Cattrysse Gebroeders (Moere, BE) opgetekend in 1951 - Deel II

Wie de aankondigingen van hun publieke verkopingen te Brussel al eens onder ogen heeft gehad, heeft zich wellicht verwonderd over toevoegingen als deze: „Blauwe duiver (genaamd zus en zo), is van '46 (dus 4 jaar oud), heeft tot dusver geen potten gebroken, maar zal toekomend jaar gereed zijn voor de grote drachten ......"

De meeste liefhebbers zouden van die gevreesde „Blauwe" (na drie jaar vliegen en niet één noemenswaardige prijs) hun buik al vol gehad hebben: in de soep. Bijvoorbeeld van de „Acht en dertig". Dat is er zo een van '46. Alle jaren was hij mee geweest, maar ik had er de heren nimmer van horen spreken. Totdat ik Oscar die maandagmorgen aan de telefoon kreeg, na de „slag op Angouleme", om te informeren hoe laat ze gepakt hadden .....   „Het is de „Acht en dertig" gelijk wij zeggen", zei Oscar, „een van de azen is het niet, maar nu is er de forme en hier in gans de streek, is hij de eerste." Hij zei er nog wat bij en die  uitlating is, nadat ik haar in een duivenblad gepubliceerd had, als een lopend vuurtje door heel België gegaan. Hij zei: „Ik had er zodanig veel vertrouwen in dat ik er gans de stad Brussel had durven op zetten!" Die dag won de „Acht en dertig" de eerste ereprijs nationaal Angouleme, tegen 3800 duiven. En veertien dagen later de 16e nationaal Libourne (2030 duiven). Op deze beide concoursen hingen er 110.000 Belgische franken aan zijn staart. In totaal wonnen de Cattrijsses op Angouleme en Liboume 270.000 frs. Op Liboume, waarop de „Acht en dertig" voor gans de stad Brussel vloog, wonnen zij met een andere duif de 1Ie prijs nationaal en internationaal...... Nadien vlogen zij nog de 1e nationaal Carcassone, met een vogel die al evenmin in zijn hemd vloog.

Maar wat ik maar zeggen wou is dit:
Oscar en Gerard hadden in die „Acht en dertig" wat bijzonders gezien en hem daarom laten betijen. Alles goed en wel, zult U opmerken, maar begin daar eens aan als ge een kotje van twintig duiven hebt en vijftig harde guldens per week ... Ik ben het er mee eens. Tegen de massa is niet te vechten. In Nederland zijn er reeds stemmen opgegaan om het spel met zestig en tachtig weduwnaars, plus de nodige nestduiven, te verbieden. Hoewel behorend tot de zg. „grote  liefhebbers" zijn de Cattrijsses sportief genoeg om te erkennen dat die lange staarten van prijzen louter ogenverblinding zijn en dat het weinig nut heeft, duiven te zetten, waar toch geen cent op gepould wordt. Twaalf concoursduiven zijn meer dan genoeg: de rest kan, bij de vijf liefhebbers op de duizend, die er méér meegeven, als bijduif mee. Bij een gesprek met dr Bom te Bilthoven, kwam het nogmaals op dat geduld bij de liefhebber en dat „willen pakken" - bij de kweekkoppels. Als doffer A niet pakt met duivin B en doffer C niet met duivin D, dan kan het, als ze van de goede soort zijn en geen al te grote erfelijke gebreken hebben, best gebeuren, dat doffer A kampioenen geeft met duivin D en doffer C met duivin B. en dat een kruising van de jongen uit deze koppels ook weer meteen lukt. Waar het om gaat is combinatiegeschiktheid.

„Als het maar niet wordt uitgelegd als een waardering voor het „principe" van vrij paren", merkte dr Bom hoofdschuddend op. Ik dacht te begrijpen wat hij bedoelde. „Niet op reageren, Lena....." zei ik. Het verhaal van de glorie der Gebr. Cattrijsse, de gedoodverfde wereldkampioenen 1950, begint dan in '26, een kwarteeuw vroeger.


De oude meester Charles Vanderespt te Oostende, Nonkel Charel en zijn "kozijnen",
de Gebroeders Vanderespt te Leffinge, de zonen van zijn overleden broer Jules

De stamvader was de „Grote Blauwe", die voortkwam van een geschelpte duiver van Jules Vanderespt te Leffinge, een dorpje niet verder dan vijf kilometer van Moere verwijderd. Jules, de broeder van de beroemde Charles, die zijn ganse leven bakker is geweest in de „Stuverstraete" te Oostende en die zich met de duiven huizen bezit verwierf. De moeder van Cattrijsse's „Grote Blauwe" was een blauwe duivin van Nesten Casteleyn te Gistel, ras Wegge-Vandevelde.

De „Grote Blauwe" werd gepaard met een duivin Decnop van Anderlecht en gaf een hele serie goede vliegers. Van deze dient in de eerste plaats te worden genoemd de duif waar bij de Cattrijsses alles om draait, de „Louis". Wat de reeds vermelde „Goliath" had gepresteerd in '26, namelijk het winnen van de 1e prijs op Angouleme te Brugge meester Geo Platteau, die onder de bomen zat te letten, was het die hem zag afkomen en alles in rep en roer zette, dat deed „Louis" een paar jaar later meerdere keren.

Na zijn 1e prijs Tours, wist ook hij op Angouleme te Brugge te zegevieren. En zijn broeders, de „Napoleon", de „Lange" en de „Kleine" deden wat dat betreft maar weinig voor hem onder. In 't bijzonder de „Napoleon" was een fameuze klepper. Maar wat hij kweekte was niet bij machte het voorbeeld van papa te volgen. Het is mogelijk dat de Cattrijsses er nimmer de passende duivin bij gevonden hebben, de kwestie waar alles van af hangt. En misschien hebben wij hier een geval dat de ene broeder een puike kweker is, terwijl de andere op dat punt van geen kanten deugt. Hetgeen, naar men weet, in de beste families voorkomt.

In '30 deden de Gebr. Cattrijsse andermaal een zet, die hen stempelt tot wat de Belgen noemen „fijne stielmannen". Zij kochten twee duivinnen van Alberic Deforce, bakker te Roeselare, en deden ze paren met de „Louis" en zijn broeder de „Kleine". En zie, het lukte in beide gevallen. De „Louis" gaf een serie extra-duiven, waaronder de „Cendré" (asgrauwe), de „Lange" (Jr), de „Kleine Blauwe" en de „Blauwe Bordeaux". Deze laatste vloog op de gedenkwaardige Bordeaux  „BeIgië-Holland" eveneens in de „tien eersten". En de „Kleine" gaf de gevreesde „Gebroken Poot", die op deze internationaal als tweede arriveerde en daardoor, samen met zijn maat, de eerste serie van twee in de wacht sleepte. Beide hebben zij in november '35 op de Antwerpse Kampioenendag, in de erestand gezeten. En het zijn er geen duizenden geweest, maar tienduizenden, waaronder ontelbare Nederlanders (de frank stond toentertijd niet hoog), die met ogen vol bewondering gedefileerd hebben voor deze wakkere knapen uit de West-Vlaanderen.

De „Gebroken Poot" heeft het bij deze mooie overwinning niet gelaten. Bij de eerstvolgende gelegenheid, de internationale België-Frankrijk op Angouleme, wist hij de „Blauwe Bordeaux" te overtroeven en glansrijk te gaan strijken met de eerste ereprijs ..... Zulke overwinningen waren geëigend om de naam der Gebr. Cattrijsse op aller lippen te brengen. In de jaren die volgden werd het een lawine van prijzen. Een lawine die voortduurt tot op de dag van heden.

Er is nog een belangrijk feit te vermelden met het oog op de evolutie van het ras en wel de aankoop, in '32, van een klein duivinnetje met wit plekske aan de kop, bij Leopold Lamote te Moeskroen. Voor de derde maal een meesterlijke zet van die „fijnaards" uit Moere, die voor 't gemak maar altijd met een lachend gezicht zeggen dat ze er „niet veel kennis van en hebben" ...... „Ziet", zegt Oscar en heel zijn wezen straalt van binnenpret, „dat duivinnetje van Lamote kost ik met goede winst verkopen aan een Hollandse vriend, Han Wassen van Rotterdam. Maar ik was hem te slim af. Het werd gepaard met de „Gebroken Poot" en 't gaf niets dan extra's, waaronder het „Goei Bolleken" en de gekende sproeten, de soort die nu nog onder onze „Akster" (ekster) zit." Als tweejarige duif in '38 won het „Bolleken":

4e Clermont te Gistel,
11e Dourdan te Diksmuide,
24e Orleans te leper,
7e Tours te leperen,
3e Angouleme te Oostende, in dubbel
12e provinciaal W. V. V. (810 d.),
3e Ruffec te Oostende, in dubbel 5e provinciaal W. V. V.,
1e Angouleme te Oostende, in dubbel 12e provinciaal W.V.V.,
10e Bordeaux te Oostende, in dubbel 10e provinciaal W.V.V.

't Bracht dat seizoen 23.507 frank naar huis, wat voor die slechte tijd een grote som was.

„Gij zijt onverbeterlijk," zei de chauffeur, een verse sigaar opstekend, „en 't ergst van al is, dat ge van zin zijt te volharden in de boosheid. Ge zoekt ons toekomend jaar zeker heel en gans onder tafel te vliegen." Wij keken eens om ons heen en zagen het huis vol trofeeën, alle gewonnen met de duiven, 't  meest van al trof ons een groot kunstwerk met een gewicht van 47 kg in brons, voorstellend een leeuw die een hert heeft neergeklauwd en nu op zijn beurt wordt aangevallen door een (reusachtig grote) adelaar. Het werd vervaardigd in 1919 door de Italiaanse edelsmid Antonio Amorcasti. Dit prachtig stuk,  aangekocht voor zesduizend frank, werd verspeeld in de West-Vlaamse Vereniging, als derby wisselprijs met de tweejarige duiven.

De voorwaarden om het stuk definitief in eigendom te krijgen, waren zo zwaar dat voorzien werd dat het heel lang duren zou eer een deelnemer er definitief beslag op zou weten te leggen. Daarom werd bepaald dat, indien het na tien jaar nog niet was gewonnen, er een zg. beslissingsmatch zou worden ingericht, tussen de winnaars van een punt op het kunstwerk onder elkaar. Deze zou dan hebben moeten plaats vinden, voor het jaar 1940. Maar de Gebr. Cattrijsse  lieten het zover niet komen. Zij maakten aan alle onzekerheid een einde, door de zonen van „Louis" in te zetten. In '35 wonnen zij de 1e en 2e prijs. En in '36  maar liefst de „vijf eersten" . . . Waarmee het pleit beslecht was.   Hoe laat het is, hoeft men in den huize Cattrijsse niet te  vragen. Er staan en hangen  régulateurs zo zwaar dat ge ze met man en macht niet tillen kunt en ze staan in alle kamers, tot op zolder toe. Hoeveel régulateurs, constateurs, velo's en  hespen (hammen) zij van hun leven al gewonnen hebben, daar zijn ze de tel van kwijt. Een van de ereplaatsen heeft de prachtige pendule in massief zilver van de S.T.B., die zij in 1950 wonnen.

De zonen van „Louis"

Dat waren geen katjes om zonder handschoenen aan te pakken. Ik weet er nog een te zitten in Lauwe, die moet nu zeker 17 jaar oud zijn, een mooie leeftijd voor een meisje. De Cattrijsses hebben toen eens een kruising gedaan met de fameuze Pau-duivin van Wardje Rasson te Espierres, 1e prijs nationaal Pau in '32, bij uiterst moeilijk vliegweer wegens „brandsmoor".

Ernest Duray van Ecaussinnes, die zowel in '30 als '31 de 1e prijs nationaal Pau had gewonnen (beide malen met zijn „Plume Blanche" die later voor vijfduizend frank verkocht werd aan de Schotse chirurg dr Anderson uit het mijndistrict Armadale en die ook in '33 de 1e prijs nationaal zou winnen met zijn „Ecaillé d'en Bas" kon er in '32 niet aan. Het was in het heldentijdperk van de Walen.


De woning die op een kasteel geleek en de weduwnaarshokken van Ernest Duray.
Vooraan tientallen "letters" toen Duray in 1933 de 1e nationaal Pau won.

Van de „Vlaamse Waal" Edward Rasson te Espierres, een grensplaatsje aan de Schelde tussen Doornik en Kortrijk, was het een kranig stukje hun zegetocht te hebben gestuit. Wacht even, zeiden de Cattrijsses, daar zitten ook goeie, daar moeten we bij zijn..... Mij werd eens gevraagd of die zoon van de „Louis" der Gebr. Cattrijsse met de Pau-duivin van Rasson, bij André Vanbruaene  zat. Dit naar aanleiding van een mededeling als zou de „nooit verslagen meester" van Lauwe, ras Cattrijsse op zijn hok hebben. Als het waar is, aldus briefschrijver, dan is dat wel een sterk argument voor uw overtuiging dat weinige edele  duivenfamilies het spel op de nationale concoursen beheersen! Huyskens-Van Riel en Vanbruaene hebben beide van het ras Molein te leper en nu heeft, naar het schijnt, Vanbruaene al voor de oorlog Cattrijsses ingekruist.

Het is inderdaad waar

In heel West-Vlaanderen was het een publiek geheim dat de  oude „Louis" met alle duivinnen kampioenen gaf. Hij was een van die zeldzame kwekers, die hun gewicht in goud waard zijn. „Ge kost er een krawaat tegen zetten", zei Gerard, „hij zou nog kleppers geven." André Vanbruaene wist het ook. En hij wist bovendien wat hem te doen stond. Hoewel nog zeer jong, was hij voorzichtig en tactisch als een ervaren diplomaat. Zijn voorzichtigheid had hem er altijd van weerhouden in zijn oog minderwaardig kruisingsmateriaal onder zijn „stierenras" te brengen: het fijnste van het fijnste was nog maar nauwelijks goed genoeg. Met tact en geduld, slaagde hij erin, een zoon van de „Louis" machtig te worden. Hij had zich met niets minder tevreden willen stellen. Acht maanden heeft het geduurd eer zijn volharding werd beloond. Het had ook acht jaar mogen duren, heb ik hem eens horen zeggen. Zijn „Tarzan", 1e prijs internationaal San Sebastian 1953 (225.000 frank), is er een kleinzoon van maar het betrof niet de zoon van de „Louis" met de duif van Rasson. Misschien was André van die kruising niet eens op de hoogte en als hij het al was, zou hij er toch niet „seffens ingesprongen zijn". Ik ken hem er wel voor, dat hij dan eerst het resultaat zou hebben afgewacht.... Neen, die 17 jaar oude zoon van de „Louis", waar ik van sprak zit in de volière bij Rudolf Verhoeve, groot koopman in de vlaswereld, die nog maar luttele jaren duiven houdt, doch van start ging met het winnen van de auto op ..... Barcelona. Goedkoper deed hij het niet. Al evenmin een sukkelaar dus als die andere bekende Lauwenaars van voorheen en thans: Desrumeaux, Stichelbaut, Deschamps-Vanhasten, Frans Cloots enz. Lauwe is een dorpje van zesduizend zielen aan de Leie, de „Golden River". Hoeveel duivenmaatschappijen er zijn, zou ik niet kunnen zeggen. Wel weet ik dat er zeshonderd duivensjarels wonen ..... die over 't algemeen geen kraaien hebben zitten. Maar om nog even op Ward Rasson terug te komen, ik memoreerde zijn prachtige prestatie om de zegetocht van dr Bricoux en Emest Duray de destijds ongenaakbare Walen, gestuit te hebben. Het was op 21 Juli '32 en er vlogen op de nationale Pau in de Entente Beige 2995 duiven. Beweerd werd dat West-Vlaanderen die dag het voordeel van betrekkelijk helder weergenoot, terwijl er in de provincie Henegouwen overal nevelhing.

Een feit is dat er meerdere West-Vlamingen aan de kop zaten, hoewel zij, wat het aantal deelnemers betreft, ver in de minderheid waren. Duray die in die jaren het zenith van zijn roem bereikte, begon die dag pas met de...... 13e prijs. Geen wonder dat er verontschuldigingen moesten worden aangevoerd. Het jaar daarop mocht de man van Ecaussinnes een schone weerwraak nemen. Dit record is zo geweldig dat ik niet aan de verleiding weersta het hier te vermelden.

Op Pau 1933 dan, in de Entente Beige vlogen 3341 duiven. Duray had 24 weduwnaars ingezet. Zijn cadrans wees de volgende constateringen aan: 9.13 - 10.42 - 10.47 - 10.54 - 11.04 - 11.19 - 11.37 - 11.47 - 11.53 - 11.54 - 11.57 - 12.18 - 12.27 - 12.31 - 12.39 - 12.53 - 12.57 - 13.55 - 14.40 en 16.51. Twintig prijzen nationaal: 1, 15, 20, 28, 51, 78, 112, 141, 142, 152, 211, 245, 255, 274, 324, 339, 507 en 640.

Ik ben verscheiden keren bij Duray op bezoek geweest om over zijn selectiemethoden te spreken. Hij achtte het totaal onmogelijk nog ooit een betere uitslag te  maken. „Ik gun het mijn vrienden dat zij mijn record verbeteren", zei hij glimlachend, „maar ik vrees dat het niet gemakkelijk zal gaan!" Die vrees is bewaarheid. Er schieten mij, terwijl ik er over nadenk, maar twee uitslagen te binnen die een vergelijking met Duray's wereldrecord kunnen doorstaan, namelijk de machtige prestatie van Huyskens-Van Riel op Liboume '49: l, 2, 3, 4, 6, 8, 9, 13, 18, 42, 46, 82 en 97 provinciaal, welke verpletterende uitslag meteen zowel het spel in de „Union" als provinciaal „kapot" maakte. Doublage nationaal, Entente Beige: 3, 7, 8, 10, 15, 24, 25, 44, 208, 237, 434 en 503 (2331 duiven). Huyskens-Van Riel  hadden 14 duiven gezet.

En dan die krachttoer van Leopold Bostijn van Moorslede op Pau 1950: 1, 2, 3, 4, 34 en 110 nationaal in de Entente Beige. De Pol had slechts zes duiven mee en  zijn eerstgetekende kwam bloedend door schotwond en zonder staart thuis (34e), zodat de uitslag voor hetzelfde geld nóg beter had kunnen zijn. Het jaar daarvoor immers had de „Zieke" nog de 8e nationaal St. Vincent gewonnen.

Ook na de grote verkopingen van Bricoux en Duray, hebben hun ongeëvenaarde rassen, vooral op de hokken van hun vrienden: Demil, Caramin, Chermanne, Massul enz. nog menige schitterende zegepraal bevochten, maar sinds 1932 was er toch een kentering ingetreden. De Waal Rasson van Espierres, in wat men daar gewoonlijk het Frans sprekende Zuid-Vlaanderen noemt, had aangetoond dat de ligging een tegenwicht vormde tegen de massa en (misschien) zelfs tegen de superioriteit der grote cracks uit de Walenpays. Mannen als Nestor Tremmery van Oudenburg, Charles Vanderespt te Oostende, de Cattrijsses en Oscar  Devriendt te Moere, de Depuydts te Aartrijke, de Duguffroys te Wingene, de Gebr. Vandenbosch te Tielt, Maurice Delbar te Ronse niet  te vergeten, enz. gingen meespelen in Brussel en men weet met welk resultaat.


Oscar Devriendt en zoon Maurits uit Moere

Om de keizer te geven wat des keizers is, wil ik niet nalaten te vermelden dat het ras Bricoux aan de basis ligt van de rassen Ernest Duray (Ecaussinnes), Cyriel Demil (Haine-St. Paul), Arthur Caramin (Chatelet), Oscar Blaimont (Couillet), Alfred Massul (La Louvière), Hector Desmet (Geraardsbergen), Charles Lossignol (Marchienne-au-Pont), Georges Chermanne (Chatelineau), Arthur Vandeneijnde (Roux), Joarlette (Lodelinsart), Paul Brochart (Luik), Paulin Pirmez (Lodelinsart), Paul Bernard (St. Servais) en vele anderen waaronder Nestor Tremmery te Oudenburg, Gebr. Danhaive te Basecles, alsook (hoewel in geringere mate) de sinjoren Horemans en Hermans.

Zie hier een uitslag met Bricoux-duiven op Chateauroux in '39, bij gloeiend heet weer en N.O.-wind. De provinciale  Chateauroux van de R.U.P. te Charleroi: de eerste duif maakte een snelheid van 974 meter.

Mijnheer Chermanne (Chatelineau):
1, 5, 6, 7, 23, 34, 37, 39, 40, 51, 52. 59, 60. 72, 73, 82, 99, 100, 102, 107, 117, 123, 125, 138, 147, 150, 151 en 166.
Mijnheer Caramin (Chatelet): 2, 4, 11, 12, 14, 30, 33, 41, 42, 55, 56, 67, 74. 80,93,111,121,122,140,159 en 165.
Dr Bricoux kon de geesten, die hij had opgeroepen, niet meer bezweren. Op z'n Brabants gezegd: Ze vlogen hem rats onder tafel. Nochtans werd van de dokter altijd beweerd dat het niet gemakkelijk was hem een goede duif „afhandig" te maken. Niet - aldus zijn intieme vrienden Stassart (Anderlecht) en Duray - dat hij ze anderen niet gunde. De moeilijkheid was dat hij er zoveel van hield dat het hem zeer zwaar, somtijds te zwaar viel, ervan te scheiden. Hij kon een half uur lang, besluiteloos met een duif in handen zitten, om de vogel daarna weer naar boven, op het hok, te brengen. Waarna de adspirant-kopers teleurgesteld naar huis konden gaan ...... 

In de periode '30—'40 werden met Bricoux-duiven de volgende nog altijd schitterende uitslagen behaald:

1930 Angouleme te Charleroi, nationaal, regen en N.-wind. Op de dag van lossing werd slechts één enkele duif geconstateerd. Een duif van Cyriel Demil, de „Bon Bleu" van '26 uit een koppel kwekers van dr Bricoux.
1930 Pau in de Entente Beige, nationaal: Ie prijs Duray te Ecaussinnes (ras Bricoux).
1931 Liboume te Charleroi nationaal. De eerste drie prijzen werden gewonnen door dr Arthur Bricoux te Jolimont.
1931 Pau nationaal Entente Beige: 1e prijs Duray te Ecaussinnes (ras Bricoux).
1931 La Couronne, nationaal, Luik en Charleroi: 1e prijs Arthur Caramin te Chatelet met een vale doffer van dr Bricoux.
1932 Angouleme nationaal te Brussel (Concours des As): 1e prijs Emest Duray te Ecaussinnes; 2e prijs dr Bricoux te Jolimont.
1933 Angouleme des As, nationaal Entente Belge te Brussel: 1e prijs Oscar Blaimont te Couillet met een vale Bricoux van '29, uit de „Malade". In '45 leefde hij nog en hij droeg zijn ouderdom met fierheid.
1933 Pau nationaal Entente Beige: 1e prijs Emest Duray te Ecaussinnes.
1934 Angouleme des As, nationaal Entente Beige: 1e prijs de onbekende liefhebber Raoul Horgnies te Jolimont met een pure Bricoux.
1935 Limoges nationaal Entente Beige: 1e prijs Oscar Blaimont te Couillet. Ditmaal met een andere pure Bricoux, uit een zuster van de Jules Cesar.
1936 Angouleme nationaal Entente Beige (2325 duiven): 1e prijs Alfred Massul te La Louviere, met een pure Bricoux, genaamd de „Korporaal".
1937 Angouleme nationaal Entente Beige (2381 duiven): 1e prijs met acht minuten los, Hector Desmet te Geraardsbergen met een rode Bricoux, genaamd „1e  Bossu" (in 't Vlaams: den Bulte).....
1938 St. Vincent nationaal Entente Beige: 1e prijs dr Bricoux te Jolimont. Zware vlucht. Slechts enkele duiven wisten 's avonds hun hok te bereiken.
1939 Angouleme des As, nationaal Entente Beige: 1e prijs Octave Huet te Falmignoul, met een Bricoux-Tremmery.

Tien jaar later:
1949 St. Vincent nationaal Entente Beige. Huyskens-Van Riel zetten een kapitaal geld te Luik en winnen aldaar 1e en 3e prijs. Zij constateren 's zondagsmorgens rond 8 uur.
Er is echter 's zaterdagsavonds (nationaal te Brussel) binnen sluitingstijd, één enkele duif thuisgekomen in België. De rode doffer van Robert Dubie te  Quaregnon. Ik maakte er een speciale reis voor om deze nestduif (op stouwen) te gaan bekijken. Had hij in Luik gestaan „voor heel de stad Brussel" dan had hij , twee uur los zittend, in zestien rallianten, zijn baas een halve ton kunnen opbrengen. Maar die baas was maar een kleine liefhebber, een invalide koolputter in de oude mijnen van Mons.

En die rode doffer? Een Bricoux-Demil-Caramin, van het zuiverste water. Anders gezegd: een pure Bricoux van Jolimont. De beste, na-oorlogse grote-fondduif is de „Rode Barcelona" van de Gebr. Danhaive te Basecles. Van welk ras hij is geef ik U te raden. De West-Vlamingen moesten dus van goeden huize komen.

U zult wellicht vragen: Hebben de Cattrijsses, die toch de sterkste fondspelers geweest zijn van België in de jaren '45—'50, nimmer een uitslag gemaakt die met die van Bricoux en Duray, Huyskens-Van Riel en Bostijn, kan worden vergeleken ? Ik laat het oordeel aan de lezer over:
30 Mei '48, Orleans te Roeselare, provinciaal West-Vlaanderen: 5. 6, 7, 8,9,11,16,18,23,26,28,33,38,50,64.69, 71, 76, 77, 81, 85, 86. 94, 100, 116, 129, 134, 13.8, 170, 191, 195, 241 en 261 (in concours 1210 duiven).
Weliswaar is dit maar een provinciaal concours maar vergeten wij niet dat het „kruimke" der West-Vlaamse favorieten present was en dat de strafste duiven van het ogenblik in West-Vlaanderen zitten.

Nu ik toch bezig ben met uitslagen, wil ik er nog één bij doen. Wat denkt U van een resultaat als dat van André Vanbruaene op Liboume internationaal 1949 ? Met vier duiven mee wint hij, tegen 9071 duiven: 2, 9, 56 en 84. De „Goede Zwarte" en „Coppi", die beide voor heel de stad Brussel vlogen, voorop.....