Zoeken

   

Cattrysse Gebroeders (Moere, BE) opgetekend in 1951 - Deel III

Ik wil thans een punt aan de orde stellen, zonder de behandeling waarvan geen naar behoren gedocumenteerde reportage als volëindigd mag worden beschouwd: de kwaliteitsbeoordeling.

Gebr. Cattrijsse spreken tot U

„Wij beoordelen een duif voor de verre drachten eerst en vooral op het uithoudingsvermogen. Een duif, die uitgeput thuis komt van de reis telkens wanneer zij weerkeert - niet een enkele maal natuurlijk, vermits de sterkste duif op zekere vlucht met moeilijkheden kan af te rekenen hebben - komt stoom te kort.

De weerstandkrachtige duif daarentegen is bij bestatiging nog in betrekkelijk frisse staat. Het is daaraan dat men het uithoudingsvermogen kan leren kennen." Ik wil hier even wijzen op de restrictie die gemaakt werd: „niet op een enkele vlucht natuurlijk, vermits de sterkste duif op zekere vlucht met moeilijkheden kan af te rekenen hebben" .. Die restrictie is namelijk buitengewoon interessant en roept wel zeer krasse staaltjes van uitputting en recuperatie voor de geest. Wist U dat de bekende 1462 van Fernand Schul te Roosendaal, een kleine blauwe duivin, maar gemaakt van ijzer en staal en onklopbaar op de fond (speciaal op de overnachtvluchten), een duifje dat niet minder dan drie eerste prijzen, eenmaal zelfs met drie uur los (l) op nationale concoursen won (zij het geen concoursen met overweldigende deelname), wist U dat dit fameuze grote fondduifje op Limoges, een normale Limoges, totaal afgevlogen en door de poten zakkend van vermoeienis thuiskwam? Niet eenmaal, maar meerdere keren....

Het klinkt misschien ongeloofwaardig, maar ik heb het Jantje Verswijveren dikwijls horen vertellen. Als een voddenzak viel het op de klep. Om dan na een paar uur weer quite fit and well te zijn. Welk een ongelooflijk karakter en welk een ijzeren wil om door te zetten moeten zulke vogels hebben om een dergelijke  „ram" te verbijten. Dikwijls zijn dat de echte klasmannen.

Rik van Steenbergen, wereldkampioen 1949 op de weg, die er in '50 een beetje met de pet naar gegooid had, liet het jaar daarop zien wie hij is en wat hij kan. Met het gevolg dat hij in 't begin van het seizoen twee keer steendood kwam te zitten bij aankomst: 6e in de Ronde van Vlaanderen en 3e in Parijs-Roubaix, in welke laatste klassieker hij er „zo wijd aan" was dat hij zelfs de sprint (tegen Frankrijks Louison Bobet) niet winnen kon...... een karwei waar hij normaliter niet de minste moeite mee heeft.


Links Oscar en rechts Gerard Cattrysse

En bij de Catrijsses ?

Daar verwacht U, na hetgeen ik er over geschreven heb, zoiets natuurlijk allerminst. Maar dan vergist U zich want het blijkt dat er meer vluchten zijn dan oppervlakkig verondersteld wordt, waarop sterke duiven met ongewone moeilijkheden hebben af te rekenen. Ook de Cattrijsses hebben karakterduiven en in één opzicht zijn alle karakterduiven gelijk: zij vliegen tot zij erbij neervallen. Wij spraken over die kwestie met Karel Van Gampelaere te Koekelare (op 2 km van Moere), de man die het bestond om op een hokje van 24 duiven, waarvan hij er in '50 slechts 7 kon spelen boven Parijs, twee eerste prijzen nationaal te winnen, beide malen met duivinnen (ras Vanderespt-Cattrijsse-Devriendt) en wel op Cahors (2058 d.) en Argenton (753 d.), tegen de beste weduwmannen van België.

„Een duif van karakter" zegt Karel Van Gampelaere, „is lijk een bloedpaard; zij zet alles op alles." Naar zijn mening en wie kan het beter weten dan hij, is het „Blauw Bordeauxtje" de beste duif der Gebr. Cattrijsse. Hij won de 12e provinciaal Bordeaux, 3e nationaal St. Vincent (989d.), 9e nationaal Bergerac (1715 d.), 18e nationaal St. Vincent (1460 d.), 15e nationaal Cahors (2058 d.), Ie nationaal Carcassonne (1003 d.) enz.

„Welnu", zegt Karel, „ik heb het zelf de „katsjoe" van de poot gedaan als het thuiskwam van die Orieans te Roeselare. Het was totaal kapot gevlogen, met hoge rug en de vleugels uitgespreid en het viel voor de drinkpot omver...... 's Avonds toerde het weer mee rond en het bleef mee van 't langst in de lucht......"

Gebr. Cattrijsse zelf zijn van mening, dat de uitslagen bewijzen, dat zij minstens een dozijn vogels hebben zitten van deze kwaliteit: de „45", het „Angoulemke", de „Blok", de „Bulte", de „38", de „Aster", de „15", de „Oudepenne", de „Kleine", de „Bleke", de „Tsjallie", de „Limoges", de „Monty" e.a. Zouden er ooit op één hok zoveel ijzersterke karaktervogels hebben gehuisd ? Ik betwijfel het zeer.

Vergeten wij niet dat het fondspel in België van tegenwoordig wat de zwaarte der concoursen door overmachtige deelname betreft, niet meer te vergelijken is met dat van voor de oorlog. Ik vraag niet dat iedereen het in deze met mij eens is, maar het kan geen kwaad dat ik vrijmoedig voor mijn mening uitkom, die behelst dat de superioriteit van het Belgische fondspel boven dat van Nederland en Frankrijk evident is. Insiders spreken van een klasse verschil en dat is, na wat er in de oorlog gebeurd is, ook niet te verwonderen.

In '51 ging de Belgische Duivenliefhebbersbond een officieel kampioenschap inrichten, waaraan grote geldprijzen verbonden waren. Deze competitie was zo  ontzettend zwaar, dat de deelname eraan met enige kans op succes ook voor de grootste Nederlandse fondspelers tot de onmogelijkheden zou hebben behoord. Zie maar even hier. Voor de puntenberekening telden dat eerste jaar niet minder dan twaalf grote fondvluchten, te weten:
Vijf concoursen van de Entente Beige: Tulle, Libourne, Brive, Angouleme en Pau.
Drie concoursen van Cureghem-Centre: Montauban, Barcelona en Carcassonne.
Twee concoursen van de Waalse „Avenir de Fleurus": Dax en St. Vincent.
Een concours van de Brusselse Verstandhouding: Bilbao.
Een der beide St. Vincents te Luik.

Wat denkt U: Zou er in België, het land van de Quievrainisten, fond gespeeld worden ? Mijn voorspelling was dat de kampioen van de Belgische Duivenliefhebbersbond een zg. grote liefhebber zou zijn, beschikkend over minstens twintig ervaren weduwdoffers. Het feit dat alleen de eerstgetekende duif voor de punten in aanmerking kwam, deed er mijns inziens weinig aan af.

Mijn favorieten waren Cattrijsse en Devriendt. Zij wonen maar honderd meter van elkaar verwijderd, op een dorpje in het Vlaamse boerenland, een gehucht van 1200 levende zielen. De uitslag was ex aequo: André Vanbruaene te Lauwe, Julien Mathijs te Vichte en Oscar Devriendt te Moere...... Doch daarover straks meer.

In de winter van '50 op '51 heb ik eens nageplozen welke nieuwe lauweren de Vandeveldes in het voorbije seizoen hadden vergaard. Hier is het lijstje. Op Angouleme zat de „gevreesde" blauwe witoger van Cyriel Derynck te Moere, stamineebaas en kolenmarchand, tien minuten binnen voordat de eerste prijs nationaal gepakt werd door de Gebr. Cattrijsse...... Cyriel, die een nogal geruste broeder is, was op de velo gestapt met de sleutel van 't duivenkot in zijn zak en naar het dorp gereden. Hij woont bij de statie waar een keer of vier op een hele dag een boemeltje voorbij komt gepuft en gekreund; zo'n vehicule dat de Zeeuwse boeren vroeger, met een zijdelings knipoogje, tegen hun kroost deed uitroepen: „Kiek, jongens, kiek, een kacheltje op den diek......" Op zijn honderd gemakken was Cyriel eens bij de Cattrijsses gaan horen hoe 't er bij stond. „Wat uur denkt ge dat ze zullen komen?" vroeg Cyriel. „Over 'n uurken", zei Oscar. Tien minuten later viel de „38"......

Cyriel was naar de smid gegaan, die natuurlijk van de prins geen kwaad wist; de Cattrijsses maken geen drukte als ze er een pakken. Gelukkig dat hij er niet bleef hangen, anders had de „Gebroken Poot", een prachtige blauwe Vandevelde, via Charles Vanderespt te Oostende, die dag zelfs niet de 9e nationaal gehad. Er waren 3800 duiven in concours. „Ge zijt gij een groten ezel", schreeuwde Karel van Gampelaere opgewonden. „'t Is dat U het mij zegt", zei Cyriel gelaten.

De 1e prijs Liboume, nationaal en internationaal was eveneens voor de Cattrijsses, mitsgaders de 1e nationaal Carcassonne, dat in het uiterste Zuiden van Frankrijk ligt, aan de Oostkant; de streek van Perpignan en Narbonne, waar het 's zomers zo heet kan zijn dat de mussen er gebraden van 't dak vallen. Nadat ze de  Pyreneeën zijn omgevlogen, langs de blauwe wateren van de Mediterranee, moeten de duiven van Barcelona hier passeren......

Op Libourne werd Oscar Devriendt geklopt met ...... 30 seconden. „Het is niet veel", zei Gerard, „maar het komt uit een goed hart." „Ge kunt gij een staart krijgen", repliceerde Devriendt. Ze borstelen mekaar om beurten het jak uit. Devriendt, die in '49 een formidabele come-back gemaakt had - hij won dat jaar twee eerste prijzen nationaal, een tweede en een vierde - liet zich ook in '50 niet onbetuigd. Hij begon met de 1e op Chateauroux (interprovinciaal West-en Oost-Vlaanderen en Henegouwen). Hij won de 1e prijs nationaal Limoges en nogmaals 1e prijs nationaal Limoges derby tweejarigen. Hij constateerde reeds te 13 uur, dezelfde  zaterdagmiddag waarop de 1e prijs Limoges in de Zuid Nederlandse Bond door Bram van Gijs te Groede geconstateerd werd te 14.30 uur. Ko Nipius te Middelharnis draaide een uur later dan Van Gijs. Mede door zijn (bij Z.O.-wind) gunstige ligging had hij die dag de eerste ringen in de klok van heel de Nabvanpee. Had Devriendt die dag in Nederland mee kunnen doen, dan had hij, volgens mijn berekening, met grote voorsprong de eerste prijs gewonnen in beide grote bonden. Het was die dag snel weer. Weer voor de hazewinden. Ook de slimme pauwstaarten maakten kans. Ze hadden bij wijze van spreken hun staart maar open te zetten, de rest kwam vanzelf. Met Z.O.-wind nu is er tegen West-Vlaanderen absoluut niet te vechten. Dan is de kust met alles weg, daar helpt geen moedertjelief aan. Bij de eerste vijftig prijzen van het nationaal concours in België zaten maar een stuk of drie Oost-Vlamingen. En Antwerpen? Huyskens - Van Riel vlogen die dag provinciaal jan en alleman onder tafel. Nationaal kwamen de Sinjoren in het stuk niet voor.

Aan Oscar Devriendt hebben de Cattrijsses altijd een machtige tegenspeler gehad. Hun onderlinge strijd om het kampioenschap van België '49 was hevig en rijk aan spannende momenten. Een nek-aan-nekrace tot het zegevierende, resp.  bittere einde.

Ziehier de uitslag berekening van Cureghem-Centre:

Oscar Devriendt
Bergerac 1715 duiven,  2e prijs = 823.273 pnt. 4e prijs = 798.165 pnt. 26e prijs = 706.687 pnt.
Cahors 1314 duiven, 1e prijs = 990.983 pnt.73e prijs = 809.844 pnt. 74e prijs = 808.501 pnt.
Montauban 1108 duiven,  22e prijs = 844.196 pnt. 44e prijs = 760.380 pnt.199e prijs = 622.408 pnt.
Limoges 913 duiven, 53e prijs = 765.339 pnt. Limoges 731 (jonge) duiven, 114e prijs =310.998 pnt.
Totaal 8280.184 pnt.

Gebr. Cattrijsse
Bergerac 1715 duiven, 9e prijs " 770.489 pnt.
Cahors 1314 duiven, 2e prijs = 971.734 pnt. 15e prijs = 900.964 pnt. 37e prijs = 869.981 pnt.
Montauban 1108 duiven, 4e prijs = 957.176 pnt. 10e prijs = 929.524 pnt. 39e prijs = 780.400 pnt.
Limoges 913 duiven, 18e prijs = 833.972 pnt. 110e prijs = 603.753 pnt.
Limoges 731 (jonge) duiven, 92e prijs = 399.016 pnt. 117e prijs = 293.780 pnt.
Totaal 8311.189 pnt.

Het aantal punten is het aantal meters per minuut. Eenvoudiger kan het al niet. Beide matadoren hebben, volgens het reglement, op deze vluchten telkens drie duiven mogen inzetten. Dit is dus, letwel (!) een spel met getekende duiven. En Gebr. Cattrijsse hebben met een verschil van 31 meters over 11 behaalde prijzen ofwel met 31 : 11 = nog niet ten volle 3 meter per minuut en per prijs, het officieel kampioenschap van België '49, plus het douceurtje van 25.000  frank gewonnen.De beslissing viel op de Limoges met de piepers en 't was de 117e prijs van een vogeltje der Cattrijsses, die de balans in hun voordeel deed doorslaan. Ik teken hierbij aan dat beide kampioenen het bij Cureghem-Centre niet plegen te laten, doch ook nog in andere groeperingen meespelen, soms drie concoursen op één weekend.

Mijn lijstje voortzettend krijgen we hier Henri Casteleyn van Moere, tegenwoordig Oostende, niet te verwarren met zijn naamgenoot Emest, die van Gistel is en die burgemeester Boels van Stene aan de goede blauwe Vandeveldes hielp.

In '49 zette Henri het seizoen in door het winnen van de drie eersten op een groot regionaal concours van ruim duizend duiven. Zijn beste duif is de „Bulte" een blauwe Vandevelde, rechtstreeks van het hok Devriendt. Hij is twee jaar lang de strafste duif geweest van de streek. In '50 heeft Casteleyn zich moeten contenteren met : 1 en 2 provinciaal op Angouleme. Hij bleef echter een vaste klant voor de tien eersten. Totdat hij in '52 ging verhuizen naar Oostende, waar hij al jaren onderwijzer is aan de Nijverheidschool. Toen verkocht hij in 't Cocqske aan de Koolmarkt te Brussel al zijn oude duiven.

Vervolgens Karel Van Gampelaere: 1e prijs nationaal Cahors 2058 duiven) en 1e prijs nationaal Argenton, beide malen in Cureghem-Centre. Verder nog 'n hele reeks kopprijzen. Hij is in '50 6e in het kampioenschap van België en staat dus hoger genoteerd dan een man als René Genette van Jambes en al de
grote Luikenaars. Op de fond is hij 3e En dat op een hokje van 24 duiven.

Op 4 Juni '50 was het Moere-kermis. Ook de duivensjarels lieten zich niet onbetuigd. Zij wonnen die dag maar liefst zeven eerste prijzen. Hier zijn ze:
Karel Van Gampelaere 1e nationaal Cahors; Oscar Devriendt
1e interprovinciaal Chateauroux; Cyriel Derynck Ie Chartres te Eernegem; Serafien Janssens 1e Chartres te Handzame; Gaspard Hendrickx 1e Beauvais te Eernegem; Jeroen Staelens (70 oud) 1e Chartres te Gistel; Roger Devriendt 1e Arras te Eernegem......
Die zeven eersten hebben ze dus niet thuis maar links en rechts „op een ander" gewonnen.
Neen, over „dat het te makkelijk gaat" hebben de Cattrysses waarlijk geen klagen! ....

Het observeren van de staat waarin de vliegers arriveren, is natuurlijk niet de enige kwaliteitsbeoordeling, waaraan de Cattrijsses en hun vrienden in de streek hun duiven onderwerpen. Zij „werken" om zo te zeggen op alles. Op alles, behalve dan op show. Hun duiven zijn juist het tegenovergestelde van tentoonstellingsduiven en zij wijken in velerlei opzicht van de geldende standaard af.

Standaard en vleugeltheorie hebben volkomen afgedaan

Het enige wat overblijft is karakter, vitaliteit, spieren, lenigheid, uithoudingsvermogen bij vogels van de goede, gewillige soort. Het studieterrein is verlegd van model en vormen naar de biologie.l Weliswaar proberen de diehards van de vleugeltheorie nog te stellen, dat zij nooit anders bedoeld hebben dan te zeggen dat vliegen een oefening van  lenigheid is en geen oefening van macht en dat er nog slechts twee richtingen over zijn, namelijk de hunne (die van de lenigheid) en die van de tegenpartij in heel België - (de macht), maar niemand trapt er nog in. De redenering is dan ook al te doorzichtig.

Is Gaston Reiff dan geen soepel en lenig loper ? En werd hij nochtans niet verpletterend verslagen door de Tsjechische locomotief Emil Zatopek, die verschrikkelijk lelijk loopt, maar over veel meer macht en uithoudingsvermogen beschikt......

Macht en lenigheid zijn overigens kwaliteiten van dezelfde orde. Wel verre van elkaar uit te sluiten, moeten zij zoveel mogelijk elkaar aanvullen. Het zijn de  voornaamste kwaliteiten der rassige karaktervogels van de Gebr. Cattrijsse van Moere. Dikwijls is beweerd dat de duiven van de Cattrijsees op zicht en in de hand zo maar „gewone" duiven zijn: boerenduiven, en dat het onbegrijpelijk is, hoe zulke beesten zo ongenadig hard kunnen vliegen. Verder, dat de pluim volstrekt niet fijn is, evenmin als de ogen waar veel geel in zit en betrekkelijk weinig „goud", „kastanje" of „Belze vlag", een indruk geven van bijzondere  intelligentie of edele afkomst. Ook wordt uit en ter na de „ligging" er bij gehaald en de kuststreek van Veume tot Knokke „het beloofde land van de fondmannen die geld verdienen willen, genoemd". Van hetzelfde laken een broek als in Nederland Zeeuwsch-Vlaanderen. ... In deze argumenten, ofschoon  sterk overdreven, steekt wat waars. De duiven der Gebr. Cattrijsse zijn inderdaad zo maar boerenduiven; dit is de uitdrukking die Oscar zelf altijd gebruikt.

Wat is nu het verschil tussen een boerenduif en een „herenduif" zal ik maar zeggen, waarmee ik dan bedoel het tegendeel:
een fijne, rassige, edele duif, een duif met „blauw" bloed ? Wie meent dat de boerenduiven van de Gebr. Cattrijsse er zo maar lompe koppen op hebben staan, is verkeerd ingelicht. Ook is het volstrekt niet zo dat zij stuk voor stuk onbehouwen zijn van model.


Delbar Maurice, Ronse

De indruk die ge krijgt is echter wel, dat de Cattrijsse-duiven eenvoudige werkduiven zijn, zonder veel finesse wat de rasuitdrukking betreft, zonder veel  kleurschakeringen in de iris, met geen al te fijne pluim enz. Het geval van „Pette" en „Mette" is in dit verband illustratief. Op 17 Mei werd het hok, gelijk ook gebeurde bij Corneel Horemans (Schoten), Georges Goossens (Evere), Maurice Delbar (Ronsse) e.a., door de duitsers bezet. Zij bleven tot september '42.   „Achterna" aldus Gerard, „trapten zij het af." Twee jaar later waren de kansen gekeerd. De invasie op het vasteland van West-Europa hing in de lucht. Toen het bevel kwam om de duiven uit de kuststreken en de provincie Antwerpen naar Brussel te evacueren - dat was in Februari 1944 - Heten de Cattrijsses er 69 heen brengen, maar hielden er voor alle zekerheid een achttal achter om onder te duiken bij de schoonbroeder van Oscar, de heer Ghesquiere van Beveren-Roeselare, achter de demarcatielijn.


Georges Goossens, Evere met zijn schoonzoon de heer Van Malder


De prachtige installatie van Georges Goossens

Uit Brussel kwamen er, in September '44, veertig stuks behouden terug. De andere negen en twintig waren spoorloos verdwenen. Met de vier kweekkoppels te Beveren, kregen zij dus voor de wederopbouw de beschikking over in totaal 48 vogels van hun oud ras. Onder de teruggekeerde duiven zaten vier kleinzoons van de oude „Louis", alle uit de „Lange". Wij staan op het hok en ik maak mijn notities. Oscar Cattrijsse zet de duif die hij in de hand houdt in zijn broedbak en zegt: „Ik bemoei mij alleen met de duiven en niet noemenswaard met de organisatie. Wat daar al mee gaande is, daarvan en weet ik het fijne niet. Maar één ding moet gezegd en dat is dat ik degenen die ervoor gezorgd hebben dat ik deze vier kleppers heb terug bekomen (bedoeld wordt mr Wilfried Staes te Izegem, voorzitter van de B.D.B, en president van Fédération Colombophile Internationale, die door een kliek usurpators, betaald door een internationale avonturier, op de schandaligste manier werd belasterd) dankbaar blijven zal zolang ik leef. Want daaraan is het te danken, dat ons werd toegelaten eens te meer een ras op te bouwen dat onze vooroorlogse duiven waard is." Een getal van vijftig was in de kwade winter van '44 eerlijk gezegd nog wel een beetje teveel van 't goede. Besloten werd er enige te verkopen. Er kwamen liefhebbers die grof geld wilden geven, als zij er een paar mochten uitkiezen. Zij gingen  langs hun neus weg tot twintigduizend frank, maar de Cattrijsses die het geld niet nodig hadden, begingen niet de fout, die andere kampioenen wel gemaakt hebben. (Met het gevolg dat die kampioenen nu van de kaart zijn en er vermoedelijk nooit meer bovenop zullen geraken......) Zij bezweken niet voor het goud en weigerden hun liefhebberij te verkopen.

Na over en weer praten werden vijf doffers van '43 voorop gezet en de bezoekers kochten er drie van voor vijfduizend frank per stuk. Nog altijd goed betaald, moet ik zeggen, voor duiven die de gebroeders kwijt wilden zijn; je hebt er tegenwoordig een camion vol vette varkens voor. De algemene opvatting was, dat deze drie doffers de beste waren; de Cattrijsses veronderstelden het zelf ook. Er bleven er dus twee over, waarvan er één tegen de telefoondraden vloog en gepakt werd „van de kat", terwijl de laatste met recht een „schlemihl" mocht heten, een onooglijk beest, mager en hoog op de poten, net een reiger. Maar ondanks alles, een blauwe Vandevelde, getrokken uit de dochter van de „Louis" met de halfbroer van deze fameuze stamvader. „Pette", zoals hij naderhand gedoopt werd, heeft jarenlang met zijn duivin „Mette" (die in 't voorjaar '49 dood op 't hok gevonden werd) in de volière gezeten. Dit kweekkoppel heef tin vier jaar tijd een hele reeks kopvliegers voortgebracht, waarvan de fenomenale „45" de beste was.
De duivin „Mette" was een der laatste dochters van de vooroorlogse glorie, het „Bolleken" (ras Vandevelde-Lamote). Als ge spreekt van een boerenduif, dan was „Pette", de vader van de „45", een boerenduif. Maar de boerenslimheid straalde uit zijn ogen en hij was, en is nog, een zwaargespierde rakker. Samen met Charles Vanderespt te Oostende, heb ik eens zitten uitvissen welke andere kweekkoppels het meest hebben bijgedragen tot het formidabele succes van het ras Cattrijsse in de na-oorlogse jaren. Wij vielen herhaaldelijk op de letters G en V der stamduiven.

G: is de „Schone Blauwe" van '39, voortkomend van een 13 jaar oude vader, de „Grote Blauwe" van '26, met een duivin van Albert Degandt te Dottignies. V is het „Boerinneke" van '40, volle zuster van het „Kleinkopje" (een der kleinzonen van „Louis", uit de „Lange"). De „Lange" stond toen op de zuster van het „Goei Bolleken". Al wat er van de „Grote Blauwe", de „Louis", de „Lange" en het „Bolleken" voortkomt, is roos! Letter G der stamduiven had een broeder, letter H, die niet veel minder was. En letter L, het „Bolleke", gaf o.a. het „Klein-kopje", die misschien wel de beste kweker is geweest van alle. Uit het „Kleinkopje" zijn  voortgekomen de „Blok", de „Grote Blauwe", de „Koo", de „38", de „Lange", de „15", de „Slechte-penne" enz. Terribele fondmannen, er zijn er bij die een abonnement hadden op een plaats binnen de vijf en twintig eersten. Uit G zelf, de „Schone Blauwe" van '39, zijn voortgekomen de „Oudepenne", de „Kleine", de „Vuile", de „Bleke", 't „Bordeauxtje", de „Witteborst" enz. Nog een koppel moet ik noemen, koppel 36. De duiver was een volle broeder van letter L, het   „Bolleke". De duivin een volle zuster van letter G, de „Schone Blauwe". Het gaf drie formidabele duivers: de „Aster", het „Angoulemke" en de „Tsjallie", drie  grote nationale kampioenen......

Toen ik in '48 de beschrijving maakte van de verkoop der eerste ronde jongen te Brussel, schreef ik over de „Tsjallie" het volgende: Vloog 18e Orleans te  Roeselare bij de jaarlingen en 49e Orleans te Deinze (413 duiven). Werd gespaard wegens grote verwachtingen voor de toekomst. Reeds in '50 was te zien dat het een formidabele klepper ging worden en in '51 loste hij de belofte in door het winnen van de eerste ereprijs nationaal Cahors, de eerste vlucht van het gedenkwaardig seizoen, waarin de West-Vlamingen de fondspelers uit de andere provincies letterlijk overklasten!

De „45" is een hecht gebouwde doffer. Het „Bordeauxtje" is kleiner en voelt minder sterk aan in de kam, maar het is soepeler in de spieren en heeft meer  uithoudingsvermogen op de grote fond (3e nationaal St. Vincent, 1e nationaal Montauban enz.). De „Akster" is mijns inziens zo sterk niet. Weliswaar heeft hij formidabel gevlogen, maar dat was in een seizoen met overwegend staartwind. Hij heeft er anders, om het in echte duivenmelkerstaal te zeggen, een lap vleugel aanhangen van heb-ik-jou-daar......

De pluim der Cattrijsse's -duiven is niet fijn. Wel vettig, taai en rijkbepoederd. Zij mogen dan een eenvoudig kostuum dragen, het is - naar een beeld dat ik voor de oorlog al eens gebruikt heb - van het onverslijtbaarste kamgaren.

Over de gunstige ligging van de kust vergeleken bij Antwerpen, de Kempen enz. om van Luik en Verviers maar niet te spreken, zullen wij het een andere keer  hebben. Natuurlijk ligt Moere scattohitterend, maar hetzelfde geldt voor Diksmuide, Poperinge enz. En toch zijn er jaren geweest dat alles Moere was, wat de klok sloeg...... door de geweldige kwaliteit der blauwe Vandeveldes. De pure kwaliteit is altijd het eerst nodige.

Toen Franz Hentges te Luxemburg de goeie had, werd hij de kampioen van de Entente Beige. Ik wil dit hoofdstuk besluiten met enkele cijfers. In '47 vlogen de formidabele kleppers der Gebr. Cattrijsse 435.000 frank bij elkaar, twee jaar later waren het er 627.000 plus de 25.000 voor het winnen van het Kampioenschap van België. In '50, hun topjaar, is de recette nog belangrijk hoger geweest. Toch zijn de Cattrijsses geen gokkers. Maar wat doe je als een duif bij de inkorving met de ogen schijnt te vragen: „Baas, wat peinst ge, zoudt ge mij niet tot „duust" zetten......"

Oscar, die een gezellige vent is, maar daarbij een verstandig, breeddenkend commerceman in zijn grossiersbedrijf heeft eens een staaltje zelfkritiek laten zien zo typerend dat ik niet nalaten kan het hier te memoreren. In het duivenlokaal „De Zon" te leper, zaten enige grote bazen bij elkaar: Oscar Cattrijsse, Oscar Devriendt, Leopold Bostijn, Jules Matton, Emiel Denijs enz. En Oscar vertelde: „Op de prijskamp Dourdan te Brugge, deed ik veel geldinleg: 18000 frank. Toen dit spel gedaan was, waren de meeste deelnemers koleirig omdat er tien ten honderd aftrek gedaan werd op de prijzen. Ik niet. Ik ben naar huis gegaan en heb er nooit meer over gesproken."
De vrienden barstten in een schaterlach uit. „Die is goed", riepen zij, „vermits ge er rats onder door zaten geen platte prijs had." En Oscar gaf een tournee en had zelf het grootste plezier van de wereld.

 

Opvolger van de Gebroeders Catttrysse - Maurice Beuselinck, Moere


Oscar Cattrysse & schoonzoon Maurice Beuselinck.


Sinds het afsterven van Oscar en Gerard Cattrysse is Maurice Beuselinck de waardige opvolger geworden van de kampioenen van altijd.
De Cattrysseduiven hebben België de grootste standing bezorgd.

Reacties

Prachtige verhalen.Graag meer van dat.
Mooi!!!
grt

Loading ...

Loading ...


Loading...