De geschiedenis van de Belgische duivensport: Huyskens-Van Riel (Ekeren, BE) - Deel I

Als ge een speciale reis gaat maken om bij deze of gene kampioen de thuiskomst der duiven af te wachten, is het „alsof de duivel ermee speelt" en valt het gewoonlijk tegen. In deel I wordt teruggekomen op de invloed van de massa, ligging, ... etc.

Daar had je bijvoorbeeld Tulle, het „proefkonijn", de eerste belangrijke fondvlucht van de Entente Belge '51. Een station van lossing op 680 km van Antwerpen op de Z.Z.W.-lijn. Brussel, Luik en Charleroi hadden bij hoog en bij laag beweerd, dat de Z.W.-lijn al te zeer in het voordeel van West-Vlaanderen was. En ze hadden gedreigd de grote nationaals te boycotten.

Nu meen ik in de discussie van destijds te hebben aangetoond dat het, zo men het Massif Central als zondebok wil nemen, lood om oud ijzer blijft of men nu in Limoges (Tulle en Brive) lost dan wel in Angouleme. Van dat Massif Central, waarmee als ik het goed begrijp het Hoogland van Auvergne wordt bedoeld, dat met de Mont Doré tot 1890 meter omhoog rijst, ondervinden de in Limoges geloste duiven al even weinig moeilijkheden als die vanuit Angouleme of Libourne vertrekken, onverschillig of ze nu bestemd zijn voor Oostende of Luik.

Blijven over de heuvels van het het Ile de France, de Champagne en de Ardennen. Zij vormen het traject dat door de Waalse duiven moet worden overvlogen. De West-Vlaamse krijgen, op de ganse Z.W.-lijn tot in St. Vincent enkel het plateau van Picardië tussen Parijs en het Noord-Franse industriebekken. Bij Limoges zijn de westelijke uitlopers van het Hoogland van Auvergne, niet hoger dan 300 meter. De vogels hebben slechts een half uur te vliegen om in de vlakten van Argenton en Chateauroux te komen. Orleans ligt nog slechts 80 meter boven de zeespiegel. Het was mij wel een beetje ver gezocht te stellen dat de duiven - behoudens sterke Z.O.-wind - per se via Chartres, Amiens en Rijsel, België en Nederland zouden binnenvliegen.

Het tijdverlies voor de duiven van het Zwarte Land zou, als dat zo was, nog minstens driemaal zo groot worden als nu reeds - als die mannen weer eens slecht gepakt hebben - op de uitslag tot uiting komt. Wanneer het contact met het hok bestendigd blijft, is de kortste afstand tussen twee punten, volgens een der axioma's van de wiskunde, nog altijd de rechte lijn. Wordt daar om ons liefhebbers onbekende redenen van afgeweken, dan betreft dit het ganse konvooi. Maar alleen kladvliegers blijven tot het bittere einde in de grote klad hangen.


Frans Van Riel

De invloed van de massa zal zich altijd min of meer doen gelden. Hoe beter evenwel de kwaliteit der duiven en hoe meer routine zij hebben opgedaan, des te eerder zullen zij hun eigen weg inslaan. Alles goed en wel, zult U mij tegenwerpen, maar Tulle is Limoges niet. Ze hebben juist Tulle gekozen omdat het nog enige strepen Oostelijker ligt dan Limoges.

Neen, zeg ik op mijn beurt, dan hadden ze St. Etienne, Lyon etc. moeten nemen. Met Tulle en Brive is het in feite niet anders gesteld dan met Limoges resp. Cahors. Al deze steden liggen ten Zuiden van het Hoogland van Auvergne. Als ge vanuit Parijs de trein pakt naar Toulouse passeert ge achtereenvolgens Orleans, Argenton, Limoges, Cahors en Montauban. Cahors waar de Cattrijsses zo geweldig op gespeeld hebben, ligt aan de rivier de Lot, die bij Agen in de Garonne uitmondt. Montauban aan de Tam, een andere zijrivier van de Garonne. De bergen zijn in die streek niet hoog. Toulouse ligt slechts 130 meter boven de zeespiegel. Tulle en Brive zijn kleinere steden. Zij liggen nog wat Oostelijker. Maar wat voor Limoges geldt, geldt voor Tulle en wat voor Cahors geldt, voor Brive. Die luttele strepen Oostelijker, zetten geen zoden aan de dijk. En nu komen wij tot de merkwaardige slotsom dat, indien het juist zou zijn, wat sommige walen beweren, namelijk dat de duiven langs Limoges om het Hoogland van Auvergne heentrekken, het verloop der vluchten vanuit Cahors en Montauban voor de deelnemers in Charleroi, Namen en Luik veel slechter zou moeten zijn dan vanuit Tours, Poitiers, Cognac enz. Trekt men immers een rechte lijn van Montauban naar Luik dan loopt deze dwars door het Hoogland van Auvergne, langs Clermont-Ferrand, Montlucon en Nevers via de heuvels van Bourgondië naar Chalons. Daarentegen loopt de lijn van Montauban naar Oostende, bijna via Limoges en Orleans. En hoe was het verloop der vluchten in Cureghem-Centre tot dusver op de Z.Z.W.-lijn?

Alles bijeen genomen voor de Walen niet beter en niet slechter dan die op de Z.W.-lijn. Het blijft bij het oude. De suprematie der West-Vlaamse cracks is evident. Van Tulle was ik gaan letten bij Huyskens-Van Riel en Vuylsteke. Beide matadors kregen er 's avonds geen veer door. Had ik naar de Cattrijsses moeten gaan ? Die kregen er negen van de veertig. De rest werd al evenzeer door het onweer en de atmosferische storingen van de wijs gebracht.

In het centrum van het land zijn ze beter gekomen dan aan de kust. Toch zijn het weer de West-Vlamingen die met de ereprijzen gaan strijken. Er vlogen 4169 duiven; op de dag van lossing wisten nog geen honderd vijftig vogels hun resp. hokken te bereiken. „Doet uw vader, den Mechelare, eer aan!", zei Remi Gadeyne, toen hij „Steenbergske" ging inkorven, „ge zijt maar een klein ventje, maar de kleintjes zijn op de wereld niet om de groten in 't gat te kruipen...."

En „Steenbergske" won de eerste ereprijs nationaal op de zwaarste en slechtste vlucht van na de oorlog. „Steenbergske", de stalgenoot van „Dokus", de wonderduif, eigenaar Remi Gadeyne te Hooglede bij Roeselare. Ras Bekaert-Sion langs vaderszijde. En Cattrijsse-Nagels/Desplenter langs moederszijde. In onze dertigjarige praktijk - zeiden de Cattrijsses - hebben wij zo'n vuil weder en zulkdanig slecht verloop niet beleefd!

Honderden kampioenduiven gingen die dag verloren. Ook de fameuze „Zwarte", van André Vanbruaene, kampioen van de Entente Belge '49, zou nimmer op zijn hok weerkeren.
Ge moet dus niet vragen onder welke omstandigheden „Steenbergske" c.s. hebben gezegevierd. De suprematie der West-Vlaamse liefhebbers op de fond, die zo overweldigend is geworden dat zij de nationale prijskampen die dit predicaat ten volle verdienen, onmogelijk heeft gemaakt, heeft m.i. twee oorzaken. Ten eerste de superieure kwaliteit der West-Vlaamse langeafstandduiven, waar de laatste jaren eenvoudig niet „aan te kluiven" was. Ten tweede de gunstige ligging in vlak terrein en in de voorhand. Welke van die twee factoren het meeste gewicht in de schaal werpt ter verklaring van de waarlijk verpletterende meerderheid van de mannen van de kust, is moeilijk te zeggen. Het voordeel van de ligging, ingeval van Z.-, Z.O.-, O.- en N.O.-wind kan worden teniet gedaan door de  Z.W.-lijn te vervangen door een (of meer) andere. In plaats van Tulle, Brive, Cahors, Montauban enz. kan men - naar het  voorstel van de Antwerpse afgevaardigde Henri Kerremans - een  soort Ronde van Europa inrichten, waarbij om beurten  gevlogen wordt vanuit West (Brest), Zuid-West (Biarritz), Zuid (Perpignan  of Marseille), Zuid-Oost (Passau etc.), Oost (Berlijn) en Noord-Oost (Kopenhagen.) Een andere oplossing zou zijn de Zuid-richting met als eindstation Marseille of zelfs Toulon. Onnodig  te zeggen dat alleen de tweede suggestie serieuze overweging verdient.

Tulle en Brive zijn de eerste concessie van de „Entente Belge" geweest aan het dreigement van Luik, Charleroi en Brussel om de grote nationaals de boycotten. „Na verloop van weinig tijd", schreef ik in Juni '51, „zal die concessie blijken nog lang niet ver genoeg te zijn gegaan." En ik betoogde dat voor wie consequent wil blijven, nog slechts de Rhônevallei in aanmerking komt: „De Nederlandse Algemene Bond van Postduivenhouders heeft nog een kant- en-klaarvluchtprogramma van voor de oorlog met Lyon, Valence, Orange en Avignon.

En met Nimes en Montpellier en/of Marseille en Toulon als eindstations. Men is echter niet verder gegaan dan Orange, dat was al mooi genoeg! Bij afwerking van dit programma kunnen de deelnemers ervan verzekerd zijn dat de duiven vele honderden kilometers lang oostelijk van de Cevennes en de Cóte d'Or zullen blijven. Dat zij via Bourgondië en de Franche Comté het plateau van Langres zullen bereiken en dat zij vervolgens in de vallei van de Maas komende tussen Lorraine en Champagne, via Verdun, Sedan en de streek van Namen België zullen binnenvliegen.

Ik weet niet of het ervan komen zal dat men de bergen van de Languedoc (bij St. Etienne zijn zij ruim vijfhonderd meter hoog) en van Bourgondië (de Cóte d'or bij Dyon is zelfs nog iets hoger) als scheidsmuur gaat opwerpen om de duiven toch vooral niet de kans te geven de westelijke koers te houden. Wat ik wel weet is dat de vluchten uit de Saône- en Rhônevallei globaal genomen een heel wat minder vlot verloop hebben dan die uit Toulouse, Carcassonne of zelfs Narbonne ... en Perpignan aan de Middellandse Zeekust. De risicofactor die bij minder gunstig weer (zie Tulle) op de fond toch al niet weg te cijferen valt, wordt op die manier nog veel groter. Hoe zullen nu, als puntje bij paaltje komt, de West-Vlamingen op deze direct tegen hen gerichte maatregelen reageren? Ik denk dat zij, om het fondspel op nationaal plan te redden, tot veel bereid zijn, maar niet tot het aanvaarden van een zo onmogelijke handicap als Marseille! Een programma met de Loiresteden Nevers, Moulins en Roanne, en misschien St. Etienne zou nog kunnen, met als grote fond Carcassonne, Narbonne en Perpignan. Dit lijkt mij echter het uiterste wat de kust kan doen, zonder bij voorbaat al zijn troeven uit handen te geven. De duiven van Barcelona hebben de keus tussen twee alternatieven: zij  trekken via Carcassonne, Montauban, Limoges enz. ofwel zij volgen via Montpellier en Nïmes de Rhônevallei. Bijzonder instructief is het geval van de Barcelona-vliegers van Jos. Boels van Stene-Conterdam. In '50 won Boels de 7e prijs international met een blauwe lichtoogduiver (Vandevelde-Casteleyn). Diezelfde duif ging een jaar later eerstgetekend mee, met een andere blauwe witoger (halfbroeder van voornoemde). Het resultaat was dat deze nieuweling, Kobus II, de 1e prijs international Barcelona '51, won terwijl zijn maat (7e prijs in '50) enige uren voordat de eerste duif (die van Boels dus) gemeld werd, in de buurt van St. Truiden van de straat werd opgeraapt, moe en uitgeput en met kapotte vleugels. Is de overwinnaar via Carcassonne naar huis gekomen en heeft zijn onfortuinlijke stalgenoot de oostelijke route, via Montpellier, die hem uiteindelijk in de Maasvallei bij Namen en Luik bracht, genomen ? Het heeft er veel van weg; hoe raakt een duif die van Barcelona komende naar Oostende moet, anders in St. Truiden verzeild ? Ik ben die duiven van jos. Boels nog eens gaan bekijken. Het zijn nog de echte, ouderwetse, blauwe Vandeveldes van Oudenburg. Hij heeft drie eerste-prijswinners nationaal op zijn hok: de 1e van Libourne, de 1e van Montauban en de 1e van Barcelona. Welk een ijzersterke kleppers. Ik denk dat zelfs Marseille of Toulon er niet aan verhelpen kunnen.

Ik denk dat de tijd zal leren dat de superieure kwaliteit der West-Vlaamse lange-afstandduiven de factor is die het meest gewicht in de schaal werpt, of het nu de mannen van de kust zijn, dan wel die van langs de Leie! En niet de ligging. Bij een andere vluchtlijn zal hun overwicht minder verpletterend zijn dan in de jaren '48-'S2 het geval was, maar zo lang die mannen zulke duiven kunnen inzetten, zal de balans blijven doorslaan in hun voordeel." Wat ik destijds schreef heeft - ondanks het minder sterk vliegen van bepaalde West-Vlaamse hokken in '52 en '53 - nog weinig aan actualiteit verloren.


Colonel Van Damme, François Huyskens, Jef Van Riel, als
winnaars "Belgisch kampioenschap en van "De Belgische Duivensport" en Leon Petit