overtogen met „locale kleur" ook wat de taal, het sappig West-Vlaams betreft, kwam in 1890 als jong onderwijzer naar Oudenburg. Hij was geboortig uit Waregem, de bakermat naar men zegt (met Ingelmunster) der allereerste goede,  West-Vlaamse duiven. Van op de schoolbanken hebben Theo Vandevelde en Geo Platteau menig uurtje van hun vrije tijd aan hun beider liefhebberij besteed. De microob moet hun van kindsbeen af in het bloed gezeten hebben. De duiven „mieken er  onafscheidbare vrienden van en de slete des tijds en heeft niet machtig genoeg geweest om die vriendschap te doen verkoelen". In Oudenburg  gevestigd was hij aanvankelijk niet van zins reisduiven te houden. Wel echter in zijn vollière enkele vogels „die door hun pluimenverscheidenheid hem enig genot en afleiding zouden verschaffen". Maar zijn broer Alfons bracht een witte duiver voor hem mee met zwarte plekken op de vleugels en mierogen. Hij had hem gekocht op de vogelenmarkt te Waregem. Nu wilde het geval dat de fakteur (postbode) van Oudenburg van een oude liefhebber, zekere Karel Saelens, een koppel jongen gekocht had voor de keuken. Een ervan was een blauwe witpen. Om die reden ruilde meester Vandevelde het voor een geschelpt jong van zijn eigen kweek. Dit duifje dat oranje ogen bad, groeide uit tot een schone duiver.

Er vlogen dus bij Vandevelde weer enkele duiven uit, toen op zekere dag een schilder, Edmond Vermoortel, bijgenaamd „de Rubens" die 's meesters woning een kwastje verf gaf, voorstelde de vogels op te leren. Omdat hij bleef aandringen, stemde Vandevelde toe en onze „Rubens" trok met de duiven op. De „Witte" en de „Blauwe Wittepen" werden de beste duiven van de streek ...... Nillens willens - staat er, had Vermoortel de West-Vlaamse liefhebberij een grote dienst bewezen. De „Witte" vloog prijs van Arras tot Bordeaux. De „Blauwe Wittepen" die van de soep gered was, eveneens, waaronder de 7e op Bordeaux te Brugge. Het jaar nadien echter ging hij op eenzelfde fondconcours verloren.

Zoals meer gebeurt, de „Witte" gaf nooit een goed jong. Daarom verkocht de meester hem aan G. Vanvijve te Oudenburg. Hij was echter niet van zins  ermee uit te scheiden. Vandevelde was integendeel weer met hart en ziel gewonnen voor de duivensport. Bij Aimé Vandenbosch te Gent, geducht speler uit die tijd, kocht hij een jong van diens oude kweekduivin, een donkere duiver met oranje ogen. Ziehier wat confrater Dewaele er over schrijft in een zeer oud nummer van „De Duivenbode" van Deerlijk: In 1900 in den achterzomer kreeg hij van zijn broeder Alfons, de gunstig gekende liefhebber van Waregem, een licht geschelpt duivinneke. Dit duifje had het ene oog oranjekleurig maar het andere was mieroog,wat aanduidde dat zijn voorouders hoogbont van pluimen moeten zijn geweest, 't Werd daarom ook „Verschillig Oogske" genaamd en 't was van de soort Delantsheere, bijgenaamd Pottie, van Waregem. De „Zwarte" van Vandenbosch werd nu samengebracht met het „Verschillig Oogske" en gaf onder andere „de Sproete", een geschelpte wittekop, een der beroemdste duiven die ooit in 't bezit van mr Vandevelde zijn  geweest. Deze duiver had gele oranje ogen en won telkens aan de kop tot in Angouleme. Zekere zondag won hij den eersten op Tours en acht dagen later den eersten op Le Touquet met drie minuten vooruit. Ingekorfd op 4 Mei 1904 werd hij op een vrijdag in 't lokaal uit de mand gestolen. De stam van Alfons  Vandevelde te Waregem werd nadien heel en gans gegrondvest op een broeder van de „Sproete", genaamd „het Blauw Papaatje", uitmuntende vlieger en kweker.

Een geschelpte Antwerpse duiver was in 't bezit gekomen van meergenoemde Edmond Vermoortel, die nog eens tussenkomt om Vandevelde op de goede baan te helpen. Volgens zijn eigen verklaring had hij hem gepakt op de kerk, volgens een andere lezing was het een kampioenduif die hij bij het inzetten in 't lokaal uit de mand gehaald had, voorgevende dat hij zelf een missing had begaan door zijn oude geschelpte er in te steken, in plaats van zijn jong. Hoe dit zij, niemand zal ooit de waarheid kennen, vermits het zolang geleden is. Er wordt ten andere gemakkelijk kwaad gesproken. Een feit is dat de „Rubens" zijnen Antwerpenaar niet zelve behield maar hem op het hok Vandevelde zette. Hij was van het echte type der Antwerpse rassen, met donker oranje ogen en kwam op het hok om er een koppel eiers van te trekken. De Sinjoor werd gekoppeld met een grote blauwe duivin van Alfons Vandevelde van Waregem, met licht oranje ogen. Zij gaven een  geschelpte duiver met donker oranje ogen, de „Baron" genaamd, welke als late jonge van '99, vele eerste prijzen won, waaronder de Ie prijs Bordeaux te Brugge met drie uur vooruit.

Vier duiven waren in gans het land maar gekend, dezelfde dag, onder andere de duif van Alfons Blondeel te Waregem en de gevreesde „Wittesteert" van  Robbrecht (Tielt). Op dezelfde zware vlucht, behaalde hoger genoemde „Witte" de 7e prijs. Veertien dagen later sneuvelde de „Baron" op een  andere Bordeaux, dit gebeurde in 't jaar 1901. Hij was gepaard geweest met het „Verschillig Oogske" en zij hadden uitmuntende vliegers en kwekers gegeven, rijk gepluimd, sterk gebouwd met licht oranjekleurige ogen, waaronder de „Dikke", een geschelpte duiver, het „Blokske", een geschelpte duivin met kouskes op de poten en de „Schone Blauwe duivin". Deze laatste werd de moeder van René Gurnay's (te Verviers) „Bleke" en „Blauwe", twee van de sterkste duiven die ooit bestaan hebben. (Van Gurnay gingen de Vandeveldes door heel de provincie Luik en terug naar West-Vlaanderen, o.a. naar André Vanbruaene. Het eerste  eitje dat het „Verschillig Oogske" gelegd heeft met de „Baron" werd ten geschenke gegeven aan mr Geo Platteau van Gistel, 't Vloog reeds als pieperke bijzonder sterk en gaf de gelukkige eigenaar veel voldoening. Omdat het zich zo goed onderscheidde, kweekte mr Vandevelde voort uit dit kweekkoppel.

De „Baron" werd ook nog gepaard met een bruin koekuitkleurig duivinneke, ras Vandenbosch te Gent. Daaruit sproten voort: de „Witoge kouse", bleekgeschelpte duivin met witte ogen, die vele prijzen gewonnen heeft; de „Grote lichtgeschelpte duivin", die als jong aan Alfons Vandevelde geschonken werd. Zij kweekte bij deze tesamen met de „Oude Kletsekop", ras van den „Bazas" van Jules Cras. „Bazas" was een zwartgeschelpte duiver, met hoog oranje ogen. Dit koppel gaf de „Lompe", die samen met zijn broeder al de grote poulen won tot Bordeaux.  De „Oude Kletsekop" had eigenlijk mr Theo Vandevelde bekomen van zekere Felix Walraevens van Waregem. Hij ging terug naar de kanten van de Leie en Alfons die hem overwende op zijn kot. 't Was een schone, niet te grote duiver, met donkerkastanjeogen, overvloedig en rijk gepluimd, korte bek en ronde, sierlijke kop, de echte type van het Luikse ras.

Het „Blokske" werd gekoppeld met een blauwe duiver van het hok Alfons Vandevelde. Zij gaven de „Barones", die nooit afgericht werd en uitsluitelijk behouden voor de kweek. De oude „Kletsekop" was op het hok Vandevelde-Oudenburg samengezet geweest met een mozaïke duivin met oranjekleurige ogen, van Borgerhoutse oorsprong. Daaruit waren twee jongen gekomen, waarvan een geschelpte duiver met oranje ogen, de „Jonge Kletsekop" genaamd, 't Was een onoverwinbare klepper van Creil tot Dax.
In 1903 op Ruffec won hij de Ie prijs met 45 minuten vooruit.

De „Jonge Rode" van mr Platteau behaalde in 't zelfde concours de 4e prijs. De „Jonge Kletsekop" rangschikte zich 5e te Gent in den Union op Bordeaux en won het gouden zakuurwerk, de Zondagmorgen bestatigd te 4.08. Maar vier duiven waren dezelfde dag toegekomen, 't Waren de beide duiven Lippens te Gent en deze van Deboutte en Catulle te Ingelmunster.

De „Jonge Kletsekop" samen met de „Sproete" waren de meest geduchte kampers in 't Oostends syndicaat, waar zij reeds als jonge duiven vlogen tegen de oude en zich seffens aan de kop wisten te placeren van Arras tot Orleans. De broeder, een grijs duiverken, werd als jong voor de scheute verkocht om reden van pokken.