Search

Lappen en opleren - Deel III

Nederlander Arie v.d. Hoek was destijds niet alleen een gewaardeerde duivensportkronijker maar bovendien ook een zeer succesrijk duivenliefhebber, die veel aanzien genoot in eigen land en ver daarbuiten.

In een vergeeld krantenknipsel vonden wij wat wijlen v.d. Hoek jaren geleden schreef over het ‘lappen en opleren’ van duiven. Wij citeren letterlijk:
“Verleden week om nog precies te zijn op zondag 28 maart, zag ik een melker op de weilanden bij Voorlinden te Wasselaar een 25-tal duiven lossen. ’t Was koud! We hadden al een kleine drie kwartier gelopen met wind op kop en de winterjassen en de sjaals kwamen goed van pas. Een graad of 5-6, wel redelijk helder doch onaangenaam vanwege de dunne straffe wind. Waarom zou de betreffende melker de kou getrotseerd hebben en zijn duiven gelapt? Een week eerder had ik een vriend uit Zuid-Beveland aan de lijn. Die had die morgen of de vorige dag bij vriezend weer ook iemand een mandje duiven zien lossen. Een man dus met een nog groter geloof in de lapperij. En terwijl ik dit schrijf komen mijn duiven van de normale ochtendtraining terug en ze zijn vast en zeker tot halverwege het Westland geweest. Toen ik de hokken open deed, kwamen de doffers naar buiten. Ze draaiden even en een aantal ging tegen de wind in, strak en recht naar het Z.W. Een half uur later kwamen ze pas terug.

En als ze straks weduwnaar zijn? Of de jongen trekken? Hoe ver zouden ze gaan? Veel verder dan u denkt. Als de vluchten beginnen zullen ze hier, vermoedelijk zonder voorafrichting, in 1 x naar Essen gaan en, mits ze in orde zijn, prijs vliegen. Doen ze dit niet dan heeft het met lappen en opleren niets te maken.

Ik heb alle jaren na de oorlog bewust duiven gehouden en alle kunstjes die er bestaan uitgehaald. Ook op het gebied van opleren! U weet wel: 2 km., 5 km., 10 km., 20 km., enz. Ik heb ze één voor één losgelaten. Ook uit alle richtingen en vooral 25 jaar geleden maakte ik daar een ernstige zaak van. Tot ik met een mandje met jongen van de 2e ronde in Monster bij de watertoren zat om ze één voor één los te lossen en toen plotseling mijn eerste ronde over zag trekken. Ik zag het aan de kleuren die ik toen had. Wat ben ik aan het doen?, dacht ik. Het één voor één heb ik toen maar nagelaten en het lappen van kleine tot steeds groter wordende afstandjes ook.

Natuurlijk is lappen met lekker weer als we de tijd hebben een plezierige bezigheid. Dus doen als we er van houden. Om het eigen genoegen. Niet om de duiven iets te leren.
Maar zoals zondag en een zondag eerder met zulk beestachtig weer? Dergelijk gedoe geeft eerder nadeel dan voordeel.

Vliegen met koud weer is goed als ze het zelf willen en doen. Wedvluchten en, als men dat wil, opleren passen bij goed weer. En mogelijk met al wat groen aan de bomen. Niet dat de duiven door vliegen bij winterweer allemaal achterblijven doch het verliespercentage is groter. De bezetters, die tijdens de oorlog een aantal hokken in beslag genomen hadden, vlogen met deze de hele winter door. Is het gelogen dan lieg ik, doch een eigenaar van zo een in beslag genomen hok, die alles wat er gebeurde kon zien, vertelde het me. Sneeuw en vorst vormden geen beletsel om een aantal duiven regelmatig afstanden van 50 tot 60 km. te laten vliegen. Hij vertelde mij ook, dat de lossingen bij alle weer grote verliezen opleverden en hij noemde de duiven (zijn eigen in beslag genomen kleppers), die dwars door alle ellende heen toch steeds naar huis kwamen.

Maar laten we er geen voorbeelden aan ontlenen. Wij vliegen met goed weer! En de temperaturen wezen mogelijk in elk geval boven 10°C. Onze verantwoordelijkheid tegenover onze duiven legt ons de verplichting op als we wedvluchten organiseren de duiven een redelijke kans te bieden. Ik heb van de opleervluchten gedurende de laatste 20 jaar maar één voordeel gezien. En dan reken ik het ‘zelf een eindje weg brengen’ niet mee. Dat is voor onervaren duiven het voor de eerste keer in boxen zitten met vreemde duiven, het versjouwd worden, het rijden over goede en slechte wegen en het met duizenden gelijk in een vreemde omgeving gelost worden. Om deze reden korf ik wel eens een enkele keer voor een leervlucht van 20 à 30 km. in. Anders nooit.

Maar vaak vind ik het weer niet goed of komt er iets anders tussen en dan gaan ze in één keer naar 60 à 70 km. En met een gummiring om. De eerste vluchten verlopen altijd, precies als bij de melkers die altijd lappen zonder bijzondere verliezen. Wel valt een wat minder ordelijke thuiskomst, vooral van bijvoorbeeld de jongen te constateren. Wat meer uit verkeerde richtingen (meevliegen), wat zenuwachtiger en misschien nog wel wat. Maar meer nadelen zijn er niet te noemen. De duiven hebben het oriënteringsvermogen aangeboren. Verder trekken ze, als ze gezond zijn, wel ongeveer de afstanden van de leervluchten en het is tijdens hun eigen training dat ze grote ervaring opdoen. Ook als we risico’s durven nemen bij het elke dag loslaten. Ik neem dat risico bij de jongen zeer bewust. Alleen de dichte mist is voor jonge beestjes te erg. Dan mogen bij mij alléén de oude duiven, die open hok hebben, los. Maar regen of wind alléén houden de hokken van de piepers niet dicht.

We hebben allemaal onze eigen manier om de sport te beleven en al of niet kampioen te worden. Laten we het zo houden en niet alles volgens patroon doen. Dat ik mijn ervaring wat betreft ‘opleren’ nog eens neerschrijf wordt mede veroorzaakt door wat ik zag en hoorde. Ook door de vragen die me bereikten. Gisteravond nog een: Zou u het aandurven, want het kan bij mij door toevallige omstandigheden niet anders, de weduwnaars in één keer op 100 km. te zetten? Ja, dat durf ik aan. Ik doe het niet doch dat is een andere zaak. Maar ik heb een vriend in het Westland, die meerdere keren in eens naar 100 km. springt.”

Als men nagaat welke uitslagen voornoemde liefhebbers behaalden, kan men bezwaarlijk beweren dat hun systeem fout was. Dat er nog steeds liefhebbers zijn die het doen als 100 jaar geleden en eveneens topspeler zijn, bewijst niet dan hun systeem beter is. Het is niet omdat zij een deel nutteloos werk doen dat hun duiven daar minder door presteren. Dat zij door nutteloze opleervluchten ook nutteloos geld verspillen is een andere zaak. Dat onze lezers dit maar eens in overweging nemen. We leggen er nog eens de nadruk op, dat de jongen minstens 3 maanden oud moeten zijn en bovendien kerngezond. Een kuur tegen trichomoniase een paar weken voor men met het opleren begint, is in die zin misschien wel aan te raden.”