Search

Welke vluchten zijn nu ‘snelheid’, ‘kleine’ of ‘grote’ halve fond?

Dat is de vraag die tal van Belgische duivenliefhebbers zich stellen na enkele beslissingen die werden genomen op de eerste statutaire algemene vergadering van de KBDB te Halle.

Vorige week woensdag 28 februari 2018 ging te Halle de eerste statutaire algemene vergadering (AV) van 2018 van de KBDB door. Onder punt 10 stond de definitieve organisatie van het komende sportseizoen en de vaststelling van de criteria van de nationale kampioenschappen 2018 op de agenda. Eén van de onderliggende items was de bepaling van de criteria voor de kampioenschappen ‘kleine halve fond’. Daarin was aan de provinciale PE/SPE gevraagd om de verste (maximale) afstand door te geven en de naam van de vlucht, die in aanmerking komt in hun provincie om mee te tellen voor de nationale kampioenschappen ‘kleine halve fond’ (KHF).

Welke vluchten of afstanden komen in aanmerking?

De opgegeven afstanden verschilden enorm van provincie tot provincie. Oost-Vlaanderen (tot Orleans), Vlaams-Brabant (tot Orleans) en Henegouwen (tot Bourges) hielden het bij een maximum afstand van 415 Km. De provincie Luik had met Vierzon de grootste maximumafstand van 485 Km om in aanmerking te komen voor KHF. Een verschil van 70 Km voor de maximumafstand. Dit stuitte binnen de AV meteen op verzet. Het voorstel vanuit het Nationaal Sportcomité sprak van een minimumafstand van 250 Km en een maximumafstand van 450 Km.

Oost-Vlaams voorzitter en nationaal mandataris Mark De Backer duidde meteen op het probleem van de minimumafstand. Bepaalde hokken op de grootste afstanden (lees: nabij de grens met Nederland) hebben een afstand van meer dan 250 Km op sommige snelheidsvluchten. Hij sprak uit ervaring uit eigen provincie en gaf de snelheidsvlucht uit Ecouen (onder Parijs) als sprekend voorbeeld. De liefhebbers uit de kortvlucht hebben een afstand van minder dan 250 Km, terwijl  deze uit de overvlucht meer dan 250 Km als afstand hebben. Wat inhoudt dat deze laatsten de ‘snelheidsvlucht’ uit Ecouen met de criteria die voorlagen konden gebruiken als resultaat voor de nationale kampioenschappen ‘kleine halve fond’. Zonder dan nog te spreken van sommige lokalen waar bepaalde liefhebbers aan afstand hebben van minder dan 250 Km, en anderen van meer dan 250 Km… binnen dezelfde wedstrijd. Dit neigt naar discriminatie. Mandataris Mark De Backer stelde zich daar terecht vragen bij. Vroeger was het steeds zo dat in de criteria werd bepaald dat het om vluchten ‘verder dan Parijs’ ging, aldus nog Mark De Backer. Correct, en de nagel op de kop. Volgens hem is ieder provinciaal bestuur toch perfect op de hoogte van de vluchten die in hun provincie doorgaan… dan kan het toch niet moeilijk zijn om daar de vluchten (lees: namen) op te kleven boven Parijs die binnen (dus korter zijn dan) de opgelegde afstand van 450 Km vallen? Al ving hij bot, en kreeg zijn vraag geen gehoor.

Kleine Halve Fond van 255,001 Km tot 460,00 Km

Er werd flink gedebatteerd en gediscussieerd, om het uiteindelijk toch op afstanden te houden en niet op vluchten of lossingsplaatsen. Finaal kwam het compromis uit de bus dat de vluchten die gelden voor de nationale kampioenschappen ‘Kleine Halve Fond’ een minimumafstand van 255,001 Km  moeten hebben, tot een maximumafstand van 460,000 Km, en ‘geen’ nationale wedvluchten mogen zijn.

Deze criteria zorgen voor verwarring, en stuiten bij tal van liefhebbers op protest. In Limburg stelde zich meteen het probleem van de snelheidsvluchten Dizy en Trelou… voor sommigen minder dan 255 Km, voor anderen meer. De PE Limburg nam daarop de kordate beslissing de kalender voor de snelheidsvluchten aan te passen en Dizy te vervangen door Laon, en voor Trelou zoekt men nog naar een vervangende vlucht (het voorstel van Soissons stuit ook hier op verzet). Noem het: oplossingen zoeken zodat dit probleem zich niet meer stelt. 
Wie dacht dat de problemen daarmee van de baan zijn, heeft verkeerd gedacht. Ook de maximumafstand zorgt voor serieuze obstakels en problemen. De reacties die binnenstromen liegen er niet om.

Een eerste deel van de reacties handelt over Bourges. Zowat de helft van het land vliegt uit Bourges op een afstand van minder dan 460 Km, terwijl de andere helft boven de 460 Km uitkomt. In principe is de nationale Bourges voor de helft van het land dus ‘kleine halve fond’. De criteria stipuleren wel dat voor de ‘kleine halve fond’ geen nationale vluchten in aanmerking komen, toch blijkt uit vele reacties dat de liefhebbers zich daar vragen bij stellen. De nationale Bourges is één van de vluchten die in aanmerking komt voor het nationaal kampioenschap ‘Grote Halve Fond’, én voor de nationale asduiven ‘Grote Halve Fond’, zowel bij de oude (Bourges I en Bourges II), jaarlingen (idem) als jonge duiven (Bourges II)… terwijl dit voor de helft van België dus ‘kleine halve fond’ is.  
De vraag die zich stelt is 2-ledig en luidt als volgt:
-is het logisch dat om en bij de 50% van de Belgische liefhebbers meedingen naar titels en asduiven op de ‘grote halve fond’, terwijl ze volgens de afstand tot hun hok en de huidige criteria KBDB, op de nationale Bourges thuis horen in de categorie ‘kleine halve fond’?
-is het logisch dat om en bij de 50% van de Belgische liefhebbers de vlucht uit Bourges met ‘nationaal’ statuut (dus de nationale Bourges I en Bourges II) kunnen gebruiken voor de ‘grote halve fond’, terwijl voor diezelfde liefhebbers een uitslag op een (inter)provinciale vlucht uit datzelfde Bourges in aanmerking komt voor de nationale kampioenschappen ‘kleine halve fond’?

Stof tot nadenken. Het zorgt in ieder geval voor controverse. De vlucht uit Bourges dient in deze enkel als voorbeeld, en is zeker geen alleenstaand feit. De grens van 460,000 Km zorgt ook voor verdeeldheid binnen één en dezelfde provincie op tal van provinciale wedstrijden. Quasi alle provincies richten in 2018 (inter)provinciale wedvluchten in, waarop een deel van hun liefhebbers onder de grens van 460,000 Km blijft, terwijl anderen deze grens overschrijden op één en dezelfde vlucht. Volgens deze laatsten pure discriminatie, en een creatie van nationale kampioenschappen met ongelijke kansen. Bij nader onderzoek blijkt hun reactie terecht.

In de Vlaamse provincies zorgen volgende geplande provinciale vluchten (in 2018) voor verdeeldheid, met deelnemers die boven en/of onder de grens van 460 Km vallen:

-West-Vlaanderen: Chateauroux, Saumur en 6 provinciale vluchten uit Tours
-Oost-Vlaanderen: 3 vluchten uit Vierzon, en Issoudun
-Antwerpen: Blois, 2 vluchten uit Vierzon, en (mogelijks ook) Le Mans
-Limburg: Chalon sur Saone
-Vlaams-Brabant: Bourges, Le Mans, Vierzon en 5 vluchten uit Blois

Kan je mensen die dit nu aankaarten ongelijk geven? Op bepaalde van de hierboven geciteerde vluchten vallen zij uit de boot (wegens afstand > 460,000 Km), terwijl de rest van hun provinciegenoten (deze met afstand < 460,000 Km) deze vluchten wel kunnen gebruiken voor het nationaal kampioenschap ‘kleine halve fond’. Wie onder de grens van 460 Km valt, krijgt dus extra kansen om de broodnodige uitslagen te verzamelen, ten opzichte van een deel van zijn provinciegenoten. Eerlijk is anders, blijkt uit vele reacties.

Consternatie alom

Dat ze in Halle hun huiswerk niet degelijk hebben gemaakt, is zonneklaar. De vele reacties liegen niet. Vele sportgenoten stellen zich de vraag wat het verschil is tussen ‘snelheid’, en ‘kleine’ en ‘grote’ halve fond? Oost-Vlaams mandataris Mark De Backer zag de bui duidelijk hangen. Met zijn duivenvernuft kon hij met de natte vinger aanvoelen, dat hier vodden gingen van komen. Vandaar zijn vraag om aan de criteria ‘kleine halve fond’, de voorwaarde ‘vluchten verder dan Parijs’, en de lossingsplaatsen die per provincie in aanmerking komen toe te voegen. In 2017 stond in de criteria van de nationale kampioenschappen ‘snelheid’ en ‘kleine halve fond’ duidelijk aangegeven welke vluchten in iedere provincie (PE/SPE) in aanmerking kwamen voor beide disciplines. Klaar en duidelijk, met egale kansen (lees: dezelfde vluchten die in aanmerking komen) voor ieder liefhebber in de provincie waar zijn hok gelegen is.

Vraag is, of de Nationale Algemene Vergadering dit punt volgende week (op 16 maart) alsnog aan de agenda wil toevoegen, in een poging nieuwe criteria op te stellen voor de ‘kleine halve fond’ met egale kansen op dezelfde wedvlucht voor ieder deelnemer/liefhebber binnen één en dezelfde provincie? Of wordt het alweer ‘wishful thinking’? Of schuift men deze hete appel door, als eerste taak voor de nieuwe bewindsploeg, na hun (vermoedelijke) aanstelling en benoeming op 16 maart?