Search

De geschiedenis van de Belgische duivensport - De Meyer Etienne (Lembeke, BE) - Deel I

Een man die ontegensprekelijk zijn stempel heeft gedrukt op de duivensport in de zeventiger jaren, is het gemeenteraadslid uit Lembeke, de alombekende kampioen Etienne De Meyer

De succesrijke methode van  Etienne De Meyer
Reeds als jongeling was hij nauw bij de duivensport betrokken, want ook wijlen zijn vader was geen onaantrekkelijk liefhebber in eigen streek, en kwam zelfs regelmatig tot  successen. Het stokpaardje van vader De Meyer was de snelheid, begrijpelijk dat Etienne zijn eerste zelfstandige stappen in onze sport dan ook plaatste in dezelfde discipline. Dat was in het begin der zestiger jaren, en van toen af was het werkelijk reeds merkwaardig hoe deze nieuwkomer meteen al aanknoopte met mooie uitslagen en zelfs met het winnen van een Koningstitel. Niet alledaags voor een eerste jaarsliefhebber, maar uiteraard slechts het begin van wat we kunnen noemen „ de groei naar de topklasse ".
Het ligt hier niet in de bedoeling om die ganse ontwikkeling van naaldje tot draadje uiteen te zetten, want dit zou op zichzelf reeds een hoofdstuk betekenen. We gaan dan ook meteen de sprong maken naar het begin der zeventiger jaren, toen was Etienne reeds overgestapt naar de halve fond, eenvoudig omdat hij op de snelheid zowat alles onderste boven had gespeeld, en alles won wat er te winnen was. De stap naar de boven Parijsvluchten betekende voor hem geen proefneming, maar eerder een noodzaak omdat hij op de snelheid gewoonweg te weinig armslag had, en ook al omdat de klasse van zijn duiven naar een zwaardere konkurrentie vroeg. Wellicht zal toen niemand  gedacht hebben dat deze Etienne De Meyer amper een paar jaartjes later reeds één der meest gevierde en gelauwerde kampioenen uit het Vlaamse land zou zijn. Inderdaad stamt uit die periode de wereldberoemde „ 104", een formidabele duif die herhaaldelijk in de pers werd betiteld als „ de beste Belgische halve fondduif ". En niet ten onrechte, want „de 104 " eindigde liefst driemaal op de 1ste plaats in de Provinciale Kampioenschappen, tweemaal was hij de beste duif uit de provincie op de halve fond, en éénmaal op de snelheid. Een aaneenschakeling van sublieme prestaties sieren zijn unieke erelijst, en na zijn beroemde toeren op de prijsvluchten zou diezelfde 104 de vaandeldrager worden van de gereputeerde kweekbron van de Lembekenaar, Sedertdien is er alweer heel wat water naar de zee gestroomd, en is de kolonie De Meyer uitgegroeid tot één der nationale topkolonies op de halve fond. Zijn naam is in het Vlaamse land synoniem voor „de rekordman " of ook „ de leverancier " der kampioenen. „ Rekordman " omdat hij liefst vier maal 1ste eindigde in de Provinciale Kampioenschappen in een periode van 5 jaar. „ Leverancier der kampioenen " omdat verschillende vooraanstaande halve  fondkampioenen uit gans het Vlaamse land topduiven bekwamen uit zijn gereputeerde kweekbron !

V. - Hoe en met welke rassen werd uw stam samengesteld, en wat doet U om hem verder in stand te houden. Geef hierbij enige uitleg !
A. - Het liep eigenlijk reeds gesmeerd vanaf het eerste seizoen dat ik zelf een hokje duiven beheerde. Pas gestart in 1957 was het in 1958 reeds raak en won ik mijn eerste kampioenentitels. Dit was toen zuiver met de rechtstreekse duiven komende van het hok van wijlen mijn vader Michel De Meyer. De eigenlijke uitbouw van mijn kolonie kwam tot stand in 1961, toen kocht ik bij de toenmalige (en nu nog steeds aan de top staande) topkolonie Gaby Verstraete uit Balgerhoeke een late jonge duif, die trouwens nu bekendheid geniet als „ de Late " - om reden dat hij is  uitgegroeid tot één der stamvaders van mijn huidig hok. „ De Late " was een zoon uit ,, de Witte " welke op zijn beurt de laatste zoon was uit dat fenomenale koppel van Gaby  Verstraete „ oude Rik " x ,, Schuwe ". Ter vervollediging wil ik hier aan toevoegen dat die ,, Schuwe " een duivin was welke door Gaby werd aangekocht in de totale verkoping van Jerome Vereecke (vader van Roger ) uit St.-Lodewijk-Deerlijk. Dan kwam de soort van De Jaegher uit Melden op het hok, en dit via Aimé Vincent (Eekio).
Het is dan dat uit die kruising der rassen Gaby Verstraete x De Jaegher, het fameuze „ Vooruitje " is afgestamd. En aan dat „ Vooruitje " werd toen „ de Late " gekoppeld - en meteen zijn we bij mijn 1ste stamkoppel beland. Uit dat koppel zijn ondermeer volgende in het Meetjesland bekende duiven afgestamd : „ de Witkele ", „ de Jonge Witkele ", de „ 03 ", „de Blesse ", „Klein Blauw" (die de moeder is van de beroemde „ 104 ", door velen bestempeld als de beste Belgische halve fondduif), „Oude Witte" enz., enz.
In 1968 schafte ik toen de soort De Smet-Matthys aan via Herman Roegiers uit Oosteeklo. En precies een duiver van die De Smet-Matthyssoort, die trouwens „ de De Smet-Matthys " werd genoemd, koppelde ik aan „ de Oude Witte " (is een dochter uit stamkoppel 1) en meteen was mijn 2de stamkoppel gevormd, waaruit ondermeer afstammen : „ Vuil Sproetje ", „ de fameuze 235 ", „ de 236 " enz. En tenslotte het 3de stamkoppel, dat bestaat uit ,, de Aimé " (ras De Jaegher, maar via Aimé Vincent) x „Klein Blauw " (die ook een dochter is uit stamkoppel 1), en uit dat koppel komen ondermeer de beroemde „ de 104 ", „ de Witslager ", „ de Oude Vuile ", „ de Grote Vuile ",
„ de Late Vuile " enz. Jarenlang werd door inteelt de stam in stand gehouden, dit tot halverwege de zeventiger jaren toen er beroep gedaan werd op de rassen Leon De Clercq uit Astene, en Daniël Van Ceulebroeck uit Balegem. Met beide rassen werd er geslaagd. Ondertussen is ook „ de 104 " een ware stamvader geworden, en dit dan gekoppeld aan verschillende duivinnen :
A. „De 104" x „Vuil Sproetje" (dochter stamkoppel 2) waar ondermeer „ de 022 " is uit afgestamd, die zelf de moeder is van die fantastische jaarling „ de 710 " die in 1980 zowel op de halve fond als de snelheid 2de eindigde in de Provinciale Kampioenschappen Oost-Vlaanderen, en die ook 3 eerste prijzen won op de halve fond in 1980.
B. „De 104" x „de Blauwe Clercqduivin " waaruit een hele resem topduiven zijn gestamd : „ de 975 ", „ de Vooruit ", „ de 927 ",  „de 928 ", „Kort Blauw", „Witpen" (die nestzuster is van 975) enz.
C. „ De 104 " x „ de Fabryduivin " waaruit ondermeer „ de Braven " afstamt.
D. „ De 104 " x „ Geschelpte Clercqduivin ", dit is de jongste koppeling toegepast in 1980, maar waaruit de grote belofte „ de Geschelpte Favoriet " is afgestamd.
Ziedaar de stamlijnen, alsook de huidige bezetting van mijn kolonie.
Praktisch al mijn duiven zijn elkaar verwant, want wanneer we de afstamming nader bekijken, komen we bijna iedere keer bij de drie voornoemde stamlijnen terecht. Wat  betekent dat ik wel een duidelijke voortzetting van die vroegere stamduiven mag citeren.

V • Wanneer voert U een selektie uit op uw hok, en op welke basis wordt er geselekteerd in het vooruitzicht van een nieuwe koppeling voor de vroege kweek ?
A. - De selektie wordt pas doorgevoerd na het vluchtseizoen, met dien verstande natuurlijk dat de jonge duiven die tijdens het opkweken minder vlot uitgroeien vanzelfsprekend niet behouden blijven. De andere krijgen evenwel allen hun kans om hun mogelijkheden te bewijzen op de prijsvluchten. Ter verduidelijking kunnen we hier nog aan toevoegen dat het slechts sporadisch voorvalt dat ik een jonge duif tijdens de opgroei moet verwijderen. Wanneer ik dan na het vluchtseizoen de eigenlijke selektie  doorvoer, heb ik twee verschillende methoden.
De 1ste methode is die welke toegepast wordt op de afstammelingen van één der voornoemde stamkoppels (zie 1ste vraag), daar wordt in de eerste plaats rekening gehouden met de afstamming, en pas in 2de instantie met de vliegprestaties. Die jongen uit de stamkoppels krijgen ook bij mindere prestaties het volste vertrouwen, omdat ik in het verleden reeds herhaaldelijk ondervonden heb dat ze pas tot hun volle recht komen in het weduwschapsspel als jaarling of tweejaarse duif. De andere jonge duiven (niet  afstammende uit één der stamkoppels) worden geselecteerd op basis van hun vliegprestaties, en in mindere  mate ook met betrekking tot hun afstamming. Vast staat hier evenwel dat deze jongen bewijzen moeten gebracht hebben in hun geboortejaar, willen ze behouden blijven.
In het vluchtseizoen zelf zal ik nooit een selectie doorvoeren, noch bij de jonge noch bij de oude duiven. Dit om reden dat de duiven op het hok een kring vormen, die volgens mijn inzicht zeker tijdens het seizoen niet mag gebroken worden. Uit ondervinding kan ik citeren dat vooral bij de weduwnaarsduivers, het verwijderen van een bepaalde duiver van het hok, de prestaties van een andere duif ongunstig kan beïnvloeden.
De selektie geschiedt aldus ook bij de oude duiven na het vluchtseizoen, maar nog vooraleer gekoppeld te worden voor de late kweek. Terloops kunnen we hierbij aanhalen dat alle kweekduiven en vliegduiven worden ingeschakeld in de late kweek.

V. • Hoe wordt er na de late kweek, in de verdere winterperiode gevoederd ? Vertel ons iets over de samenstelling van uw voeding. Worden er tijdens dezelfde periode ook vitaminen • groenten - mineralen enz. toegediend ?
A. - De voedingsmethode is op mijn hok jaar in jaar uit dezelfde, steeds wordt een identieke samenstelling gebruikt. Die samenstelling is eerder naar de lichte kant toe, en is  zeker niet geheim gezien mijn mengeling in de handel verkrijgbaar is. De samenstelling : cinquantine maïs, dari, cardy, tarwe, gerst, groene erwten, engelse erwten. Die mengeling ondergaat alleen een wijziging in de ruiperiode, dan wordt per kilo mengeling een platgestreken soeplepel lijnzaad bijgevoegd. Tweemaal daags worden de duiven gevoederd, een vaste maat van voederen bestaat er niet, gezien ik voeder op het gevoel (dit betekent het zien en aanvoelen dat de duiven genoeg krijgen). Grit, mineralen en piksteen zijn jaar in jaar uit op het hok aanwezig, en worden geregeld ververst of bijgevoegd. Een handelsmerk van vitaminen dien ik geen enkele maal toe op een gans jaar.  Daarentegen tracht ik wel vitaminen rechtstreeks uit de natuur op het hok te brengen, en wel als volgt : het sap van rauwe maar fijngemixte groenten zoals wortelen, peterselie en melknetels, wordt na een nacht trekken in de drinkpot gedaan. Terwijl ook de fijngemalen groenten op een bord of iets dergelijks, op het hok worden geplaatst en opgepikt  worden door de duiven. Mijn werkwijze bij het klaarmaken van dit sap : ik neem 7 a 8 liter water welke ik in een emmer doe, daar voeg ik 1 kilo in fijne schijfjes gesneden  wortelen, een handvol peterselie en een handvol melknetels aan toe. Het geheel wordt dan fijngemalen met een mixer en wordt na een nacht trekken integraal toegediend aan de duiven. Deze handelswijze wordt wekelijks herhaald, en dit gans het jaar door. Het bekomen sap wordt slechts één dag op het hok gelaten.
Het is duidelijk dat hier de nodige vitaminen in verwerkt zitten, zodat ik nooit gebruik dien te maken van poeder- of andere handelsvitaminen. In de mate van het mogelijke worden de hokken bij mij dagelijks gereinigd. Terwijl ik ook de drinkpotten telkens zal uitkuisen en verversen. In de winter krijgen de drinkpotten slechts éénmaal daags een beurt, maar tijdens het vluchtseizoen is dat telkens tweemaal per dag.

V. - Wordt er in de winterperiode (tussen einde vluchtseizoen en koppelen voor vroege kweek) gekuurd ? Of wordt er in die periode een veearts gekonsulteerd ?
A. - In normale omstandigheden zal ik zeker niet kuren in de winterperiode. Alleen wanneer ik iets ongewoons zou vaststellen, zou ik in die periode een veearts (steeds  dezelfde) raadplegen, en uiteraard ook diens advies involgen. Op eigen initiatief heb ik nooit gekuurd. Dus normaal gezien komt er geen raadpleging van een veearts voor het koppelen. Wel zal dat gebeuren een paar weken voor de aanvang van de prijsvluchten.

V. • Wanneer worden respectievelijk de kwekers en vliegers gekoppeld voor de vroege kweek ? Met welke elementen houdt u rekening bij de samenstelling van uw koppels, en hebt u ook vaste koppels ?
A. - Het is omstreeks Kerstmis dat ik ieder jaar mijn duiven koppel, en dit dan tegelijkertijd de kwekers en de vliegers. Er wordt rekening gehouden met de  weersomstandigheden, zo zal er bij geweldig koude temperaturen zeker niet gekoppeld worden, maar wel wat uitgesteld tot het weer zachter wordt. Wat vaste koppels betreft, kan ik bij mijn kwekers inderdaad enkele koppels aanduiden die in het verleden reeds duidelijke bewijzen van kweekwaarde hebben geleverd, en die dan ook quasi vast mogen genoemd worden. Toch ligt het nog in de lijn van mijn handelingen om ook deze duiven nog eens in een 3de of 4de kweekronde, bij wijze van proef, aan een ander te koppelen (n.v.d.r. zie de verschillende (4) duivinnen waarmee de top vlieger en fameuze kweker „de 104 " werd gekoppeld). De andere kweekduiven en vliegduiven ondergaan regelmatig een herkoppeling, wat niet betekent dat de vliegduiven ieder jaar opnieuw een andere duivin krijgen - hier wordt beslist ook rekening gehouden met de waarde als weduwnaarsduivin, wat ik ook als belangrijk durf te bestempelen, met het oog op de prestaties van de duiver in kwestie. Bij de samenstelling van de koppels volg ik doorgaans mijn intuïtie, waarbij dan uiteraard ook op het familieverband wordt gelet. Al te dichte familiekweek hoort er voor mij beslist niet bij, de dichtste koppeling die ik tot op heden  doorvoer is tante op kozijn, of ook wel nicht op kozijn. Vooral met dat laatste heb ik werkelijk reeds positieve resultaten mogen noteren. Ik zal de koppels zodanig vormen dat de stamlijnen (zie 1ste vraag) steeds zoveel mogelijk in eer zullen worden gehouden, teneinde aldus een standvastig type van duiven te kunnen bekomen.

V. - Mogen de vliegduiven tijdens de winterperiode regelmatig buiten ?  Hoe dikwijls en hoelang krijgen ze dan de vrijheid ? Wordt er tijdens  de kweek bij strenge koude een verwarmingsbron op het hok aange bracht ?
A. - Tijdens de winterperiode, maar dan vooraleer de duiven gekoppeld  worden voor de vroege kweek, laat ik de vliegduiven tweemaal per week gedurende ongeveer 1 uur uit - dit zal in ongunstige weersomstandigheden zeker niet gebeuren. Eens gekoppeld en goed gepaard  zijnde, worden duivers zowel als duivinnen wekelijks vier- tot vijfmaal  uitgelaten telkens voor ongeveer een uur. Dat gebeurt zeker niet op  vaste tijdstippen, maar wel naargelang de weersomstandigheden, en de  vrije tijd die ik op dat ogenblik kan opbrengen.
Een verwarmingsbron bij strenge koude zal ik nooit op het hok  aanbrengen, zelfs niet tijdens de kweek. Ik acht dat volkomen overbodig, en ben er tenvolle van overtuigd dat gezonde piepers (hoe klein ze ook mogen zijn) daaraan beslist geen behoefte hebben. 

V. - Hoe en hoeveel maal per dag wordt er gevoederd tijdens de kweek ? Krijgen de duiven dan ook specialiteiten in eten of drinken, of zijn er andere bijzonderheden die hierbij kunnen vermeld worden ?
A. - De samenstelling van de voeding is ook dan identiek als in ruien vluchtseizoen (zie hieromtrent de beschrijving onder de vraag over de late kweek), het is hier opnieuw de eigen mengeling (die ook in de handeling verkrijgbaar is) die wordt verstrekt. Er wordt tweemaal daags gevoederd, en dit gebeurt steeds in de eigen woonbak (worden aldus afzonderlijk gevoederd). Een vaste maat heb ik niet bij het voederen, ik ga gewoon tewerk op het gevoel. Ik kan eigenlijk niet omschrijven aan wat ik het precies zie dat de  duiven verzadigd zijn, maar ik voel het toch aan. Anderzijds is het ook zo dat de ene duif toch meer eet dan de andere, en dat het op maat voederen aldus voor sommige duiven ontoereikend is, terwijl het voor de andere net iets teveel kan zijn. Mijn inziens is dat „ feeling " die men moet hebben om een gepaste hoeveelheid te voederen, en die „ feeling " heeft men of heeft men niet. Een preciesere uitleg kan ik hieraan niet geven. Verder worden er in de voeding geen specialiteiten gedaan, de voedingssamenstelling is  voldoende kwaliteitsvol en vitaminerijk om geen toevoegsels meer te moeten bijvoederen. Zoals steeds, waak ik er wel over dat er doorlopend grit, mineralen en piksteen voorradig zijn op het hok.