Search

De Geschiedenis van de Belgische duivensport : De succesrijke methode Marcel Demeyere - Tiegem (BE)

Net op de top van een door de wielrenners welbekende en evenzeer gevreesde Tiegem Berg, woont een duivenkampioen die de jongste jaren met name op de Nationale vlucht uit St.-Vincent-de-Tyrosse telkens voor ophefmakende uitslagen heeft gezorgd.

 

 

Marcel De Meyere hier in hoog gezelschap. Links de Heer Asakura uit Japan, dan Marcel zelf,
en uiterst rechts Barcelonawinnaar Robert Gyselinck uit Merelbeke.

Uitslagen die de internationale belangstelling met rasse schreden voor deze kolonie deed toenemen.

De naam DEMEYERE heeft in de Vlaamse Ardennen ontegensprekelijk een bijzonder welklinkende bekendheid verworven. Wijlen Jules Demeyere (vader van Marcel), werd na 60 jaar duivenkampioen te zijn geweest, ooit eens in een enorme hulde betrokken - een hulde die zo'n 18-tal jaren geleden schone artikels en reportages in diverse dag- en weekbladen deed verschijnen. Mooie herinneringen heeft Marcel daar nog aan... herinneringen aan de tijd dat hij zowat de rechterarm was van wijlen zijn vader Jules...
In 1963 kwam na het overlijden van vader, Marcel Demeyere op eigen benen te staan in de duivensport. In plaats van al onmiddellijk uit te pakken met deelname aan prijsvluchten, begon hij toen met de opbouw ener kolonie die hij pas in 1968 aan een eerste test onderworpen heeft. Die test stelde hem gerust, zijn jarenlang bestuderen, kweken en koppelen leverde toen reeds bijzonder positieve resultaten op en het is wellicht dan, dat bij deze Demeyere de passie aan het groeien gegaan is, die hem op het idee bracht „ de ideale fondduif  te kweken. En net als in de periode 1963-1968 ging hij nadien terug verder met zijn aandacht toe te spitsen op de kweek, op de uitbouw zijner kolonie. De prijsvluchten waren voor hem eigenlijk bijzaak, en
wendde hij alleen aan om te constateren of hij in zijn kweekpassie verder naar dat gestelde doel „de ideale fondduif kweken   toe evolueerde.
Een zonderlinge manier om tot duivenkampioen met een internationale bekendheid te komen, maar ontegensprekelijk een manier die hier in grote mate suksessen heeft afgeworpen. Meer nog dan bij enig ander kampioen, staat dat kapitale woord „GEDULD" hier centraal in de  rush naar het sukses. En sukses heeft deze Demeyere bekomen, met zijn wellicht voor ons land toch uitzonderlijke handelswijze.

Ziehier zijn prestaties uit de laatste St.-Vincentvluchten :
In 1978 : St.-Vincent Reg. 121 d. 11 12 17 27 28
St.-Vincent Prov. 624 d. 35 43 70 100 101 177 204
St.-Vincent B.V. 1.790 d. 72 81 145 213 217 401
St.-Vincent Nat. 4.835 d. 82 96 178 268 273 575 867
In 1979 : St.-Vincent Reg. 136 d. l 3 8 25
St.-Vincent Prov. 697 d. l 7 23 100
St.-Vincent B.V. 1.845 d. l 9 36 239
St.-Vincent Nat. 4.950 d. l 11 58 515 1164
Deze voorbereiding op een uitgestoken vlucht, hebben we tot in detail opgenomen bij Marcel Demeyere. Beslist zullen hierin vele elementen en details opgemerkt worden die ook voor de lezers als belangrijk zullen overkomen.

V - Verstrek enige uitleg over de manier waarop uw kolonie werd uitgebouwd, en met welke rassen bent U tot de huidige stam gekomen ?
A - Na het overlijden van mijn vader in 1963, ging ik op dezelfde hokken zelf van start in de duivensport. Vader was jarenlang een vooraanstaand kampioen met een beperkt aantal duiven. Zijn kolonie was uitsluitend samengesteld met het ras De Lombaerde uit Waregem. Van die oude soort van wijlen mijn vader Jules heb ik na een strenge selectie nog 7 duiven overgehouden. In 1964 werd er dan versterking bijgehaald, of anders geformuleerd, haalde ik de basis van mi)n huidige
stam bij de welbekende kampioen Robert Lefebure uit Harelbeke. Deze Lefebure is een man die reeds hoge toppen scheerde in de duivensport, en die door dure aankopen en vakkundige kruisingen werkelijk reeds tot de grootste suksessen is gekomen. Het is trouwens zo dat ik aan Robert Lefebure voor een groot deel mijn huidig succes te danken heb. Die in 1964 bijgehaalde duiven bij Lefebure behoorden tot de zuivere bloedstromingen van volgende vermaarde soorten :
wijlen Hector De Smet uit Geraardsbergen, Stichelbaut uit Lauwe, en Delbaere uit Ronse. In datzelfde jaar kocht ik ook in de verkoping André Buysschaert uit Waregem de 1ste prijs Poitiers tegen meer dan 2.000 duiven.
En van dan af ben ik aan de volle uitbouw begonnen van mijn kolonie, alle mogelijk denkbare kruisingen werden met de voornoemde rassen doorgevoerd. Uiteraard werd er ook steeds streng geselekteerd en werden de duiven ook stipt verzorgd. Aldus ging ik tewerk tot in 1968 zonder ooit aan één prijsvlucht te hebben deelgenomen - wel was het zo dat de duiven in de voorgaande jaren meerdere leervluchten te verwerken kregen maar geen enkele maal werden ze getekend. In 1968 oordeelde ik dan het ogenblik aangebroken om mi]n kolonie te testen. Na twee opeenvolgende weken Clermont en dan twee opeenvolgende weken Chartres (telkens als reiskostduiven) kregen de duivers dan een week rust, en werden ingemand voor Angoulême Van de 10 ingetekende duivers stonden er 8 op de uitslag, tegen 1170 duiven werd er provinciaal begonnen met de 12de prijs, terwijl de 8ste duif nog in de eerste helft der prijzen zat. Drie weken later werd het experiment verder gezet : de 4 tweejaarse duiven moesten naar Poitiers, en de 6 driejaarse naar Montauban. Uit Poitiers werden twee kopprijzen gewonnen, en uit Montauban haalde ik Nationaal de 19de en 30ste prijs en nog twee andere prijzen. Daarmee werd dat eerste vluchtseizoen dan ook afgerond, en had ik voor me zelf bewezen dat het jarenlange kweken en selekteren positieve resultaten had opgeleverd. Terwijl ik ook de zekerheid bekwam dat ik geslaagde kruisingen had doorgevoerd. Van dan af kon ik verder ijveren om te streven naar het kweken van de ideale fondduif.
Wat de verdere uitbreiding van mijn kolonie betreft is het zo, dat ik praktisch ieder jaar nog versterking gaan halen ben bij de topkolonie van Robert Lefebure uit Harelbeke. In 1978 werd via Pol Huysentruyt ook de soort Roger Vereecke (Deerlijk) bijgehaald, en die Vereecke soort wordt nu geleidelijk in mijn stam ingewerkt. Vermeld ik hier nog dat de moeder van mijn 1ste prijs Nationaal St.-Vincent van Blondia - De Meyer uit Merelbeke komt (ras Lefebure).

De vijf winnaars uit St.-Vincent Nationaal 1979 van Demeyere.
Met bovenaan de nationale overwinnaar,, de Crayonné "

V. • Geef ons enige uitleg over uw toch wel aparte handelswijze inzake selektie, kweek, voorbereiding op de prijsvluchten - en andere interessante zaken meer. Schets uw gedragingen met de duiven tot de eerste deelname aan de kompetitie.
A. - Centraal staat bij mij steeds het streven naar „ het kweken van de ideale fondduif ". Ik meen dat het noodzakelijk is dat ik zulks vooraf nog eens vermeld. Om dit te bekomen zal ik reeds een eerste selektie doorvoeren bij het spenen der jonge duiven, dan worden de minder mooie uitgebouwde alsook de iets trager opkomende piepers reeds verwijderd.
Uit ondervinding weet ik dat dan zo'n 10  (dus 1 op 10) van de gespeende jongen verwezen worden. En dan in de verdere loop van het seizoen wordt nauwlettend bekeken of de jongen wel verder uitgroeien  zoals het hoort, en zoals ik het verwachtte. Die hier ontgoochelen krijgen ook geen verdere kansen meer. Ik streef eigenlijk naar het mooie duiventype - waarmee ik bedoel „ aangenaam om te bekijken ". De jonge duiven worden nooit gespeeld, en de geslachten blijven dan ook samen. In de voor-winterperiode wordt er dan dagelijks opgelet of er geen duiven zijn met dunne uitwerpselen  want ook die (zowel
duiver als duivin) moeten er ontegensprekelijk van tussen. Niettegenstaande de jonge duivers en duivinnen samen op één hok
blijven, wordt er niet mee gekweekt - het kweken wordt trouwens ook niet aangemoedigd gezien er geen nestpannen op het hok zullen gebracht worden, en gezien het hok hiervoor ook niet is ingericht (er zijn geen woonbakken aanwezig).

De jongen komende uit de 1ste en de 2de kweekronde worden in de loop van de maand juli opgeleerd, gaan doorgaans niet  verder dan Clermont (en uitzonderlijk een Dourdan) - maar worden geen enkele maal getekend. Er wordt helemaal geen rekening gehouden met het naar huis komen van die leer vluchten. Al wat telt is dat de duiven geleerd zijn. De jongen van de 3de ronde worden niet meer opgeleerd in hun geboortejaar, dat zal dan wel gebeuren als jaarling. Pas begin december worden de geslachten der jonge duiven gescheiden. En zij die tot dan toe geen dunne uitwerpselen vertoonden, worden dan ook behouden. De duivers zullen zich nadien zelf selekteren in de komende jaren - met dien verstande dat al wie naar huis komt, zal blijven. Bij zware opdrachten gaan de zwaksten er vanzelf vantussen. Toch zal ik nog in het oog houden in welke toestand de duivers
thuiskomen van de prijsvluchten,  zij die volkomen uitgeput zijn, en die de vleugels laten hangen, zijn de laatsten die ik zelf nog zal selekteren. De reismand zet mijn selektiewerk nadien verder. Wat de duivinnen betreft die als jonge duif werden overgehouden, die worden gesplitst, met dien verstande dat een deel naar het kweekhok gaat, en dat het andere deel bestemd is voor het spel op weduwschap.
Met de jaarlingse duivers ga ik als volgt te werk. Zelf voer ik ze een 5 a 6 maal tot in Menen (Franse grens), dan gaan ze  achtereenvolgens naar Arras, 2 x naar Clermont, 2 x naar Dourdan, 1 x naar Oriéans en tot slot 1 x naar Poitiers. Het is alleen op deze Poitiers vlucht dat er getekend wordt, de andere vluchten worden zuiver als leervlucht beschouwd. Het resultaat van deze Poitiers is zelfs bijkomstig, al die naar huis komt mag blijven - en de minder goede zijn er doorgaans na voornoemd programma reeds van tussen. Vermelden we hier nog dat die Poitiersvlucht steeds gespeeld wordt in de 2de helft van juli.

V. • Uw jonge duiven werden dus gescheiden (geslachten) begin december, worden ze voordat ze voornoemd vluchtprogramma dienen af te werken als jaarling, niet ingeschakeld in de vroege kweek ?
A. - Zoals gezegd mogen de jonge duiven niet kweken (geen woonbakken, geen nestpannen) niettegenstaande duivers en duivinnen samen blijven tot begin december. Dan worden duivers en duivinnen (jongen) op een apart hok gebracht, en blijven gescheiden tot begin maart. Inderdaad koppel ik mijn jaarlingen steeds tussen 1 en 15 maart, de respectievelijke koppels mogen hun jongen opbrengen, en mogen zelfs een tweede maal aan het kweken gaan. Maar van zodra ze voor de 2de maal aan het broeden gaan, start ik ook met het aanleren van deze jaarlingse duivers. Maar eens de jongen een 14-tal dagen oud zijn,
breng ik de duivers op weduwschap. Ik ga als volgt te werk : 1 jong laat ik bij de duiver op het weduwnaarshok. het 2de jong gaat mee met de duivin op een ander hok. Dat jong die op het weduwnaarshok bij de duiver zit, mag daar blijven tot de ouderdom van ongeveer 1 maand (n.v.d.r. we kunnen hier terloops melden dat zowel bij kwekers als vliegers de jonge duiven pas gespeend worden bij de ouderdom van ongeveer 1 maand op de hokken van Marcel Demeyer).
Van zodra de duivin met één jong wordt weggenomen van het weduwnaarshok, plaats ik wel wat eten in een bakje in de respectievelijke woonbakken, zodat de jonge duiven kunnen leren meepikken. De eerste 14 dagen wordt er uitsluitend in een gemeenschappelijke eetbak op de bodem van het hok gevoederd. Het is dus eigenlijk wanneer het jong van de 2de ronde ongeveer 1 maand oud is, dat mijn jaarlingse duivers op weduwschap komen. Op dat ogenblik ben ik met mijn leervluchtprogramma reeds gevorderd tot op Dourdan zodat tot daar de jaarlingen in nestpositie hebben gevlogen. De laatste drie vluchten : 1 Dourdan, 1 Oriéans en 1 Poitiers worden op weduwschap gespeeld. De duiven gaan te beginnen met Arras wekelijks de mand in tot op Oriéans.
Tussen die Oriéans en die Poitiers laat ik evenwel 2 tot 3 weken rust liggen.

V. • De laatste drie vluchten die uw jaarlingen te verwerken krijgen (Dourdan, Oriéans, Poitiers) vliegen ze op weduwschap. Vertoont U dan de duivin voor de inkorving, en/of hoe gaat U dan te werk ?
A. - Tijdens het weduwschapspel wordt de duivin voor de inkorving nooit vertoond. Het is zo dat in de afgesloten helft van de weduwnaarsbak steeds een nestpan omgekeerd staat, wel voor de inkorving doe ik de weduwnaarsbak volledig open, en zet de nestpan recht zodat de duiver vrij in en uit de nestpan kan. Na enkele minuten worden de duivers dan uit hun bak genomen en ingemand. Bij de thuiskomst van de duiver van de prijsvlucht, zit de duivin half bak te wachten.
Bij de jaarlingen mag de duivin na de thuiskomst van de weduwnaar steeds ongeveer een halve dag bij haar duiver blijven. Vermoedelijk is dat wel niet ideaal voor de prestaties in de komende weken, maar ik herhaal dat het er voor mij niet op aan komt dat ze presteren als jaarling, maar wel dat ze op een beste manier aangeleerd werden om op driejarige leeftijd te kunnen uitgespeeld worden op een nationale vlucht (en dat is de laatste jaren steeds de nationale klassieker uit St.-Vincent-de-Tyrosse geweest).

V. - Laat ons verder de lijn volgen van uw verzorgingsmethode, met dien verstande dat de lezers een inzicht kunnen krijgen van uw voorbereidingsmanier met uw jonge duiven naar die nationale vlucht op driejarige leeftijd toe. We weten nu reeds hoe U handelt met de duiven als jong en als jaarling. Hoe gaat U nu verder tewerk met tweejaarse en eventueel oudere duiven ?
A. - Om de verdere werkwijze volkomen duidelijk uiteen te stellen, dien ik terug te grijpen naar die laatste vlucht uit Poitiers die ze eind juli als jaarling hebben afgewerkt. Wanneer ze daarvan thuiskomen, mag hun duivin op het hok blijven zitten, en mag er een ronde gekweekt worden. In die periode laat ik deze duiven voor zover de weersomstandigheden het toelaten, gans de dag vrij binnen en buiten vliegen. Na het kweken van die ronde jonge duiven (late) mogen de duivinnen nogmaals leggen. Dan neem ik evenwel de eieren weg en vervang ze door kalkeieren. Van zodra de koppels dan tot het einde gebroed hebben (hun nest laten liggen), en opnieuw aan het jagen gaan, worden de geslachten opnieuw gescheiden. Van dat ogenblik af worden
de duiven nog enkel uitgelaten bij goed weer, en op een ogenblik dat het mij best past. Vanaf eind oktober - begin november worden ze evenwel voor goed binnen gehouden. Op die manier belanden we in de winterperiode waarin de duiven
tweejaars worden. Ik zal hier nu mijn handelswijze uiteen zetten die ik in 1979 (jaar van de nationale overwinning St.-Vincent) heb toegepast met de tweejaarse duiven :
Ze werden gekoppeld op 10 december. Alles laat ik dan zijn natuurlijk verloop kennen, leg- en broedtijd, uitpikken en de eerste 14 dagen nadien wordt niets speciaal ondernomen. Eens de jongen 14 dagen oud, gaat ook hier de duivin met 1 jong van het weduwnaarshok weg, en blijft de duiver met het 2de jong achter. De jongen blijven aldaar tot de ouderdom van 1 maand, waarna ze dus gespeend worden, en de duiver op weduwschap komt. Tijdens gans die kweekperiode wordt de duiver niet uitgelaten. Het is maar pas wanneer de duiver terug op weduwschap komt dat hij bij goed weer dagelijks gedurende 1 uur wordt uitgelaten.
Alles blijft zo tot omstreeks 1 mei, dan worden de weduwnaars van 2 jaar en ouder opnieuw aan hun duivin gekoppeld, ze mogen dan 10 dagen broeden en worden dan terug gescheiden. Indien de weersomstandigheden het toelaten worden de duivers tijdens die broedperiode aangeleerd. In de 2de helft van mei krijgen ze dan reeds een Clermont voorgeschoteld (dit kan nog tijdens het broeden vallen), en de week daarop nogmaals een Clermont. In de daaropvolgende weken nog een Dourdan en een Oriéans zonder onderbreking. Dan volgt een week rust waarna opnieuw wordt uitgepakt uit Oriéans, om dan na 14 dagen rust een Angoulême voorgeschoteld te krijgen omstreeks eind juni - begin juli. Van dat ogenblik tot en met die Nationale vlucht
uit St.-Vincent-de-Tyrosse worden ze niet meer ingekorfd, dat betekent aldus een rustperiode van 4 a 5 weken. Die rustperiode wordt enkel onderbroken een 10-tal dagen voor de inkorving, dan voer ik ze persoonlijk een 150 km. ver weg, vanzelfsprekend in de vluchtlijn blijvend. Op die manier hebben ze toch nog een goede training, en komen niet meer in aanraking met andere duiven zodat de kans op het aangetast geraken door één of andere ziekte aldus kan voorkomen worden. En de volgende stap is dus de nationale St.-Vincentvlucht. Eens ze daarvan thuiskomen blijven duivers en duivinnen samen, en mogen een late ronde kweken. De hiervoor beschreven cyclus van het voorgaande jaar herhaalt zich van dat ogenblik af opnieuw volledig.
En zo gaat dat dan jaar in jaar uit.
Ook hier wordt voor de inkorving nooit een duivin vertoond, en wordt identiek dezelfde werkwijze toegepast als beschreven bij de jaarlingen voor wat de duur van het verblijf van de duivin op het weduwnaarshok betreft, bij de thuiskomst van de duiven.

V. - Hoe gaat U tewerk bij het voederen van uw duiven (in het bijzonder dan de vliegduiven) in de winterperiode • waar wij onder verstaan „ de rui- en kweekperiode ". Geef eventueel ook de samenstelling van uw mengeling.

A. - Laat me toe eerst duidelijk te stellen dat ik een voorstander ben van een eerder lichte voeding, en dat de basis van mijn mengeling steeds bestaat uit „ kweek " of „ vlucht ". Om te beginnen voeg ik steeds op 50 kg. vlucht- of kweekmengeling 5 kg gerst bij - wat dus 10 bedraagt. Wanneer ik hierna uitpak met de vermelding ,, volle kweek " of ,, volle vlucht " dient men daaronder te verstaan dat de gerst reeds toegevoegd werd. Ziehier hoe ik per afzonderlijke periode te werk ga :
In de ruiperiode : Hier krijgen de duiven de volle kweekmengeling, ze worden tweemaal daags ('s morgens en 's avonds) gevoederd in een gemeenschappelijke eetbak op de bodem van het hok. Telkens wordt er dan ruim 1 soeplepel per duif verstrekt. Maar indien hel geval zich voordoet dat het eten van 's morgens bij de volgende maaltijd nog niet allemaal op is, wordt er dan geen nieuw eten verstrekt - het tegenovergestelde is vanzelfsprekend ook van toepassing.
Tussen rui- en vroege kweekperiode : Hier is het opnieuw de vluchtmengeling die voor 50  wordt aangevuld met zuiverings-
mengeling. In die periode worden de duiven ook 's morgens en 's avonds gevoederd, krijgen hun volle goesting - waardoor ik versta dat ze eten krijgen zolang ze de gerst niet laten liggen. Eens dat opgemerkt wordt, stop ik het voederen onmiddellijk.
In de kweekperiode : Ongeveer 14 dagen voor het koppelen der duiven met betrekking tot de vroege kweek, krijgen de duivers de volle kweekmengeling, terwijl aan die volle kweekmengeling voor de duivinnen nog 10 % gepelde haver wordt toegevoegd (gepelde haver is goed voor de eierschaal). Vanaf het ogenblik dan dat de duiven gekoppeld worden, krijgen ze nog uitsluitend de volle kweekmengeling - en dit tot ze ongeveer 8 dagen broeden. Na die week broeden schakel ik over op 50 % zuivering x 50 % kweek, zulks tot aan het uitpikken. Van dat ogenblik af is het opnieuw een volle kweekmengeling die gevoederd wordt. Ik blijf verder voederen in een gemeenschappelijke eetbak op de bodem van het hok, tot de jongen ongeveer 21 dagen oud zijn (3 weken) dan wordt er benevens in de gemeenschappelijke eetbak, ook in iedere woonbak een potje gezet om de jongen te leren meepikken. In de grote eetbak op de bodem wordt er verder volle kweekmengeling gegeven, maar in de kleine potjes wordt enkel tarwe gedaan. Trouwens, na het spenen der jonge duiven krijgen deze de eerste dagen ook niets anders dan tarwe voorgeschoteld. Wat ik ook praktisch dagelijks doe wanneer de duiven met jongen liggen is het volgende • Ik neem een brok brood en laat dat weken in de melk tot het goed doortrokken is, dan wordt de melk eruit geknepen.
Het stuk brood wordt nadien bestrooid met lijnzaad en grit, waarna ik het geheel op een schotel plaats, en die op het hok plaats. Het is merkwaardig hoe dat gelust wordt wanneer de duiven met jongen liggen.


V • Tot daar de voeding, maar wat wordt er in de drinkpot gedaan ?
Geeft U ook groenten, vitaminen of iets anders ? Worden de hokken
en drinkpotten regelmatig gereinigd ?
A - In de drinkpot is er bij mij steeds zuiver water, uitgezonderd wanneer er na een door de veearts voorgeschreven kuur vitaminen dienen gegeven te worden. Tweemaal daags ververs ik de drinkpotten, en telkens worden ze ook gereinigd. De hokken worden dagelijks grondig gereinigd. Om terug te komen op die vitaminen na een kuur, wil ik er hier nog de
aandacht op vestigen dat ik praktisch steeds vitaminen toedien die met het eten moeten gemengeld worden, het betreft een handelsmerk die in alle apotheken verkrijgbaar is, en die ik aanwend zoals voorgeschreven op de verpakking. Groenten worden doorgaans enkel in het vluchtseizoen voorzien, ik durf dan twee tot driemaal per week enkele bladen salade op de bodem van het hok werpen  of als dat er niet is pluk ik ook wel eens, wat men in de volksmond „ mure " pleegt te noemen. Ook dat
valt duidelijk in de smaak van de duiven.
Iets wat ik ook wekelijks doe in de winter is het volgende : een tweetal citroenen worden uitgeperst, de schillen worden dan fijn gemixt en het geheel wordt over het eten van 1 dag gegoten (wat op voorhand in een emmer werd gedaan) en goed ingemengeld.
In het vluchtseizoen wordt dat ook toegepast, met dat verschil dat de schillen van de citroenen dan worden weggeworpen, en dat het sap ongeveer 1 soeplepel poederbiergist, over ongeveer een halve emmer eten worden gegoten. Ook hier goed worden ingemengeld, en dus wekelijks 1 dag worden toegediend aan de vliegduiven.

V - We hebben reeds de voeding besproken in de winterperiode (rui + kweek), maar laat ons nu even bekijken hoe er gevoederd wordt in de vluchtperiode, en speciaal hoe U tewerk gaat in de weken en dagen die de nationale vlucht uit St.-Vincent voorafgaan !
A - Laat ons eerst en vooral een onderscheid maken tussen :
De weken dat er niet dient gevlogen te worden, en
De weken dat erwel dient gevlogen te worden.

1) Weken die een niet-vluchtzondag voorafgaan :
Dan wordt er 's morgens zuiveringsmengeling gegeven, en 's avonds 50 % vlucht x 50 % zuivering. Telkens wordt er dan gevoederd tot de duiven de gerst laten liggen. Dus mogen de duiven dan hun volle zin eten, zonder dat er evenwel na het voederen nog eten in de bak blijft overliggen.
2) Weken die een vluchtzondag voorafgaan :
Hier wil ik dan opnieuw onderscheid maken tussen een halve fond- en een fondvlucht :
a. Voor wat betreft een halve fondvlucht:
Vanaf 5 dagen voor de inkorving wordt er zowel 's morgens als 's avonds 50 % vlucht x 50 % zuivering gegeven en dit tot de duiven de gerst laten liggen. Hetzelfde geldt voor de 4de en 3de dag (in de praktijk is dit de dinsdag en de woensdag) voor de inkorving. De twee laatste dagen wordt er dan overgeschakeld op de volle vluchtmengeling opnieuw mogen ze hun zin eten, maar ook in die mate dat er na de maaltijd niets mag blijven overliggen in de eetbak. De dag van de inkorving zelf, krijgen we 's morgens dezelfde handelswijze, maar 's middags wordt de eetbak van de vliegers volledig opgevuld. Ze mogen dan eten zoveel ze willen en wat ze het liefst lusten. Maar om 16 uur wordt de eetbak weggenomen, en krijgen ze nadien geen voedsel meer toegediend. Op die manier worden ze dan ingekorfd voor een halve fondvlucht.

b) Voor wat betreft de fondvluchten (St.-Vincent inbegrepen) :
Van 14 dagen tot 7 dagen voor de inkorving wordt er hier zowel 's morgens als 's avonds 50 % vlucht x 50 % zuivering gevoederd. Dit op dezelfde manier als voor een halve fondvlucht, zolang tot de eerste gerstjes blijven liggen.
De laatste week voor de inkorving wordt er overgeschakeld naar de volle vluchtmengeling met dien verstande dat zowel 's morgens als 's avonds de duiven iets minder krijgen toegediend dan hun volle goesting (kan afgeleid worden van de hoeveelheid voedsel die ze de voorgaande dagen hebben opgepikt toen ze wel hun volle goesting mochten eten). Uitzondering opnieuw gemaakt voor de laatste dag, waar er net als op de halve fond, omstreeks het middaguur een volle eetbak ter beschikking wordt gesteld van de vliegers, om 16 uur wordt ook hier de eetbak weggenomen, waarna de duivers dan 's avonds worden ingekorfd.
Bij de thuiskomst van de vlucht, krijgen de weduwnaars 50 % vlucht x 50 % zuivering. Minder dan bij andere maaltijden om een vlotte spijsvertering na een lange inspanning niet tegen te werken. En van de volgende dag af wordt naargelang het te verwerken programma opnieuw overgeschakeld naar het begin van de cyclus weken die een niet-vlucht-zondag voorafgaan  of weken die wel een vluchtzondagvoorafgaan. Zodat opnieuw een identieke wijze wordt gevolgd naar de volgende prijsvlucht toe.

V. • Wordt er soms gekuurd op eigen initiatief ? Wat denkt U van preventief kuren, en hoe dikwijls raadpleegt U een veearts ?
A. Er wordt nooit op eigen initiatief gekuurd, wanneer één of ander wordt opgemerkt op het hok, raadpleeg ik onverwijld een veearts. Aan preventief kuren kom ik nooit toe, dat heeft slechts weinig kans op succes.
Normaal raadpleeg ik jaarlijks drie a viermaal een veearts maar daar voeg ik onmiddellijk aan toe, dat dit aantal raadplegingen hoger kan liggen wanneer ik meen iets vast te stellen op het hok. Als de veearts na consultatie een voorschrift geeft, dan zal dat zonder fout worden gevolgd.

V. • Wordt er gebruik gemaakt van inentingen tegen paratyphus en tegen pokken ?
A. - Ik zal hier recht voor de vuist op antwoorden. Er werd verschillende jaren ingeënt (inspuiting) tegen paratyphus, maar in 1979 (jaar van de nationale overwinning) werd dat niet gedaan. Ik kan hier dan ook moeilijk stelling innemen, toch zou ik in alle bescheidenheid willen verklaren dat naar mijn mening een inenting tegen paratyphus vermoedelijk geen ongunstige weerslag heeft op de prestaties van de duiven.
Wat inenten tegen pokken betreft, dat is reeds een algemeen verschijnsel die praktisch iedereen toepast, en waarvan door velen reeds beklemtoond werd dat het van geen enkele invloed is op het spelpeil der duiven. Wat mijn hok betreft, is het zo dat ik ieder jaar de twee eerste ronden jongen inent tegen de pokken.