De familie Janssen (Arendonk, BE) : Vader Henri - Deel I

Met een reeks artikels wordt de wereldberoemde Jannsen-familie uit Arendonk voorgesteld. In deel I gaan we terug naar 1872, het geboortejaar van Vader Henri. - met dank aan Ad Schaerlaeckens.

Henri Janssen, Driekske de Pauw, in de volksmond, was in feite de man met wie alles begonnen is. Hij trof het dat zijn zoons Fons, Adriaan, Charel en ook Louis even duivengek waren als hij zelf. Zonder het laatste zou de faam van de Janssens ook nooit zo groot zijn geworden. Henri werd geboren in 1872 en woonde aanvankelijk op het Begijnhof, bij het gasthuis. Over hem is steeds beweerd en geschreven dat hij een kampioen kanariekweker was. Dat hij met kanaries in bloedverwantschap "leerde kweken". De kennis die hij daarbij op deed zou hij nu gaan gebruiken bij het kweken van goede duiven.
Men mag gevoeglijk aannemen dat dit weinig meer dan een fabeltje is. Hij heeft altijd kanaries gehad, dat is waar. En in al die jaren dat hij in de duivensport zulke triomfen  vierde, bleef hij kanaries houden. Zijn zoons zeggen dat hij kon fluiten als een kanarie en ze vragen zich zelfs lachend af of hij het fluiten van de kanaries had geleerd of omgekeerd. Want vele uren moet hij met die vogels bezig zijn geweest.
Maar in 1886 had Henri Janssen reeds zijn eerste duiven. Dus op 14-jarige leeftijd. En veronderstellen dat hij op die ouderdom reeds een kampioen was in het kweken van kanaries en "de grondbeginselen van het kweken in bloedverwantschap onder de knie had" is toch wat al te fantastisch.
Toen hij met duiven begon was er in Arendonk nog geen club. Of "maatschappij" zoals ze in België zeggen. Aanvankelijk werd daarom meegespeeld in Oud Turnhout waar de duiven met de hondekar werden ingekorfd. Henri Janssen heeft altijd met veel plezier aan die "goeie oude tijd" terug gedacht. Men kende nog de zgn. "lopers" die als volleerde estafette-lopers elkaar afwisselden om de gummiringen van de gearriveerde duiven op de plaats van bestemming te brengen. Of de duif zelf in een juten zak.
Het meespelen in Oud Turnhout heeft slechts 2 jaar geduurd. Toen werd, onder impulsen van die Henri Janssen, in Arendonk zelf een club opgericht.
Bekend is dat hij vanaf het begin een groot uitblinker is geweest in de duivensport. Hij mocht graag andere goede hokken bezoeken en goede duiven in handen nemen was  een van zijn geliefkoosde bezigheden. Voor de eerste wereldoorlog werden dan ook her en der duiven aangeschaft, maar steeds in direkte eigen omgeving. En met kruisingen van deze duiven moet hij al bijzonder succesvol zijn geweest. De eerste echte vooruitvliegers kreeg hij omstreeks 1907. Hij had toen een blauwe duivin die het presteerde om tussen 1908 en 1914 zo'n 20 eerste prijzen te spelen. Na de eerste wereldoorlog werd weer direkt met groot succes aan de wedvluchten deelgenomen. In die tijd waren er wekelijks  fietsen (velo's) te verdienen, en het moet herhaaldelijk zijn voorgekomen dat hij er 3 op één zondag won. En toen reeds verdacht men hem er van met een of ander "geheim middel" zijn duiven tot topprestaties te kunnen brengen.

Vooral na die vlucht uit Orieans, waarop hij 2 duiven inzette die de... 2 eerste prijzen wonnen.
Merkwaardig is overigens wel dat men over deze Henri Janssen bijzonder weinig te weten komt. Diegenen die hem goed gekend hebben weten niet anders te zeggen dan dat het een "stille mens" was die veel hield van de natuur. Op het eind van de twintiger jaren moet het met de wedvluchtresultaten tijdelijk wat minder zijn geweest. Maar het trof dat juist toen zijn zoons zich intensief met de duiven gingen bezig houden wat tot gevolg had met de inbreng van de Schoetersduiven. Die tijdelijke neergang zou dan ook  verklaren waarom zo gretig werd gekruist met de soort van Schoeters. In het begin der dertiger jaren waren de resultaten, na die tijdelijke kentering echter, opnieuw verbluffend en dit heeft waarschijnlijk ook alles te maken met die opmerkelijke melkersgaven van Adriaan en Charel. Zij waren zo mogelijk nog fanatieker dan hun vader. Wat ze met hem  gemeen hadden was een nimmer verflauwende competitiegeest. En een opmerkzame blik. Henri zag alles wat er op een duivenhok gebeurde. En dat kan ook van vooral  Charel en Adriaan gezegd worden. Van Henri Janssen is ook geweten dat hij het altijd verkeerd heeft gevonden de natuur geweld aan te doen. Hij was tegen winterkweek en tegen weduwschap. Jonge duiven diende men pas te kweken eind februari of later. Weduwschap spelen betekende volgens hem de ondergang van de kleine hokken.
Tot aan zijn dood in 1949 heeft hij ook verhinderd dat met weduwnaars gespeeld werd.
Die wonderbaarlijke duiven als de Rappe, de Oude Witoger, de Rauwstaart, het Wondervoske enz. behaalden hun veelbesproken resultaten dan ook allemaal gewoon op  nest. Puur natuur en zelfs van jaloezie-spel of enige andere ophitsing is nooit sprake geweest. Noch bij vader, noch bij de zoons. Die zoons drongen er bij vader overigens wel op aan ook met weduwnaars te beginnen.
Zelfs werd op het eind van de 40-er jaren een weduwschapshok in elkaar getimmerd. Het werd echter pas in gebruik genomen toen vader was gestorven. In 1951. Voorzichtig werd gestart met slechts 4 weduwnaars en deze nieuwe spelsoort schonk onmiddellijk de grootste voldoening. Zelfs heeft men nog een tijd lang geheim weten te houden dat met weduwnaars werd gevlogen. Daarvoor werden soms bewust wat duivinnen ingezet om de concurrentie de indruk te geven dat men "gewoon" op nest speelde.