De blikvangers: Hoeveel mee? Hoeveel prijzen en tegen hoeveel duiven?

1e-3e-4e-5e-7e-9e en 10e prijs of met een reeks telefonische aanmeldingen waar het aantal gespeelde duiven niet wordt vermeld, wat zijn we daarmee? Wat weet de lezer ermee?

Moet hij juichen of moet hij aan verlakkerij denken omdat de gegevens die het succes moeten bewijzen niet compleet zijn? We gaan er nochtans in die zin op vooruit. We zien tot ons genoegen een lange reeks uitslagen die als blikvanger moeten doorgaan, zo compleet als het maar kan zijn. Toch sluipen er ook nog andere tussen en dat zou de melker moeten voorkomen en zouden de uitgevers moeten weigeren.

Het aantal duivenliefhebbers gaat er zichtbaar en voelbaar op achteruit. Ik zie niet in hoe we die neergang kunnen stoppen. We kunnen misschien wat afremmen als we met juiste gegevens naar de melkers komen en de gewone man niet uit de publiciteit houden door alsmaar en alleen maar over de resultaten te spreken van de liefhebbers die het met de massa doen. De verhoudingen moeten meer in acht worden genomen. Over wie spreekt men, schrijft men? Over de resultaten van de megahokken. Het kan bij manier van spreken ook niet anders, want ze hebben uiteraard altijd duiven hetzij hun 20e-40e-60e of 80e afgegevene die de eerste wint of naar de eerste doet.

Ik weet ongeveer wat er onder de duivenmelkers leeft, vooral bij de kleintjes die het met een klein aantal prachtig doen en amper of nooit worden vernoemd. Voor de komst van de megakolonies was het aantal per liefhebber maar af en toe onderwerp van gesprek of discussie. Nu ziet men door de bomen het bos niet meer. We moeten ons soms aan het rekenen zetten om te weten of een liefhebber verhoudingsgewijs goed of niet goed heeft gespeeld. Jaren geleden zag men het na enkele ogenblikken aandacht duidelijk wie er echt aan de winnende hand was. De duivensport wordt een dure hobby, de vergrijzing van de bevolking is een feit. Er komen weinig nieuwe bij en als men dan een aantal der effectieven door ze weinig of niet te vermelden de illusie ontneemt er nog bij te horen, brengt men moedeloosheid die vaak naar opgave leidt.

De duivensport is de laatste jaren grondig veranderd. Het gaat steeds sneller. Er is de gedrevenheid waarmee de jaarlingen er tegenaan gaan en de jongen, die vroeger als kinderen, als onvolwassen werden beschouwd, maken nu ook en vaak de geroutineerde duiven beschaamd. Voeg daarbij de komst van de megahokken en u hebt reden en oorzaak van de ommekeer in het spel met de duiven. U zit zich wellicht af te vragen waarom we doping en gebruik van stimulerende middelen er niet hebben bijgehaald om de oorzaak van de revolutie duidelijk te maken. Ik weet het niet en zolang het niet zwart op wit bewezen is dat doping en het gebruik van de verboden middelen het hebben gedaan, onthoud ik mij ondanks de druk en alles wat er de voorbije winters werd gezegd en geschreven.

Verduisteren bestond vroeger niet. Nu wel, en het heeft zijn invloed. Dat moet worden gezegd evenals het feit dat we bijzonder door de komst der megahokken in een andere grondig gewijzigde duivensport zijn terecht gekomen. Dat onze bond zich ook maar over dat alles eens bezint. Gewijzigde wetten en reglementen voor gewijzigde toestanden. De gang van zaken toch. Maar zijn ze mee; zijn wij mee met de nieuwe stroming?

Dat de mensen die erover spreken en erover schrijven het ook maar in aangepaste vormen doen en altijd met de drang de eerlijkheid en de waarheid te dienen. Er zijn nog staaltjes van hoge kunde in de duivensport waarover men in geestdriftige termen kan schrijven. Bewijzen van kunde en van kwaliteit komen niet altijd van de ‘groten’, komen ook van Jan Modaal, maar die wordt nog al eens vergeten.

Moet ik nu nog na al die jaren mijn mentaliteit in dat opzicht gaan wijzigen? Ik heb luid verkondigd dat ik van nu af aan ook zal schrijven over duiven die de eerste prijs of de kopprijzen winnen, ook al zijn het duiven waaraan, te zien aan de plaats die ze kregen op de lijst van de afgegevenen, de liefhebber zelf weinig of geen belang hecht. Zal ik volharden in de boosheid?