Search

Goede raad voor wie duivenliefhebberij als "Hobby" zou kiezen

Deze goede raad komt uit de pen van Leon Petit, de meest suksesvolle duivensportjournalist; auteur van verschillende boeken, en kroniekschrijver bij De Belgische Duivensport en De Sportduif.

Een groot aantal duiven, is niet noodzakelijk!
Het is ingevolge een brief van een onzer correspondenten, dat dit artikel, uit onze pen komt. Het gaat hier om een landbouwer, wiens zoon aan zestienjarige ouderdom, graag zou duivenliefhebber worden. Deze jonge man, voelt er niets voor om zijn studies verder te zetten.
Hij ook, wil zelfstandig landbouwer worden en als hobby koos hij de duivensport. Zijn vader, gaat hiermede akkoord, op voorwaarde wel te verstaan, dat hij zich tevreden stelt met een klein aantal duiven. De zoon kan over een ruime zolder beschikken boven een der stallingen.
De vader vraagt of er bij het beperken van het aantal duiven en een mini-hok, nog mogelijkheid bestaat, zich met de duiven te amuseren ; een sport dewelke de zoon uit vrije wil gekozen had, omdat hij deze sport met sukses ziet beoefenen bij zijn buurman en ook omdat deze er een eigen vermaak in ziet.

Het is een verstrooïng : Het is geen zaak !
Ons antwoord op de vraag was... BEVESTIGEND EN AANMOEDIGEND !
Behalve dat deze bevestiging gepaard ging met zekere voorwaarden.  Het is nooit verboden te dromen, doch men moet steeds trachten de ontgoochelingen te vermijden. Want men moet doen bij het begin dat men zich toelegt op de duivensport is te overwegen dat... opdat het zou blijven duren. Het gaat hier om een vrijetijdbesteding, een amusement; doch niet om er een zaak van te maken. Honderdmaal des te beter, indien de zaken een goede keer nemen en dat er in het
vervolg een winst te boeken is. Doch de geldkwestie, mag hier niet het beoogde doel zijn. Niet meer, dan als wanneer men naar een voetbalmatch gaat kijken, of men tien of honderd pakjes sigaretten rookt.
Men mag niet vergeten dat... diegenen die geld winnen met de duiven, uitzonderingen zijn. Dat onze kandidaat, tracht een uitzondering te zijn, dit zou excellent wezen, want de aantrekkelijkheid tot deze sport zal voor hem een excellente ijver betekenen. Doch wij houden eraan, te zeggen : dat het winstbejag, in de kwestie waarover wij het hier hebben, niet het hoofddoel mag zijn.

De tijden zijn veranderd !
Men telt de dag van vandaag, minder duivenliefhebbers, dan tussen de twee wereldoorlogen ; vooral... in Wallonië. Doch het aantal duiven is daarentegen niet in dezelfde verhouding afgenomen, door het feit dat ieder duivenliefhebber de dag vandaag meer duiven op het hok heeft. In het begin van 1910, stelde de massa zich tevreden met minder dan twintig kostgangers. In 1977, zijn diegenen, die er 30 - 40 of 50 herbergen, het grootst in aantal. Drie oorzaken, zijn aan deze verandering toe te schrijven : het geldelijk gemak en de toeneming van de vrije tijd, van de ene kant, en van de andere kant, het beoefenen van het spel, zoals het weduwschap. Laten wij, voor het gemakkelijker uiteenzetten van de kwestie, de cijfers afronden. Vijfenzestig jaar terug, kostte de mengeling : 0,50 Fr. ; ten tijde dat de werkman, 5 Fr. won.
Nu, kost de mengeling 15 Fr., en de werkman wint 1.000 Fr., zodanig dat de duivenliefhebber — de dag vandaag — goedkoper kan voederen, dan vijfenzestig jaar terug.
 
De speelmethoden zijn insgelijks geëvolueerd !
Vroeger jaren konden alle volwassen duiven op hetzelfde hok ondergebracht worden. Men speelde het nestspel, terwijl men kweekte uit alle duiven die men hield. Dit was verondersteld, te kunnen deelnemen aan alle wedstrijden, zowel met de duivinnen als met duivers. Door het nu aanwenden van het spel — het weduwschap — door de massa liefhebbers, zijn het in veel gevallen alléén de duivers die op reis gaan. Op veel plaatsen, kweken de duivers niet meer en hierdoor is men dus
verplicht een hok-aangestelde kweekduiven te onderhouden. Dit is de huidige stand van zaken, en niemand kan voorzien, dat er hieraan — in de eerste jaren — enige verandering zal komen. Aan de oorzaken die hier komen aangehaald te worden, zou de huidige wens, van zeer veel bekende als niet bekende duivenliefhebbers, de wens kunnen uitgedrukt worden, te weten : het profiteren van een gunstig — succesvol — seizoen, om zekere dag een openbare verkoping in te leggen, die winstgevend is. Op dit gebied, heeft de ondervinding ons geleerd dat de commercialisatie van de successen, weinig duivenliefhebbers onverschillig laat.

Men moet weten zijn eerzucht te beperken !
De liefhebber, die slechts over een dertigtal duiven beschikt, mag zich niet al te gemakkelijk laten beïnvloeden door diegenen die zeggen, dat het enige plezier dat men uit de wedstrijden kan trekken is... het deelnemen aan de fond- en grote fondwedstrijden. Moest men deze geloven, dan zouden er nog alleenlijk overwinnaars zijn op BARCELONA en MARSEILLE, dus... deze duiven, zouden slechts nog van enige waarde zijn ! Het is niet voldoende dat deze waardering waar weze in sommige vreemde landen - groot kopers van duiven ; opdat dit een waarheid zou worden bij ons. Ziedaar, de verklaring van deze uiteenzetting.
Minder talrijk dan wij, en meer verspreid zijnde kunnen veel vreemde  liefhebbers niet in voldoende aantal zijn om een wedstrijd te organiseren door verzameling te blazen van de deelnemers van een regionale wedstrijd. Wat volstrekt de enige keuze oplegt van de grote afstanden. Dit is ook, heel natuurlijk, om slechts waarde te hechten aan zekere duiven en bijgevolg alleenlijk fondduiven te kopen.

Verstandig blijven en overwegen !
Deze voorkeur, bij de vreemde kopers, en die wij zeer goed verstaan, mag ons toch niet té veel beïnvloeden, vooral niet... de kleine duivenliefhebber. Wanneer hij kampioen zal zijn en kandidaat verkoper, zal hij vrij zijn zijn manier van doen — op dit gebied — te veranderen.
In afwachting, is er niets dat belet, in BELGIË — en sommige West-Europese landen — b.v. het Noorden van FRANKRIJK, te profiteren  van de voorkeursituatie, in dewelke de kleine liefhebbers zich bevinden. En... in onze omstandigheden zouden wij ernstig kunnen beweren, dat een kleine liefhebber evenveel genoegen heeft, met de duiven te zien thuiskomen van een snelheidswedstrijd of een halve-fond vlucht ? Hij... die tevreden is met wat hij bezit, is een rijk man ! Wij profiteren van de gelegenheid, om hier te herhalen dat het niet is met: 30 duiven, dat men zich regelmatig mag inschrijven in de grote afstanden. De fond,  is een groot duiveneter. Probeer er ieder jaar één of twee nieuwe kandidaten, en richt uw kweek in de richting, van de lange afstandvlieger. Doch, in afwachting één of meer dergelijke vogels te bezitten, bega geen dwaasheden. Zeg eerder tot uzelf : « ik vind evenveel genoegen en dit is van langere duur en bovendien kost het minder, te spelen op de kleine afstanden en deze passen beter aan de duiven van mijn beperkte kolonie waarover ik beschik dan de vliegduiven met soms zeer beperkte middelen. »

In de praktijk !
Het is zelden niet moeilijk, ons de situatie van onze jonge correspondent in te beelden, aangezien deze ongeveer hetzelfde is als deze waarin wij in het begin van deze zelfde sport geplaatst waren. In zijn plaats, zouden wij op de zolder die ter onzer beschikking is, een duivenhok oprichten, dat een dertigtal volwassen duiven kan herbergen, waarvan één deel op weduwschap en het ander deel op het nest zou gespeeld worden.
Er zijn dus volstrekt twee ingangen nodig. In de eerste plaats zouden er op het weduwnaarshok, 9 vakjes zijn, niet één meer. Driemaal drie vakjes boven elkaar, de onderste : 0,40 m van de grond ; de vakjes met een hoogte van : 0,40 m, dit zou betekenen dat het onderste deel van het bovenste vakje, op : 1,60 m zou komen, en de  totale hoogte zou : 2,00 meter zijn. Van de andere kant, zou dit een  totale breedte betekenen van 2,40 m indien ieder vakje : 0,80 m breed zou zijn. Al de vakjes van de weduwnaars, zouden naar de ingang moeten gericht worden.
Deze ingang, zou in de mate van het mogelijke moeten bestaan in een venster dat — wijd openstaande — de vliegduiven die thuiskomen van de wedstrijd, rechtstreeks in hun vakje zien. Wij raden een minimale grootte aan voor dit venster : hoogte : 0,80 m ; breedte : 0,90 m a 1,00 m.
Indien wij een breedte toekennen voor het tweede hok, voor de duiven, op het nest gekoppeld en voor de jongen, moet het te installeren hok dus : 2 X 3 m = 6 m tellen. In de bijdrage die hieronder volgt, betreffende het tweede hok, zullen wij de beschikbaarheid alsook de voorstellen bespreken met het oog het grootste voordeel te trekken door het aantal bewoners te beperken tot: 30 duiven...

 Ons tweede hok is dus geïnstalleerd op een breedte van drie meter.
Het beschikt insgelijks over een eigen ingang. Het kan ook een venster zijn waarvan de onderste ruiten vervangen worden door kleppen of slingers. Van onze 30 duiven, zullen er 12 op verblijven, anders gezegd : 6 koppels. Wij zullen dus 6 vakjes installeren langs het buitenschot, dus loodrecht tegenover de ingang die zich in het midden van  de ingang zal bevinden én waarvan de diepte tenminste : 2,50 meter zal zijn. Aan de andere zijdelingse wand, zullen er 18 kleine vakjes of
rustplaatsjes aangebracht worden voor de jonge duiven; hoogte: 25 cm ; breedte : 30 cm ; diepte : 25 cm. Natuurduiven en jonge duiven zouden dus in één zelfde lokaal ondergebracht worden. Maar er zou een scheiding zijn, bestaande uit traliewerk, of... in fijn linnen, dat naar wens zou kunnen gespannen worden opdat het hok in twee delen zou kunnen verdeeld worden, die tenslotte min of meer gelijk zouden zijn, naar gelang het aantal jonge duiven. Deze scheiding, zou vertrekken vanaf de ingang, dat zij insgelijks in twee delen zou scheiden, en zou weggenomen worden vanaf de eerste dag van de spanning van de jonge duiven. Zij zou op een lat kunnen gerold worden ; op en neer gerold worden ; naar wens, gedurende het spel met de jonge duiven of in de winter.

De dertig duiven
De negen weduwnaars, allen volwassen, zouden gepaard zijn met negen duivinnen van mindere waarde. De 6 koppels van het tweede hok zouden als volgt samengesteld worden : de 6 beste jaarlingen duivers — van het vorige jaar — zouden gepaard worden met de 6 beste duivinnen waarover men beschikt. De keus van deze hoedanigheid verzekerd zijnde, zowel door de wedstrijden als door de kweek, beide, in de meeste gevallen tegenwoordig en dezelfde zijnde. Aangezien alle duiven deelnemen aan de wedstrijden, kent men even goed  de duivinnen als de duivers. Deze 6 duivinnen zullen de 6 best gekende vliegsters zijn. Deze ploeg zal ieder jaar verbeterd worden door toevoeging van de beste jonge duivinnen. Zodanig, dat na korte tijd van dergelijke selectie, onze kleine ploeg bijna onvermijdelijk samengesteld is uit 6 goede vliegsters. Voor dergelijke conjonctuur, is de grootste strengheid vereist en mag men niet toegeven aan enig gevoel noch voorkeur. Wanneer men slechts 30 duiven heeft, kan noch mag men zich geen luxe toekennen, door renteniers te voeden.

De kweek
De bevolking van het lokaal van de jonge duiven, is als volgt verzekerd. De 30 duiven, worden samengepaard, rond eind februari. De 6 koppels eieren van de goede duivinnen uit de eerste legperiode, worden gekweekt door de 9 koppels beste toekomstige weduwnaars.
Men laat de 6 duivinnen gedurende 15 dagen broeden op kalken eieren, wat ons tegen het einde van maart zal brengen voor de tweede leg. Onze 6 vliegduivinnen zullen dus goed zijn om de eerste weken van april gespeeld te worden tot op het moment dat de jongen die zij zullen kweken, een veertien dagen oud zijn ; zelfs... indien men, om het nestjagen te vermijden, de duivers moet wegnemen, wanneer het jong 8 a 10 dagen oud is. De 6 duivers — jaarlingen — die allen als
jonge duif gevlogen hebben, zullen ook aan enkele wedstrijden deelnemen maar, vanaf het vertrek, mag men niet vergeten dat zij de reserve uitmaken, die de ijver en de mordant moet zijn van de ploeg weduwnaars van volgend seizoen. Het is zo, dat men over een anderhalf dozijn jonge duiven zal kunnen beschikken — aan schoolouderdom, die de 18 speciale vakjes die men vooraf zal gemaakt hebben, zullen bezetten.

Het weduwschap

De 6 duivinnen, nemen dus deel aan de eerste wedstrijden van de maand april. Van hun kant, worden de weduwnaars hertraind vanaf de maand mei. Vanaf de derde leg, worden de jaarlingen insgelijks terug in de strijd geworpen, laten wij zeggen, rond 15 mei. Onze 6 koppels natuurduiven, kweken van nu af, slechts nog één enkel jong. Men speelt de jaarlingduivers twee of drie maal, broedend op eieren, waarna niets belet, hun leerschool te doen van de methode die in de  nabije toekomst, de hunne zal zijn, door ze 3 tot 4 zondagen op weduwschap te spelen. Dit alles door evenwel een beetje goede wil te tonen met ze stop te zetten, zelfs... indien zij prachtige resultaten bereiken. Want men mag nooit vergeten dat zij de toekomst moeten verzekeren. Goed toegepast zijnde, moet de methode — zoals hier aangeduid — toelaten het maximum te trekken uit de twee gebruikte methoden in het spel met de duiven : het nestspel en het weduwschapspel; een
manier van handelen, waarvan het rendement strikt afhangt van het meesterschap van de hokverzorger zelf. Hij... die in onze sport, alles wil verwezenlijken, in een half seizoen, zal het nooit tot een goed einde brengen.

Eindigen met de duivinnen
Onze 6 duivinnen hebben gevlogen en gekweekt, tijdens hun tweede broedtijd. Waarna zij een derde maal op kalkeieren gebroed hebben, vóór de hertraining van de jaarlingen. Vervolgens werden zij gescheiden om toe te laten de jaarlingduivers op weduwschap te spelen. Op 15 juli, is het meer dan tijd om ze te paren, en deze keer, om een laatste reeks wedstrijden voor te bereiden, uitsluitend voorbehouden aan de duivinnen. Zij leggen dus in de laatste week van juli. Hun rui, zal op dit tijdstip begonnen zijn en zal vooral toenemen in de tien eerste dagen van de broeitijd. Na een twaalftal dagen broeden zet men ze terug aan het werk voor een eerste hertraining, als wanneer zij nog hoegenaamd niet in goede staat zijn voor wat hun pluimage betreft. Men brengt ze dus de volgende week voor een testwedstrijd terug op heel kleine jongen. Eén enkel jong wordt per nest gelaten, en de duivers worden weggenomen vóór zij opnieuw neiging tonen jacht te maken op de duivin. Deze — de duivinnen — zijn dus in top-forme, om eens ernstig gespeeld te worden op een jong van een tiental dagen oud, zoals ook, de volgende zondag. Zij worden alleenlijk gespeeld,voor de gehechtheid aan hun jong.

De weduwnaars, opnieuw gepaard
De weduwnaars worden de laatste dagen van juli opnieuw gepaard. Nieuw zijnde, en aangezien een deel dezer geroepen zijn om plaats te maken voor de jaarlingen, ziet men geen bezwaar, dat deze zonder dewelke men het kan stellen, terug in de strijd geworpen worden in twee of drie wedstrijden met een 8 a 10 dagen oud jong. Het gebeurt wel meer dan éénmaal dat er onder deze zijn die als weduwnaar een grote trek voelen voor het voederen van een groot jong in het nest. Een duivenliefhebber, die het geluk gehad heeft, lang te leven, zal wel dergelijke gevallen meegemaakt hebben. En, één of ander mooi sukses in dergelijke omstandigheden, moet het besluit niet veranderen zich te ontdoen van een duif die gans het seizoen normaal doorgebracht op weduwschap, zonder de middelen te vinden om zich enigszins te kunnen onderscheiden.

Overdrevenheid, is steeds en overal schadelijk
Het is reeds meer dan eenmaal uit onze pen gekomen, vastgesteld te hebben dat gulzigheid het grootste gevaar en de grootste fout is van de duivenliefhebbers die de duiven nog op het nest spelen. Zelfs... wanneer de duivinnen goed gevlogen hebben gedurende hun eerste broedsel, is er niets dat belet hen te sparen, en ze vervolgens op rust te laten. Het is wel mogelijk ze nogmaals in dezelfde condities in de strijd te werpen, op een ander jong, einde van de maand mei, begin van de maand juni en na een vals broedsel. Men mag niet vergeten, dat men het sterk voederen moet schuwen als de pest, wanneer de duiven beginnen te broeden, doch nog meer, op het einde van het broedsel. Het is het zekerste middel om ze te doen mislukken, op een positie, die voor hen de beste moet zijn. Zij bewijzen dit overigens zeer dikwijls, door te weigeren te komen eten op dat tijdstip. Men moet hen desgevallend kunnen weigeren hen een snuifje klein graan toe te werpen in hun vakje. Dit moet aanzien worden als een grote fout. Zij, de duiven zelf, kennen beter hun noodwendigheden dan de verzorger zelf. Zij hebben op dit tijdstip een voldoende reserve op gedaan voor de eerste pap die hun kroost nodig heeft en dit is de reden waarom zij weigeren te eten. De verzorger, die zich inbeeldt het best te weten, werkt in zijn eigen nadeel. In 't kort samengevat: onze duivinnen kunnen dus drie reeksen van wedstrijden vliegen : te weten... begin april-mei-juni en augustus ; steeds op een jong. In het ganse speelseizoen voederen zij slechts drie jongen;

Comments

Euh.

Is wel niet simpel, en dit om dan een starter aan te raden?

Is het niet belangrijker op een arbeidsarme manier, niet te ingewikkeld zodat fouten (en spreek hier vooral over voederen) minder zijn en de kansen tot succesen het grootst zijn?

Als ik het goed lees word maximaal gespeeld met de duiven, zodat het aantal beperkt word.
Het duurste van het duiven houden is niet bv 3 koppels reserve als kweker, maar het effectief spelen met de duiven.
Ik lees hier arbeidsintensief, niet goedkoop.
Mogelijks ben ik de enige.