Van der Wegen Adrianus, "De basis van het ras van der Wegen"




Adrianus van der Wegen, : 's werelds beste fondspeler.

De wereldkampioen op de fondvluchten wordt hij genoemd. Hij beschikt over de beste vlieg- en kweekduiven van heel Europa, zegt men. We hebben het over Adrianus van der Wegen uit Steenbergen, de man die inderdaad de afgelopen dertig jaar schitterde als geen ander op de nationale en internationale fondvluchten.

De 78-jarige Steenbergenaar lacht er eens om, maar raakt van die uitspraken niet onder de indruk. Zijn karakter leent zich daar niet voor en ondanks zijn fabelachtige prestaties blijft hij uiterst bescheiden, treedt nooit op de voorgrond en wimpelt elk eerbetoon af met de woorden :Mijn duiven verdienen de aandacht. Zij hebben de prestaties geleverd, niet ik". Die woorden typeren de grootste fondspeler van Nederland en ver daarbuiten van de laatste decennia.

Wie is nu eigenlijk deze grootse kampioen, die de roemruchte Steenbergse duivensport ooit voortbracht ?

Een man van weinig woorden zonder kapsones, een man die weet waarover hij praat als het om zijn hobby , de duivensport, gaat. Een rasechte Steenbergenaar dat wel, maar een die steeds met beide benen op de grond bleef, dit in tegenstelling tot veel van zijn plaatsgenoten, die weliswaar onbewust en zonder kwade bedoelingen maar uit een puur enthousiasme soms eens wat te ver doordraven om in de commerciele Steenbergse molen te kunnen blijven meedraaien. Janus van der Wegen, de nestor van de Steenbergse fondmelkers blijft daar koud onder. "Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is en daar wen je aan" is zijn mening.

Hij heeft ze allemaal gekend en meegemaakt : Jan Aarden, Jan de Weert, Kees de Groot, Giel van Agtmaal, Maarten Brocatus, Stoffelen en ga zo maar door. Stuk voor stuk overleden liefhebbers, die door hun duiven de Steenbergse duivensport op een hoger plan brachten. Maar ook de huidige generatie fondspelers uit zijn geboortedorp kent hij. Hij heeft ze zien komen en zien gaan, zonder te beseffen dat hij in al die jaren de belangrijkste spil was, waar het in Steenbergen allemaal om draaide.



Voor de oorlog
We gaan terug in het verleden. Op een warme zomeravond in september 1909, de 23e om precies te zijn, wordt in Steenbergen aan de Grindweg, nu beter bekend als de Franseweg, Adrianus van der Wegen geboren. Hij was het vijfde kind uit een gezin met 10 kinderen, waarvan er twee vroegtijdig stierven.

Daar, waar armoe troef was, was het houden van dieren het enige tijdverdrijf van de jonge van der Wegen's. Met name de 4 jaar oudere broer van Adrianus had de duivenbacil geërfd van enkele melkers uit de buurt. Hoewel hij wel degelijk ambities had in de duivensport, had hij toch een voorkeur voor zijn hobby aan de toog in het café, waar hij als geen ander over duiven praatte. Het verzorgen van zijn duiven en vooral het poetswerk kwamen steeds op de tweede plaats totdat deze Rocus in de gaten kreeg, dat zijn jongere broer ook wel iets voelde voor zijn hobby. Daarmee was voor hem dan meteen een groot probleem opgelost. Adrianus of Janus, zoals zijn doordeweekse naam is werd "aangesteld" als hokverzorger. Zo rolde van der Wegen als manneke van 9 jaar in de duivensport. Rocus was de baas van het jonge melkersduo, maar al snel bleek, dat zijn broer de man met de melkerskwaliteiten was.

De prestaties waren dan ook helemaal niet slecht. De van der Wegen's bleken een uitmuntend kweekkoppel te bezitten. De duivin van dat koppel had Rocus bij een vriend gekocht voor een paar stuivers en de doffer kwam van zijn buurman. Die doffer was als jaarling duifkampioen van de vereniging geworden. In die tijd was de maximum afstand van de vluchten rond de 200 kilometer. Uit dat kweekkoppel sproten o.a. de "Witpen"; het "Mooioog" en de "Grote Blauwe", drie uitzonderlijk goede duiven, maar ook de vrienden vlogen met nazaten uit dit kweekpaar eerste prijzen aan de lopende band. Allemaal op nest nog, want van weduwschap had toen nog niemand gehoord. Janus van der Wegen herinnert zich zijn jeugd als de dag van gisteren. Die suksesjes van de jonge melker uit die tijd hadden hem "levenslang" in de duivensport gegeven.

Het compagnonschap van de beide broers duurde tot 1925. Als 20-jarige vrijgezel trok Rocus naar Eindhoven om daar te werken aan de bouw van de Philipsfabrieken. Later trouwde hij daar ook en bleef er wonen. Duivenmelker bleef hij wel, maar wist nooit meer het sukses te halen, dat hij samen met zijn broer wel had gekend.

Janus van der Wegen ging op zijn eigen houdje verder, zij het, dat de beoefening van zijn hobby op een erg laag pitje kwam te staan. De tijd was niet rijp voor de duivensport. In 1935 trouwde hij. Het was midden in de crisisjaren en toen kort daarna de "Tweede Wereldoorlog" uitbrak, was het gedaan met de duiven.

Het zou tot november 1944 duren, eer er weer duiven boven Steenbergen vlogen. Daags na de bevrijding waren er in Steenbergen al weer mannen die hun lege hokjes gevuld hadden met postduiven, die veelal uit België afkomstig waren. Janus van der Wegen was niet zo fanatiek. Rustig als hij is, aanschouwde hij het haastige gedoe van zijn makkers om zo snel mogelijk weer een hok vol duiven te bezitten. Zelf pakte hij 3 maanden na de oorlog de draad weer op. In februari 1945 ging hij bij zijn vrienden, die veelal weer de hokken vol hadden, op zoek naar zijn eerste duiven. Zo kritisch als hij steeds al geweest was, was hij toen ook. "Niet het vele is goed, maar het goede is veel", is een spreekwoord dat Janus van der Wegen maar al te goed kende. Het resultaat van het bezoek aan zijn vrienden-duivenmelkers leverde dan ook niets op en het hok bleef leeg.

Enkele dagen later hoorde van der Wegen, dat kennissen op hun land een duif gevangen hadden. Tegenwoordig zou niemand van zo een bericht nog onder de indruk geraken, maar in die tijd was dat wel even anders.

In een konijnenhok zat de bewuste duif. Het betrof een late Belg van 1944, geheel onderkomen en op sterven na dood. Toch zag van der Wegen er wat in en ruilde het doffertje voor een "Vlaamse Reus". Beiden waren dik tevreden, de kennissen met een goede konijnenbout en Janus met zijn eerste na-oorlogse duif.

De duivin voor deze Belgische doffer vond van der Wegen bij een vriend, die een koppel duiven had gekocht. Het bleken echter twee duivinnen te zijn en Janus ruilde de grootste van de twee voor een ham. Het koppel kwekers verhuisde naar het leegstaande konijnenhok. Een gazen rennetje ervoor en klaar was kees. In snel tempo rolden de eieren in het nest. Het geduld dat de toen 36-jarige van der Wegen had beoefend om aan duiven naar zijn zin te komen werd beloond. Het koppel in het konijnenhok bleek een superkweekkoppel. De ene na de ander kampioen kroop uit het ei. Ze vlogen sterk op vitesse en midfond, maar waren het meest in hun element als de 500 kilometer grens moest worden overschreden. Zo kon het gebeuren, dat Janus van der Wegen,in 1948 de eerste 5 prijzen van Limoges won. Tegen heel Steenbergen inclusief Jan Aarden en consorten. Trouwens ook de duivin die in 1954 in de eerste 140 nationaal van St-Vincent won, was een dochter van het Belgische kweekkoppel. Dat was allemaal in een tijd,dat rasnamen nog geen enkel belang waren.

Wie regelmatig een stamkaart van het hok van der Wegen in handen krijgt, ziet af en toe in de vijfde of zesde generatie het "Oud Vuiltje" met ringnummer H61/141743 vermeld. De "Ruffec" , die o.a.de eerste prijs in het bondsconcours van Ruffec won, stamt af van dat "Oud Vuiltje" en hij is op zijn beurt ook nog een kleinzoon van dat Belgisch kweekkoppel van 1945. Die vroege prijs op nationaal St-Vincent in 1954 had van der Wegen veel voldoening gegeven. Beter gezegd, hij had de smaak van de fond erdoor te pakken gekregen. Hij zou fond gaan spelen, dat stond voor hemzelf vast. Het probleem was echter om aan de echte goede fondduiven te komen. Janus van der Wegen hoefde daarvoor niet ver van huis, dat was hem duidelijk genoeg. De Steenbergse fondduiven waren in die tijd bezig aan hun grootscheepse verovering van het nationaal luchtruim.

De prestaties van o.a. Jan Aarden dwongen respekt af en vele Steenbergenaren volgden in zijn voetspoor.