Cattrysse Gebroeders (Moere, BE) opgetekend in 1951 - Deel I

Wanneer ge een Belgisch liefhebber, die min of meer op de hoogte is van de strijd der grote bazen op het nationale plan, d.w.z. op de fond, de vraag stelt wie, zijns inziens, in de naoorlogse jaren het sterkst en regelmatigst hebben gespeeld, met andere woorden wie de ware kampioenen van België en daarmee de wereldkampioenen van deze tijd zijn ...

dan zal hij U, onverschillig of hij in Kortrijk woont, in Hasselt, Verviers of Charleroi, zonder aarzelen enkele namen  noemen. De namen van de Gebr. Cattrijsse en Oscar Devriendt te Moere, Huyskens-Van Riel te Ekeren-Donk en André Vanbruaene te Lauwe (bij Wevelgem).

Vele sporten kennen haar nationale en wereldkampioenschappen. Nemen wij bijvoorbeeld de wielersport. In '47 was Fiele Middelkamp van Kieldrecht  wereldkampioen op de weg, na een moordende race op het circuit van Reims, onder een koperen ploert die het asfalt op de Franse steenwegen deed smelten. Het jaar daarop, en in 1950, was het „ijzeren" Brik Schotte, de machtmens van Waregem, die toch zo lelijk op zijn fiets zit, „te lelijk om te helpen donderen", gelijk ze in West-Vlaanderen zeggen.


Gerard en Oscar Cattrysse

Maar behalve in de wereldkampioenschappen te Valkenburg en te Moorslede, op werkelijk weergaloze wijze door de sterke West-Vlaming gewonnen, is Schotte bovendien kampioen geweest in een kampioenschap waarbij andere maatstaven golden en het is de vraag of bedoelde titel niet van nog groter intrinsieke waarde is dan de titel van wereldkampioen. Ik bedoel zijn eerste plaats in de rangschikking Colombo-Desgrange. Die rangschikking immers wijst de beste man aan, niet van een enkele wedstrijd, maar van een heel seizoen. Ook in tenniswereld bestaat een dergelijke rangschikking, er zijn er zelfs meerdere: de bekendste is vanouds die van mr Wallis Meyers. Van de vele kampioenschapstelsels die in de duivenliefhebberij werden uitgedacht, zijn er maar weinig of beter gezegd, is er niet een, dat algemene bevrediging schenkt.

De groepering Cureghem-Centre organiseert telkenjare een serie fondvluchten (met als klap op de vuurpijl Barcelona „per ijzeren weg"), waaraan een  populair kampioenschap verbonden is: de officiële titel van Kampioen van België, plus 25.000 frank „baarden". Dit om duidelijk te doen uitkomen dat er niet  om de keizer zijn baard gespeeld wordt. Ten einde de titel Kampioen van België te beschermen en te vrijwaren tegen „misbruik" door andere, concurrerende   groeperingen, hebben de inrichters het lumineus idee gehad, hem te deponeren, zoals men bv. een   zaak of merk laat inschrijven bij het Handelsregister!   Daarnaast is er de Entente Beige, een groepering, die altijd veel goodwill heeft gehad. Voorzitter is de heer Jules Lenoir te Lessines, de knappe organisator, die ook het Sportief comiteit van de B.D.B, presideert.

In '49 waren de Gebr. Cattrijsse van Moere „Kampioenen van België" in Cureghem-Centre. Hun ongenadige tweestrijd met Oscar Devriendt, eveneens van Moere, was rijk aan spanning en werd pas in de laatste uren van de laatste vlucht, namelijk die op Limoges met de piepers beslist. In de Entente Beige lezen wij geheel andere namen. In '49 die van André Vanbruaene, de gevreesde stierenvechter van Lauwe en in '50 die van de sympathieke Daniel Labeeuw, een kleine liefhebber uit het kleine Bissegem bij Kortrijk, die speelt met overwegend het ras Stichelbout van Lauwe. In '49, toen Luik met alles weg was op Chateauroux (5000 d.) in de „Soutien" (men denke aan de verpletterende nederlaag die St. Elooi te Gentbrugge toen opliep  tegen Peeters-Beaufort van Herve) waren het niettemin Labeeuw en Vanbruaene, twee West-Vlamingen die de twee eerste prijzen nationaal wonnen. En dan was er nog een derde belangrijk kampioenschap, met als sluitstuk een grote liefdadigheidstentoonstelling het Salon van de Belgische reisduif in de Salle de la Madeleine te Brussel.

Het denkbeeld van dit kampioenschap, alsook het systeem van puntenberekening erbij gebruikt zijn van, resp. werden uitgewerkt door schrijver dezes.

In '49 kwamen als Algemeen Kampioenen (over de drie kategorieën vitesse, halve-fond en fond) in deze volgorde uit de bus: Huyskens-Van Riel, Vanbruaene, Gebr. Cattrijsse. In '50 schoven de Cattrijsses op naar de eerste plaats en zakten Huyskens-Van Riel af naar de derde. André Vanbruaene handhaafde zich als goede tweede. De algemene opinie in België is dat dit laatste kampioenschapstelsel de actuele krachtenverhouding het best weergeeft. Onnodig te zeggen dat de namen van al deze kampioenen, wat men noemt „in the headlines" zijn. Iedereen wil weten hoe zij het aan boord leggen om jaar in, jaar uit, zo geweldig uit te pakken. Men is nieuwsgierig naar hun ras van duiven, hun kweekprincipes, hun weduwschapmethodes, hun voederregimes enz. Ook in Nederland is de belangstelling  voor nieuws en actualiteiten over de grote Belgische kampioenen groeiende.

Wie zijn de Gebr. Cattrijsse en waar ligt Moere?

Ik zal de tweede vraag het eerst beantwoorden: dat zal verreweg het makkelijkst gaan. Als ge van Oostende de grote baan naar Torhout en Roeselare (waar Guido Gezelle de beste jaren van zijn leven sleet) oprijdt, dan passeert ge voorbij Leffinge het kanaal Nieuwpoort Passendale en op het kruispunt van steenwegen bij Gistel ziet ge van ver het café „Au Tourmalet" van Sylveer Maes.

Ik raad U aan er eens af te stappen. Sylveer is niet de eerste de beste en hij tapt een lekker potteken bruine, 't Hangt er vol foto's en trofeeën, die de herinnering levend houden aan de  glorie der Flandriens van Karel Van Wijnendaele, aan de schoonste overwinningen in de zware bergétappes van de Tour de France. Félicien Vervaecke, die van Menen is, Sylveer's trouwe metgezel en medestrijder in de worsteling tegen de Fransen en Italianen van die tijd, en evenzeer tegen de grimmige natuurelementen, deelt in de glorie. Boven de toog hangt een foto, waarop ge de beide ijzeren West-Vlamingen ziet afgebeeld, elkaar omhelzend met beslijkte gezichten en bijna onherkenbaar van de gedane inspanning, ergens aan de meet in een stadje in de verre Pyreneeën, na een van die schitterende heldendaden, die onvergankelijke hoogtepunten zijn in het zo rijke vlaamse wielerleven. Niet ver vandaar ligt Moere.

Het is maar een klein gehucht van twaalfhonderd zielen, midden in het boerenland, drie uur gaans van de parel der Belgische badplaatsen. Als ge van de grote weg gekomen zijt en de ellegoedwinkel van Oscar Devriendt gepasseerd, moet ge links afdraaien bij het kerkje en ge zijt in de straat waar Gerard en Oscar Cattrijsse wonen, naast elkaar, eerstgenoemde in een nieuwe villa van geglazuurde gele baksteen, en waar zij hun bedrijf van grossiers in grutterswaren  uitoefenen. Het minstens twintig meter lange pakhuis heeft een hoog oplopend dak. Hoog onder dat dak, over de hele lengte van de schuur, zijn de duivenhokken gebouwd, op een vrije vliering. De uitvliegramen liggen in een rij, hoog en droog, slechts een paar meter van de vorst en...... pal op het Noorden! Behalve Oscar en Gerard zijn er nog twee gebroeders Cattrijsse. Jules woont eveneens in Moere maar zit niet in de combinatie. En in Diksmuide woont Georges Cattrijsse, die eveneens een bloeiende groothandel in koloniale waren drijft en hartstochtelijk duivenspeler is, maar die, naar eigen getuigenis, met een hok vol van de goede soort uit Moere, tot zijn leedwezen geen prijs kan spelen ..... Deze anecdote is wel een frappante illustratie van het feit, dat men om kampioen te worden, niet kan volstaan met zijn hok te bevolken met duiven van de soort. Er komt (gelukkig) ook nog wat anders bij kijken.

Wij zijn dus in Moere. De Gebr. Cattrijsse behoren tot de welgestelde ingezetenen. Zij hebben er hard voor gewerkt en dat doen zij nog altijd. Gerard zit op zolder bij de knechten die bezig zijn een camion te lossen. Balen en kisten worden naar boven getakeld. Maar hij heeft de portieren van onze „voituur" al  gehoord. Zo stil is het in deze kasseistraatjes van Moere, waar de hooggestengelde, bonte zomerbloemen op een septemberdag uit duizend als deze, in de Vlaamse hoven staan te pralen onder een klaar blauwe hemel, doorschoten van zonnevuur, dat elk ongewoon geluid hier bijna profaan klinkt. In de smidse zingt de hamer en er dokkeren in Moere nog altijd meer boerenkarren aan vijf kilometer per uur, dan gestroomlijnde, afstandverslindende robots van het moderne snelverkeer.

Daar komt Gerard al af. Hij ontbloot het hoofd ter begroeting, deze bescheiden kampioen van België op de grote nationalen. Wij gaan binnen. Een propere keuken met schone plavuizen: 's landswijs, 's lands eer. Oscar is in de geburen maar hij weet van onze komst; hij is reeds daar. Over en weer worden kwinkslagen gemaakt, vragen gesteld en uitleg gegeven. Ik heb al menigmaal aan deze tafel gezeten en even zovele malen is mijn blocnote er aan te pas gekomen. Nu zijn er weer nieuwe, geweldige uitslagen te noteren. De Cattrijsses teren niet op oude roem. Alle jaren worden er verse lauweren geplukt, al bijna dertig jaar lang.

„Komaan", zegt Oscar goedgeluimd, „als ge dan het fijne ervan moet weten, zullen wij maar beginnen bij het begin. Van sinds wij begonnen zijn met de duiven en hoe wij gevaren hebben." Toen de eerste wereldbrand was uitgewoed, begaf de soldaat Gerard Cattrijsse zich naar de brouwer Jef Hermans van Luythagen en kocht er een koppel  jongen voor de prijs van 110 frank. De Cattrijsses hebben met deze duiven geen succes gehad. Zij hebben ze, wat altijd gebeurt, als 't niet pakken wil, er uit moeten doen. Ik wil dit voorval nochtans vermelden, om twee  redenen.

Vooreerst omdat er tussen de oude burgemeester Hermans en de Cattrijsses door de jaren heen, ook al hadden zij dan weinig omgang met elkaar, een zeer goede verstandhouding is gegroeid, gebaseerd op waardering voor de prestaties hunner wederzijdse duiven. En dan nog omdat de Cattrijsses tenslotte „eerst recht goed vertrokken zijn" met een duivensoort die, zoals bij nader onderzoek blijkt, nog tamelijk nauw verwant is aan het oude ras van Hermans, d.w.z. voordat de Bricoux erbij kwamen, die Hermans' naam, de laatste jaren voor de oorlog, op aller lippen zouden brengen.


Mevr. Oscar Cattrysse

Ik zal U vertellen hoe dat in zijn werk gegaan is

In '22 kochten de Gebr. Cattrijsse bij Jules Vanderespt te Leffinge een koppel geschelpte jongen uit diens fameuzen „Blauwen", die reeds als jong acht eersten won en „ook achterna een „aas" bleek op alle drachten....."

Jules Vanderespt had zijn „Blauwen" getrokken uit eieren van de bloemenkweker Fons Vandevelde te Waregem. Dat was op de dag van „Ons Heren   Hemelvaart" in'19. Jules zou het nooit vergeten. Hij kocht een koppel eieren voor honderd frank van gewone duiven en een koppel eieren van zogenaamde extra's, die het dubbele moesten kosten. Maar, zoals het dikwijls gaat, de jongen uit de extra's „braken geen potten", noch brachten zij iets deugdelijks voort. De jongen  van het gewone koppel daarentegen, vlogen geweldig. Het zijn de „gewone" duiven geweest, die Jules Vanderespt en zijn zonen, de Gebroeders aan de spits der liefhebberij hebben gebracht.

De stiel leerden de Cattrijsses van niemand minder dan Charles Vanderespt die eenmaal de eretitel van „Koning der Vlaanderen" zou verwerven. In de periode van '23 tot '35 won de „Charel" zo maar even 4635 prijzen. In '34 won hij er 492 en in '35 518, samen 1010 prijzen. In deze beide topjaren won hij niet minder dan 53 eersten, plus een camion aan serieprijzen. Hij speelde letterlijk alles wat hij wilde, zowel op Bordeaux als op Arras. De kroon op het werk was zijn 1e (en 11e) prijs internationaal Bordeaux België-Holland in 1935, bij buitengewoon „hard" weer. Charles Vanderespt was, en is nog, een groot duivenkenner, die nooit „schrik gehad heeft van te kruisen".

In '23 lazen de Cattrijsses een bericht in de „Soir", thans nog de grootste Franstalige krant van België, dat zekere Pierre Decnop te Anderlecht, „de drie eersten kwam te winnen op Dax". Zij trokken er op aan en kochten van Decnop een koppel jongen van diens beste kwekers voor de som van vijfhonderd frank. Wat nogal veel was in die tijd ..... En zij beproefden een kruising Vanderespt-Decnop, die tegen alle hooggespannen verwachtingen in, totaal mislukte. De jongen uit die kruising gekweekt, wilden niet vliegen, ofschoon hun toch de kans geboden werd, tot in hun derde levensjaar. Nochtans moest er aan de kwaliteit van de geschelpte doffer van Jules Vanderespt niet getwijfeld worden. Met een duivin van Windels van Grammene bv. gaf hij de „Goliath", die terstond aanpakte en vooral sterk vloog op de grote drachten.

Merkwaardigerwijs kon hetzelfde gezegd worden van de duivin Decnop, want nadien, met een zoon van de geschelpte Vanderespt, lukte het eveneens, er sterke vliegers van te kweken. Hier zien wij dus een der (ontelbare) gevallen dat een kruising tussen zichzelf uitmuntende kweekduiven van de fijnste bloed stromen niet pakt.


Gerard bij de kweek- en weduwnaarsduivinnen

In '26 deden de Gebr. Cattrijsse een zeer fijne zet, die de beslissende wending ten goede bracht en waar ze in later jaren nog menigmaal met voldoening aan konden terugdenken. Bij Emest (Nesten) Casteleyn te Gistel kochten zij een magnifieke blauwe duivin. Zij werd gepaard met de geschelpte Vanderespt en gaf een formidabele blauwe doffer, genaamd de „Grote Blauwen". En met deze grote blauwe begint het verhaal van de glorie der Gebr. Cattrijsse van Moere, de wereldkampioenen 1950 in de duivensport.
„Wijlen Nesten Casteleyn" - zo lees ik in een oud nummer van „De Noordduif" te Maldegem - „is een onzer roemrijke voorgangers op de fondvluchten. Zijn ras heeft veel bijgedragen tot opbouw en versterking van menigvuldige West-Vlaamse hokken. Jaren aan een stuk won hij zijn fondkampioenschappen; inzonderheid in 't lokaal Milliet te Diksmuide was hij een baas."

Zijn ras had hij opgebouwd uit duiven van Vandevelde van Oudenburg. Drie duivinnen bezat hij uit de „Velo", twee jongen uit de „Oude Vullen" (die ook de vader was van de gevreesde „Wittekop" van Nestor Tremmery), twee duivers uit de „Oude Groten", een duivin uit de „Oude Elfpen", de zuster van Vandevelde's „Napoleon" enz. Casteleyn kon er doorgaans gemakkelijker aankomen dan een ander; hij hielp Vandevelde's duiven mee verzorgen en was ook meestal degene, die ze ging inkorven. Hij verkeerde dus in dezelfde positie als Jef Horemans (de broer van Corneel) destijds bij Vincent Marien, de keizer der Antwerpse duivenliefhebberij in de jaren '25—'30. Casteleyn had zijn Vandeveldes (geen zuiver ras, omdat Vandevelde veelvuldig „croiseerde"), nog verrijkt met duiven van Charles Pauwels te Sas van Gent (ras De Ridder van Dendermonde, dat in hoofdzaak Wegge-De Herdt was!), Henri Christeijns te Beveren-Oudenaarde en Alfons Blondeel te Waregem (die overal de beste kocht). Volgens de gegevens uit de nomenclatuur van de gedeeltelijke verkoping van Nesten Casteleyn in '22, bezat hij zelfs nog ras van Gits en .... .Ulens!

Welk een kwaliteiten Casteleyn's beste duiven hadden en hoe gemakkelijk zij voortzetten, wordt behalve in het geval Cattrijsse, nog overtuigend bewezen op het hok van burgemeester Boels van Stene-Conterdam (Oostende). Zijn blauwe Barcelonavliegers (1e prijs internationaal 1951) stammen nog af van oude  Vandevelde-Christeijns van Ernest Casteleyn van Gistel.

Wat ik hier schrijf is een verhaal van successen

Degenen, die deze successen wisten te behalen, hadden zelf ook uitnemende kwaliteiten, als fokkers en als spelers. Bovenal hadden zij geduld. Wij zagen dat bij de Cattrijsses, in eerste aanleg, een kruising tussen op zichzelf uitmuntende kweekduiven van de fijnste bloedstromen, niet pakte. Ruim zulke duiven nog niet direct op is de lering, die wij er uit kunnen trekken. Mij werd eens gevraagd, dit gegeven wat nader uit te spinnen en zo mogelijk met voorbeelden toe te lichten. Met genoegen voldoe ik aan dit verzoek.

Onlangs zaten wij te Brussel in 't Cocqske aan de Marché aux Charbons, in goed Vlaams de Koolmarkt, de Duc Saeremans was er toen nog kastelein; nu is hij (met een hart vol heimwee) verhuisd naar Dendermonde, waar hij een limonadefabriekske begonnen is, en wij schoven onze zetel bij een gezelschap duivenmelkers, waarvan er een stuk of drie, vier de zeven kruisjes al ver gepasseerd leken te zijn. Bij zulke mannen kunt ge altijd anecdoten uit de goeie ouwe tijd vernemen, ge hebt niets anders te doen dan te luisteren. Een van hen, met deftig voorkomen en witte hangsnor, was de vaste klant Fichefet (bekend van zijn poeder nummer 2) die inmiddels uit de tijd is en een andere was een West-Vlaming die al jaren in Brussel woont, maar wiens naam ik vergeten ben.

Het gesprek ging over meester Theo Vandevelde van Oudenburg. Over zijn legendarische stielkennis en onuitputtelijk geduld met duiven waar hij wat in zag. „Alswanneer ge goed wilt spelen en blijven spelen," was Vandevelde's stelregel, „moet ge er veel kweken en veel leren." Met andere woorden: het geheim der kampioenen is de kweek ..... van een massa duiven van de goede soort, die ge alle grondig moet opleren en die ge vooral niet te vlug moet opruimen. Onder zulke voorwaarden komen de kampioenen uit „doffer toeval" met „duivin geluk" .....

Die massa moet natuurlijk van de goede soort zijn. Dan worden er altijd koppels gezet waarmee het roos is. Met een massa eksters komt er niets van terecht. De Cattrijsses hadden geduld in de overtuiging dat zij de goede soort op hun hok hadden. En in de simpele zekerheid dat er van een goeie pereboom alle jaren wel een stuk of wat bijzonder goeie peren komen. Zij hebben niet alleen geduld in de kweek. Met inzicht, voortvarendheid en geduld hebben zij ook hun resp. zaken opgebouwd. En met hetzelfde geduld leren en spelen zij hun duiven.

In de winter van '46 verkocht Jef Hermans van Luythagen al zijn zogenaamde „oorlogsduiven"; er werd een recordprijs voor besomd. Voor zichzelf behield hij alleen de piepers. Er zijn meer bekende liefhebbers geweest, die zich de weelde gepermitteerd hebben de totaliteit of het gros hunner oude duiven onder de hamer te brengen. Dr Bricoux deed het in de winter van '30, Duray in de winter van '33. In de jaren voor zij hiertoe overgingen, zaten deze machtige Waalse kampioenen op rozen; in de jaren erna waren het meer doornen dan wat anders. Bricoux werd er nerveus onder, zijn duiven op andere hokken zo geweldig te zien marcheren en zelf niet meer heer en meester te zijn op de grote nationalen. Hij ging andere duiven bijhalen, iets wat hij in lange tijd niet had gedaan, o.a. bij Franz Hentges van Luxemburg-Bonnevoie (blauwe Collins van Hoignee), die hem echter niet het verhoopte succes brachten. (Ik moet hieraan toevoegen dat er nog andere factoren in het spel waren, die mij in dit verband te ver zouden voeren.)

Jef Hermans daarentegen, geconfronteerd met dezelfde moeilijkheden, zij het wel op enigszins ander niveau, bleef rustig. In de jaren '46, '47 en '48 was de Antwerpse kampioen geen schaduw van wat hij de laatste jaren voor de oorlog was geweest. In '49 ging het al beter. Hij ging zijn oude vrienden in Lier een goeie dag zeggen, naar ik meen op Cormeilles of omtrent (wijd spelen ze in het stadje van Pallieter niet) en hij draaide er vijf in de tien eersten ...... „Dank U wel, mijnheer de burgemeester", zeiden de „schaapjes" in Lier, „en met Uw gezondheid is het dus nog goed . . .." En in '50 blies hij op sommige vluchten, met dezelfde duiven, alleen maar een dagje ouder geworden, in de Union weer een aardige partij. Tegen Huyskens-Van Riel en de Gebr. Marissen moest hij het weliswaar ver afleggen, maar hij kon toch weer meedoen met de mensen. Hermans is altijd een beter kweker geweest dan speler.

En de Cattrijsses? Zij zouden nooit de fout begaan hebben hun oude kwekers op te ruimen. Die oude radjah's zijn voor geen goud te koop. Evenmin om cracks in de fleur op  Barcelona te zetten. Wel Bilbao of Santander, maar niet de Oostkant.

Daar zij over geweldige duiven beschikten en een 70-tal van de beste hadden kunnen redden, begonnen zij na de oorlog al aanstonds sterk te spelen. In '46 was al te zien wat er zou gaan gebeuren. En dat ondanks het feit dat de Cattrijsse-duiven over 't algemeen langzaam „ontwikkelen".