Search

De geschiedenis van de Belgische duivensport: Sadi Davignon (Brussel, BE), opgetekend in 1941

De bekende Brusselse kampioen spreekt ons over zijn duiven... Wie in Brussel kent er de vriend Sadi niet? Zij die hem niet kennen zijn geen Brusselaars, of beter gezegd: geen duivenliefhebbers.

Niet alleen te Brussel maar zowat het ganse land door telt de heer Davignon zijn vrienden. Daarbij komt nog dat de heer Davignon een der beste melkers is uit
het Brusselse en thans nog aan het hoofd staat van een vrij talrijke kolonie. Juist daarom hebben wij hem een bezoek gebracht en we laten hier dan het belangrijkste uit onze samenspraak volgen.

V : Wat denkt U over de huidige duivensportbeweging? (einde Juli 1941)
A : Het is een feit dat onze duivenliefhebberij een crisis doormaakt. De omstandigheden hebben hieraan schuld. De krijgsverrichtingen eisen hun prooi en verder bracht de uitwijking, zo opgelegde als vrijwillige, van talrijke duivenliefhebbers mede dat tal van reisduiven verloren gingen.

Na de oorlogsgebeurtenissen waren het de moeilijkheden in bevoorrading die sommige liefhebbers er toe dwongen hun reeds zo beperkte kolonie nog in te krimpen. Begin 1940 was het aantal liefhebbers in België bij de 300,000. Huidig zijn er nog slechts 70,000, met circa 650.000 reisduiven. Niets is echter verloren, maar er zal, nadat de vrede in Europa zal zijn teruggekeerd, nog heel wat tijd verlopen vooraleer de Belgische liefhebberij haar luister en bloei van weleer zal kennen.

V : Toch is het U tot heden gelukt nog tal van duiven te bewaren?
A : Ik heb me de grootste opofferingen getroost om er toe te komen en U kunt U daarvan een klein idee vormen. Zoals alle liefhebbers heb ik nochtans heel wat duiven moeten verwijderen, zelfs van deze die me de hoogste voldoening hebben gegeven. Het zal U misschien aanbelangen te weten hoe ik te werk ben gegaan?

Welnu ziehier : Ik heb vooral streng gezift in de jongen van 1940. Daar deze niet gereisd hebben, zo bezat ik geen enkele aanduiding nopens hun waarde. Aldus heb ik maar alleen die jongen bewaard gesproten uit koppels, die onveranderd dezelfde waren gebleven en waarvan de jongen me in het verleden goede uitslagen hebben gegeven. Ik bedoel in de jaren 1938 en 1939. Ik behield toch ook enkele jongen uit nieuwe kruisingen, met het doel mijn bloedverwante kweek te kunnen voortzetten, methode, die me steeds bevrediging heeft geschonken.

Wat mijn oude duiven betreft, heb ik enkele oude kweekduivinnen opgeofferd, waaruit ik talrijke afstammelingen bezit. Zo ook met enkele duivers, waarvan ik nakomelingen of broeders had die onder oogpunt lichaamsbouw, sportrendement en kweek beter waren. Niettegenstaande deze strenge zifting bezit ik een nog te talrijke kolonie wanneer men rekening houdt met de moeilijkheid van het bevoorradingsvraagstuk.

V : En de kweek van 1941?
Ik had er wel eenigszins schrik af, want wie zegt kweken : beduidt een hokvermeerdering. Daarom koppelde ik mijn kweekduiven maar einde April begin Mei en ringde ik maar die jongen, die afstammen van koppels die ik als prima beschouw met uitslagen ten bewijze natuurlijk.

V : Hoe regelde U de voeding in de kweektijd?
Op het ogenblik van de kweek bezat ik als duivenvoeding niets anders dan de korrels van de bevoorrading en een weinig granen van 36e klas... als vitsen, beschadigde tarwe en wat maïs. Met de granen moest ik natuurlijk spaarzaam te werk gaan. Ik gaf ze alleen aan mijn duiven vanaf de uitpikking der jongen totdat deze laatste 8 dagen oud waren.
Dit liet me toe enkele prachtjongen op te kweken. Alle vrienden, die me bezochten hebben me zulks bevestigd. Mijn jonge duifjes die dus, nadat ze acht dagen oud waren, enkel de rantsoenkorrels ontvingen, zijn sterk uitgegroeid en niet een jong vertoont sporen van verzwakking, ontaarding of rachitisme. Op 21 dagen ouderdom verlieten allen het nest en alles verliep verder normaal, ja misschien beter dan in andere jaren.

V : Kunt U ons ook enkele aanduidingen geven nopens den oorsprong van Uw bekend hok?
A : Ik weet dat mijn hok duiven bevat, die prijzen winnen op alle afstanden zo van Ouiévrain als Santander, Rome en Ajaccio. Het is in 1925 dat ik met de duivenliefhebberij begon. Ik telde onder mijn klienteel zoveel melkers dat ook de kwaal mij aantastte...

Mijn eerste sujekten komen van Lier. Deze kruiste ik met duiven van het hok Henri Bamps van Antwerpen, daaruit bekwam ik jongen, die het op alle afstanden doen konden.
Ik ontving toen ook een rode duivin van wijlen Jozef Degruyter van Schoten, ten dien tijde de kampioen van deze op en top duivensportgemeente. Deze duivin gaf me de "Goede Rode", die nooit miste.

In 1928 als jonge duif meer dan 3,000 km. zonder zijn prijs te missen. De laatste klop van de "Goede Rode" was de 39e prijs op Santander, 1e prijs omtrek Brabant. Op deze vlucht was het de eerste maal dat hij buiten overnachtte. Het is de "Goede Rode" die de vader is van de bekende "Prince Rouge" en de "Crack Rouge".

De "Goede Rode", in April 1928 geboren, gaf maar eerst waardevolle jongen in 1933, wat een opmerkenswaardig feit is. Einde 1937 werd hij mij in leen gevraagd door wijlen Guillaume Stassart, die hem koppelde aan een geschelpte duivin bijgenaamd "Noguette". Einde September bekwam hij er een licht geschelpte duiver van, die als volgt in de verkooplijst aangestipt werd :
De vader van de "Goede Rode » was een licht geschelpte, identiek aan de kleinzoon opgekweekt bij Guillaume Stassart.
Ring 2,328,743/37 "Ottokar".
Vader : "De Santander" van de heer Sadi Davignon.
Moeder : "Noguette" van Murat en Mady.

In 1939 :
Dourdan 11/06 F.M.K. 7e prijs.
Vendome : Federation Anderlechtoise 709 duiven : 37e prijs.
La Couronne (Nationale Derby) 1.110 duiven : 118e prijs, en regionaal 25e prijs. Doublage-Flying 14e prijs.
Chateauroux Union 303 duiven : 4e prijs.

De "Goede Rode" bracht ook mijn "Libourne" voort, die heel wat prijzen op haar actief heeft en het jaar 1939 eindigde met de 14e prijs op Libourne. Ik bezit nog drie andere rechtstreekse afstammelingen van de "Goede Rode", allen sujekten, die bewezen hebben wat ze konden. En hier wil ik er aan herinneren dat de "Goede Rode" vóór 1932 geen enkel jong gaf dat de moeite waard was om behouden te blijven. Sedert 1936 heb ik in mijn hok twee beste sujekten van het fameuze hok van de heer Jozef Van Hoorick ingebracht. En hier wil ik een paar woorden over zeggen : Een geschelpte duiver die talrijke eerste prijzen op zijn actief had.

Gepaard met de "Kletskop" uit de stam van mijn "Goede Rode" (een duivin die regelmatig aan de kop vloog maar geweldig slecht binnen ging en de eerste prijzen op het dak verloor) zo gaf deze duiver mij een jong "De Schone Geschelpte" De "Schone Geschelpte" is een wondere duif, die meer prijzen won binnen de 5 of 10 eerste dan andere, namelijk : 4 eerste en 3 tweedes.

In April 1940 bleef deze duif achter, waarschijnlijk op het veld vergiftigd. Uit de "Schone Geschelpte", met een geschelpte duivin uit de stam van de "Goede Rode » (bloedverwanten teelt) heb ik een reeks afstammelingen, wondermooie typen met witte ogen en waarvan ik ook wonderdaden verwacht. De uitslagen van deze die de mand zagen in 1939, zijn daar om me in mijn mening te sterken. De "Kletskop" gepaard met de "Goede Rode" gaf me de bekende "Libourne".

Een grijze duivin, een "as" van het hok Van Hoorick werd me in 1939 geschonken door mijn vriend Alfons Vossen. Zij werd gepaard met een zoon van de "Schonen Geschelpte" Hieruit bekwam ik oprecht uitmuntende grijze. Ik koppelde deze in 1940 aan twee dochters van de "Schone-Geschelpte" waaruit ik een serie witte en grijze bekwam, uitmuntend in mooiheid, maar die niet konden beproefd worden. Ik bezit ook nog duiven van Pierre Vandergoten, die in 1939 bijzonder goed hebben gevlogen. Kortom ik verwacht voor de toekomst.

En na de oorlog?

Na de oorlog gaan we terug aan 't spel... en hopen we maar dat alles beter zal gaan dan voorheen. Dat is mijn eenigste wens als duivendiefhebber. We hebben dan de hokken van den heer Davignon bezocht en kunnen getuigen dat zij materiaal bevatten. Wat een mooi geheel, wat al leven en beweging. Zekerlijk is het voor de vriend Sadi een helen krachttoer zijn, duifjes aan het eten te-houden. Maar waar een wil is, is een weg.

Met kniezen en jammeren komt men niet verder. Dat alle liefhebbers een voorbeeld nemen aan de heer Davignon, 't is te zeggen: Moed houden, de duifjes niet om futiele redenen afslachten maar al doen wat kan gedaan worden om ze te behouden.

In de zorgen van heden ligt de toekomst besloten. Die toekomst zal mooier en beter zijn omdat de duivensport met de thans doorstane crisis zal oprijzen tot een nooit geziene bloei en luister. En tot die bloei en luister zullen vooral zij hebben bijgedragen, zij die thans ten koste van welke opofferingen hun duifjes'hebben bewaard.

Aan hen en onder die hen vernoemen we volgaarne de heer Davignon. Is de Belgische duivenliefhebberij van morgen een ongemene dank en erkentelijkheid verschuldigd. 
Zij hebben voor hare instandhouding en toekomst gezorgd.

Augustus 1941

Comments

Dag Martin,

Ik vind het zeer goed eens dergelijke reportages te plaatsen.
Mocht je interesse hebben eens iets te publiceren omtrent een monument uit de jaren 50...
Bijvoorbeeld: Evrard Havenith..met zijn verzorger Gust Duchène.uit Hoboken
Bij Natural zit er nog een hele volière met afstammelingen ervan.
Op de totale verkoping kochten zij bijna alle duiven boven de 5000 OBF.
Deze van 28.000 niet want die ging naar USA. De Witkop.
Van Hove Uytterhoven, Putte hebben er hun loopbaan mee gemaakt.
Mijn vader en zijn twee broers samen hebben er ook een kunnen bemachtigen voor iets minder dan 5000 OBF.
Ik bezit het verkoopprogramma 1954 van destijds met foto's van duiven en alles.
Laat maar iets weten.
Georget