Van der Wegen, "Het Oud Doffertje - De absolute stamvader"


Om een passende doffer te zoeken voor de "Oude Donkere Kweekduivin" ging Janus in 1957 naar de Ron. Hun "Blauwke" en "Vaaltje" hadden door hun prestaties grote indruk op hem gemaakt. Trouwens, wie was er niet onder de indruk? Het "Vaaltje" won in 7 jaar 14 nationale prijzen op St.Vincent en Dax. Een 9e en 11e nationaal waren de vroegste prijzen van die 14. Het "Blauwtje", twee jaar ouder dan het vaaltje, was nog beter.Niet qua aantal prijzen, maar ze vloog regelmatiger aan de kop. Van haar 12 overnachtprijzen waren er 8 in de eerste honderd van de Nationale concoursen St.Vincent en Dax, te weten : 10e 13e 16e 17e 20e 22e 51e en 86e. Er zullen in de Nederlandse fondhistorie maar weinig duiven zijn met zulke referenties. Van der Wegen wilde een doffer uit dit fameuse "Blauwke", maar stootte zijn neus. De mannen van de Ron hadden niets meer te koop uit hun wondere vliegduivin. Ook uit het "Vaaltje" niet, en Janus kon onverrichterzake naar huis. Toch was hij zo snel niet uit het veld geslagen.

Er zaten nog meer cracks in zijn woonplaats. Zoals het "Oud Blauwke" dat in 1959 gedwongen naar het kweekhok verhuisde wegens een manke vleugel. Ze was eigendom van de groenteboer Antoon Ligtenberg, die in die jaren ontegenzeggelijk de beste fondduiven van Steenbergen en ver daarbuiten bezat. Dat "Oud Blauwke" vloog tien keivroege prijzen op St.Vincent en Dax. 5 keer in de eerste tien van Steenbergen. Ook de "Witpen doffer" van diezelfde Ligtenberg was zo'n krachtpatser. Hij miste nooit en werd bovendien duifkampioen van de Vliegsport". Zijn beste vliegduif was echter de beruchte "10". Zij was één van de vele extra duiven die Toon Lightenberg uit zijn fameuse kweekkoppel fokte. Als van der Wegen dan niets uit het "Blauwke" van Ron kon bemachtigen, dan moest het toch minstens van diezelfde kwaliteit zijn. Van dat fameuse kweekkoppel van Lightenberg bijvoorbeeld.

Onaangekondigd stapte hij daarom naar de Steenbergse groentenboer en stond 5 minuten later al op diens hok. Alle duiven lagen net met grote jongen in het nest en Lightenberg bood zijn clubmaat aan om er één uit te zoeken uit alle jongen die bij de vliegduiven lagen. Gratis nog wel. Janus sloeg dat mooie aanbod af en vroeg naar het bekende kweekkoppel. De eieren, die in de schotel van dat koppel lagen waren echter beloofd aan Lightenberg's broer. Na lang aandringen kreeg van der Wegen het voor mekaar dat hij de twee eitjes mee naar huis mocht nemen. "Gouden" eitjes zoals later zou blijken. Er sproten 2 doffers uit beiden klein van stuk, maar wel rassig tot en met.

Van der Wegen had er vertrouwen in en koos het kleinste doffertje, dat de mooiste ogen had als partner voor de "Oude Donkere Kweekduivin". Dat kleine doffertje met zijn zijdeachtige verenpak droeg ringnummer H-58-314753.

Antoon Lightenberg zal er nog vaak spijt van gehad hebben dat hij juist die twee laatste eitjes van 1958 uit zijn kweekkoppel niet zelf gehouden heeft. Dat kleine donkere doffertje werd de stamvader van 's werelds meest beroemde fondkolonie aller tijden en kreeg na een meer dan verdienstelijke kweekkcarrière zijn naam "Oud Doffertje".
Met de nestbroer van deze unieke kweekvader had van der Wegen minder geluk. Hij werd als jaarling verspeeld van het hok en keerde nooit meer terug. Volgens plan koppelde Janus het "Oud Doffertje" aan zijn "Oude Donkere Duivin". Steenbergen stond toen bekend om de "gouden koppels" maar de koppeling die van der Wegen maakte overklaste alle voorgaande van zijn stadsgenoten.
Elk jong, en dat waren er veel, die het "Oud Doffertje" met diverse duivinnen schonk waren een aparte klasse, als kweker en kweeksters, maar niets minder als vliegduiven.
Thans is er op het hok van der Wegen geen enkele duif, waarin het "Oud Doffertje" niet in de stamboom voorkomt. Dat zegt meer dan genoeg.
Terug naar de ouders van deze stamvader van het ras van der Wegen.

Het kweekkoppel van Lightenberg dus :
Frans Geertse, beter bekend als de "Motjo", waar die bijnaam ook vandaan mag komen, had de doffer van dit Lightenberg-koppel geleverd. Een driekwart Aarden, aangevuld met 25 % Delbar bloed via Dekkers uit Bergen op Zoom.

De moeder van het kweekkoppel was een bonte duivin, die gekweekt werd door Jan Aarden en die Toon Lightenberg daar zelf als ei had gehaald.

Het "Oud Doffertje" was dus van edel fondbloed. Hij was de beste kweekduif die het koppel van Lightenberg ooit gaf. Anderen vlogen met de jongen van dat koppel en niet zo zuinig ook. Lightenberg zelf natuurlijk, maar ook van Agtmaal en zeker niet te vergeten Piet Lazeroms uit Zegge. Zij schitterden met neven en nichten van het "Oud Doffertje" op de zwaarste overnachtvluchten.Toch heeft Janus van der Wegen nooit geen spijt gehad, dat hij nooit met het "Oud Doffertje" aan de vluchten heeft deelgenomen. een kweker van zo'n kaliber wordt maar eens in een mensenleven geboren en wat zijn nazaten op Nationaal vlak presteerden grenst werkelijk aan het ongelofelijke.

We noemen maar eens enkele van de onvolprezen cracks, rechtstreeks gekweekt uit het "Oud Doffertje". Allereerst is daar natuurlijk "De Lamme". Vervolgens stervliegers als de "86", de "Angoulème", de "71", de "Daxduivin", de "61", de "52", de "Witpen", de "Schrale", de "74", kortom een serie overnachtduiven die nergens in de wereld zijn gelijke kent. Over de vele goede kleinkinderen zoals "De Barcelona" praten we dan nog niet eens.



De "Lamme", naast zijn vader , het "Oud Doffertje", een der belangrijkste duiven die ooit op het hok van der Wegen vertoefde. Na een glansrijke carrière als vlieger bracht hij Janus van der Wegen onsterfelijke roem door zijn kweekwaarde, die het best naar voren kwam in zijn zoon, de "Barcelona"

Het "Oud Doffertje" stierf in 1979, op 21 jarige leeftijd. In 1977 gaf hij zijn laatste jong.

"Het was een vreemde duif met dito eigenschappen", memoreert Janus van der Wegen. Als een echt juffertje, zo liep hij over de vloer en in zijn vijfde levensjaar ging hij voor het eerst in het bad, dat wekelijks werd gereedgezet.

Een opvallende verschijning dus, maar maar welke goede duif is dit eigenlijk niet ? Allemaal hebbben die echt superduiven aparte manieren. Het "oud Doffertje" was wel ijzersterk. Zijn bereikte ouderdom zegt daaromtrent genoeg. Tot op zijn 18e levensjaar schopte hij jongen op de wereld, ook al geen alledaags verschijnsel. De "Oude Stichelbaut" van Jos Mees uit Kapellen deed dat ook en ook die donkere doffer was een stamvader van goudwaarde. De meeste jongen gaf het "Oud Doffertje" met 3 verschillende duivinnen. Allereerst was dat de "Oude Donkere Duivin", hoewel dat feest niet lang duurde. In 1960 sneuvelde ze op een loodzware St.Vincent.

Janus van der Wegen had er tot op dat moment 12 jongen uit gekweekt. Twee ervan verkocht hij, maar de andere waren stuk voor stuk toppers van de bovenste plank. Het waren de "Lamme", de "61", de "Angoulème", de "71", de "Dax-Duivin" en de "86" en nog enkele, mindere beroemde.

Laatstgenoemde was de mooiste zoon van het "Oud Doffertje". Hij won 19 fondprijzen met als voornaamste 12e Nat. St.Vincent, 19e Nat, Dax, 80e Nat. St.Vincent en 86e Nat. St.Vincent. In het seizoen 1966 kwam hij klem te zitten tussen de tralies van zijn broedhok en werd door hokgenoten de kop kapot gepikt. 5 weken later sneuvelde deze geweldenaar op St.Vincent.

De "Angoulème" vloog iets minder spectaculair dan de "86" maar was toch goed voor 11 overnachtprijzen.

Vervolgens belanden we bij de "71". Die fantastische doffer won 6 prijzen op de grote fond en ging daarna naar het kweekhok omdat hij volgens van der Wegen de beste van de 6 broers was. Op 9 jarige leeftijd werd deze "71" verkocht aan Albert Simons toen nog woonachtig in het Belgische Maaseik. Daar werd deze zoon van het "Oud Doffertje" grootvader van de eerste nationaal Perpignan. Ook bij van der Wegen zelf heeft de "91" zijn waarde bewezen, als grootvader van de "Lichte 41", die mag gerekend worden tot één der voornaamste stamduiven op diens hok van dit moment.

De "Dax-duivin" is één van de twee dochters van het "Oud Doffertje" met de "Oude Donkere Duivin". Ze is moeder en grootmoeder geworden van vele extra goede fondduiven in binnen- en buitenland, maar niet in het minst bij van der Wegen zelf. Zo is de "Dax-duivin" de moeder van de doffer van "Het Gouden Koppel" van Jan te Pas uit Ulft, die uit dat voortreffelijk kweekoppel twee nationale overwinnaars kweekte: het "Kleintje" en het "Dafje" respectievelijk eigendom van Frans Molenaar en Gerrit Frazer, beiden uit Ulft. De Gebroeders van Zelderen uit Aalsmeer kunnen ook meepraten over de kweekwaarde van de "Dax-duivin". Hun 1e Nationaal Bergerac in 1979 stamt uit de lijn van dat "Gouden Kweekoppel" van Jan te Pas. Bekend is ook, dat de nazaten van die overwinnares van Bergerac een belangrijke rol hebben gespeeld in de uitbouw en bloei van de kolonie van Zelderen, de bloemenkwekers uit de Haarlemmermeer

De laatste twee duiven die uit van der Wegen's eerste stamkoppel voortsproten waren de "Lamme" en zijn nestzuster de "61". Ze hebben hun moeder nooit gezien, want die sneuvelde op St.Vincent in 1960. De eieren waarop ze bij inkorving broedde waren de beste die ze ooit gelegd had. De "Lamme" en de "61" werden eruit geboren.

Die laatste won 8 prijzen op St.Vincent, Dax en Bergerac.

Met de 28e en 43e beide keren van Nationaal St.Vincent deed ze een flinke duit in het zakje van de opkomst van Janus van der Wegen. Ook als kweekduivin was zij van onschatbare waarde en werd terecht vroegtijdig op het kweekhok geplaatst.

De laatste zoon van het "Oud Doffertje" met de "Oude Donkere Duivin" was de beste van allemaal. Als kweker en als vlieger. Het betreft de "Lamme", volgens Janus van der Wegen de best duif die hij ooit op zijn hok had. Als van der Wegen zoiets zegt dan wil dat wat zeggen, want hij kweekte door de jaren heen tientallen dergelijke superduiven. De "Lamme" is daarop een hoofdstuk apart.