Search

Lappen en opleren - Deel II

Zin en onzin van lappen (zelf wegbrengen) en... opleervluchten voor jonge duiven

Over het onderwerp vermeld in hoofding van dit artikel vonden we in het boekje “Snellere Duiven” van Rik Vrancken het volgende:

Jonge duiven ‘opleren’?

“Hier dan het artikel over het al dan niet zogenaamde opleren van jonge (of oudere) duiven. Ik gebruik opzettelijk de term ‘zogenaamd’ omdat ik er, door een ver doorgedreven reeks proefnemingen van overtuigd ben geraakt, dat duiven hoegenaamd niet op te leren zijn.

Alle vogels bezitten een zintuig dat hen in staat stelt een bepaalde plaats terug te vinden, voornamelijk dan hun woonplaats. Dat oriëntatiezintuig is bij de meeste vogels zeer ontwikkeld en dat dit vooral bij onze sportduiven het geval is, hoef ik voor de lezers wel niet nader te verklaren. Over oriëntatiezin bestaan er al heel wat geleerde betogen. We hebben zelf, enkele jaren geleden, hierover een thesis weten verdedigen door een studente van de Franstalige universiteit van Louvain-la-Neuve. De studie gaat echter steeds verder en er staat ons op dat gebied wel een en ander te wachten. Intussen worden heel wat veronderstellingen, die tot heden opgang maakten, door ervaringsfeiten gelogenstraft.

Ook op dit gebied kunnen onze geleerden best de hulp gebruiken van de mensen in de praktijk, de duivenliefhebbers, die het nodige onderscheidingsvermogen paren aan een ononderbroken aandacht voor het gestelde probleem. Sinds jaren was ik ervan overtuigd geraakt, dat duiven hun ingeboren oriëntatievermogen tijdens hun eerste levensmaanden uitermate sterk weten te ontwikkelen. Mijn eigen ervaring en deze die ik opdeed bij liefhebbers die aandacht schonken aan dit probleem en dit voornamelijk bij mijn vriend Jef Carlens, overtuigden mij stilaan dat het volkomen overbodig was jonge duiven aan die zogenaamde opleervluchten te onderwerpen.

Wat ik intussen wel degelijk vaststelde was het feit, dat gelijk welke besmetting het oriëntatievermogen erg op de proef stelde en dat sommige besmettingen zelfs verantwoordelijk zijn voor het voorgoed verdwalen van onze duiven. Besmette duiven inkorven is dan ook volkomen onverantwoord. Niet enkel ten opzichte van zichzelf en zijn duiven, maar nog tegenover de andere liefhebbers.

Een andere, eveneens ernstige fout, die heel wat liefhebbers begaan, is het te veel opsluiten van hun jonge duiven. Meestal omdat ze zogezegd de rust van de duiven op weduwschap zouden storen. Daar is, meen ik, wel een mouw aan te passen zonder die jonge duiven die zo noodzakelijke speeltijd te onthouden. Ik verklaar mij nader: zodra jonge duiven gespeend zijn en op hun eigen jongeduiven afdeling terecht komen, moeten ze het leven leren kennen. Jonge duiven moeten niet enkel leren hun vleugels te gebruiken, ze moeten eveneens de nabije en de verre omgeving van het hok leren verkennen en dat kunnen ze enkel als ze werkelijk de hele dag buiten mogen. Met uitzondering natuurlijk van de trainingsuren van de oude duiven. Dat is een opvatting waarvan ik sinds jaren doordrongen ben maar die ik het voorbije seizoen tot in haar uiterste consequenties heb doorgedreven.

Wegens allerlei omstandigheden, die met het behandelde thema niets te stellen hebben en die ik hier dus niet herhaal, moest ik tamelijk laat het kleine aantal duiven dat ik op dat ogenblik nog bezat, bij elkaar brengen en hield ervan een klein stelletje jonge duiven over. Tegen einde maart kregen die hun eigen afdeling en ze mochten vanaf de eerste dag na het spenen vrij buiten, waarbij ik wel even moet aanstippen dat ik ze de eerste maand wel wat behoedde voor al te grote problemen. In de vallei achter mijn woning, waarin twee beken vertrekken naar enerzijds de Maas en anderzijds de Schelde, waarvan trouwens de plaatsnaam Waterschei voortkomt, trokken steeds veel Nederlandse duiven door, wat de jonge duiven al eens vroeger voor grote problemen stelde. Na die proeftijd echter maakte ik gebruik van de wetenschap dat er Nederlandse duiven gelost werden die vermoedelijk zouden langskomen, en liet met opzet mijn jonge duiven open hok. Ook naar gelijk welke weersomstandigheden keek ik van dan af niet meer om, ze moesten het allemaal doormaken. Enkele jonge duiven gingen verloren. Echter niet méér dan in vroegere jaren, toen ik er bezorgd om was.

Ze hadden een heerlijke jeugd mijn piepers en ze zouden er me opperbest voor belonen. Ze werden evenmin geplaagd met ‘leervluchtjes’. Ik ben ze inderdaad niet éénmaal gaan oplaten, behalve later voor de eerste prijsvluchten een paar keer. Ook de opleervluchten van mijn vereniging mochten ze niet meemaken, behalve de allerlaatste op 60 km. afstand. De volgende zondag gingen ze voor het eerst deelnemen aan de eerste prijsvlucht van hun reeks en ze waren present bij de aankomst. Ik heb ze uiteindelijk een laatste maal gespeeld tot Bourges. Amper nog twee duiven omdat de overige door de rui al te zeer zonder pluimen zaten. Van meer dan tweeduizend duiven speelde ik provinciaal de 11e prijs. Nationaal zat deze pieper ook zeer vroeg en de tweede had op de nationale uitslag nog 430 prijzen achter zich.”