Geschiedenis van de Belgische duivensport - Oscar Devriendt - Moere (BE)

Oscar Devriendt uit Moere over de eigenschappen van de goede sportduif.

Oscar DevriendtEen eerste kwaliteit en vereiste voor een goede reisduif is volgens mij het evenwicht. Als ik spreek van evenwicht, dan moet ik zeggen, dathierbij de grootte van een duif van weinig belang is: onder alle duiven typen -grote, middelmatige en kleine- vindt men goede duiven; maar wat m ij wel van belang is voor de sportieve waarde van een duif, is het gewicht: een duif die zwaar weegt t.o.v. haar grootte, een vleesduif, kan moeilijk een goede vliegduif zijn en zeker geen goede fondduif.
Een duif moet licht aanvoelen; niet licht zoals een duif die gedwaald heeft, maar veeleer zoals een bal die opgeblazen is. Evenmin speelt in dit evenwicht  de lengte van de vleugel een rol: moet een vleugel lang of kort zijn? Een  vleugel moet aangepast zijn aan het type van de duif. Het is normaal dat  een kleine duif een kortere vleugel heeft dan een grote duif en het is  eveneens normaal, dat een korte geblokte duif een kortere vleugel heeft dan een duif van het lange gestrekte type, juist zoals het normaal is dat een renner van het korte krachtige type kortere benen heeft dan het lange lyer-type. Wat een vleugel wel moet zijn, is soepel: een stramme vleugel vindt men, juist als een harde pluim, zelden bij een goede duif. Kortom, evenwicht kunnen we best bepalen als de harmonische bouw van de duif:
geen hoeken of kanten, geen disproporties, maar alle delen in evenwicht met elkaar.
Een tweede kwaliteit en dan vooral voor een fondduif, is de stevig heid, een sterk geraamte, een stevige rug en een sterk spierengestel. Een duif die bijvoorbeeld haar staart omhoog steekt bij het normaal in de hand nemen, kan volgens mij moeilijk een goede fondduif zijn; zo’n duif moet na enkele uren vliegen pijn in de lenden krijgen.

Wat dan van een duif die langs achter niet volledig gesloten is?
Schaadt dat aan de sportie  ve waarde van de duif of niet? Ik meen van niet, alhoewel het zeker geen  kwaliteit is van de duif; ik meen dat het veeleer een kwestie van ras is.
Naast die uitwendige kwaliteiten spelen echter ook niet-zichtbare faktoren een rol. Hoe anders verklaren, dat een duif  die onder alle op zichten voldoet en gezond is, niet presteert? Daarom beschouw ik als onmisbare faktoren de intelligentie en wilskracht.
Een domme duif is een slechte duif, dat staat als een paal boven water. Maar bovendien is wilskracht vandoen.  wilskracht bestaat niet zozeer in het «nerveus» zijn, maar veeleer de wil om door dik en dun, ook  bij slecht weer naar huis te komen en dat zo vlug mogelijk. En dat missen  ook sommige klasse duiven; is het niet typisch dat sommige duiven tot  zeer grote prestaties in staat zijn bij volledig normaal weder, maar uren te  laat zijn van zodra er een vuiltje aan de lucht is? Of heb ik het verkeerd  voor en is bij die duiven het oriëntatievermogen gestoord van zodra er iets met het weder niet in orde is.