A A A

Mijn indrukken over oriëntering

Het is een feit, de duivenliefhebber is een eeuwig misnoegde, een geboren tegenstribbelaar. Deze bemerking is gerechtvaardigd, én om zich hiervan te overtuigen is het genoeg zich naar een duivenlokaal te begeven op het ogenblik dat men de klokken binnenbrengt voor het opnemen van de tijden.

Het binnendragen der klokken gebeurt zelden kalm, want men hoort nogal dikwijls een of ander liefhebber klagen dat zijn duiven uit de verkeerde richting gekomen zijn. Men schrijft dit hier of daar aan toe : de invloed van de massa, de wind, enz...
Op dit gebied is er een bemerking te maken ; deze duiven verdwaalden, zij hebben in de goede richting niet gevlogen, zij hebben de goede richting gemist, of... zijn heel eenvoudig in de strijd geworpen geweest wanneer ze in slechte konditie verkeerden. Deze, die tijdelijk de goede richting gemist hebben, komen gewoon-
lijk thuis... na de prijzen. Men moet dus aannemen dat... indien zij uit de goede richting gekomen waren, zij onder de laureaten hadden kunnen gerekend worden.

Wat moet men afleiden van wat men iedere zondag bij het binnen rengen van de klokken te horen krijgt ? Dat het resultaat van een  wedstrijd min of meer afhangt van de goede richting van de duiven die eraan deelnemen, eerder dan aan de verwezenlijkte snelheid. Er kan geen twijfel bestaan dat de wedstrijden regelmatiger verlopen bij heldere hemel, kalme wind en normaal weer, maar, moet men geen rekening houden met de belangrijkheid van het ingezette effectief
bij een wedstrijd, en niet de prijzenverdeling die van het ene tot het andere gewest beïnvloed wordt ?
Men heeft altijd veel geschreven en gesproken over dit punt en bijna alle betwistingen zijn op dit punt gestuit, zonder ooit een schijn van bevestiging bereikt te hebben.
Het schijnt ons dat dit alles berust op het oriënteringsvermogen van de duif in verband met de weersomstandigheden. Het is zeker dat bij sterke wind, of wanneer de atmosfeer gestoord is, het oriënteringsvermogen een grote rol speelt bij de konkurenten. Een duif, ingekorfd in de beste konditie van forme, dus met een
goed ontwikkeld oriënteringsvermogen, moet als overwinnaar en zonder schijn van vermoeienis binnenkomen, zelfs... wanneer zij de wind tegen heeft, dat de massa en de omwentelingen van de aardbol tegen haar zijn.
Laat ons opmerken dat het oriënteringsvermogen slechts zijn volle ontwikkeling kan hebben, wanneer de duif van een uitstekende gezondheid geniet, dus in het volle bezit van al haar morele en geestelijke middelen... die haar de grote forme verschaffen. Men zal insgelijks bemerken dat, des te groter de snelheid is, des
te meer het oriënteringsvermogen er moet toe bijdragen, omdat deze sneller beoefend wordt. Het is bij de grootst verwezenlijkte snelheden, dat men het meest
duiven zal aantreffen die van de goede vlieglijn afdwalen. Te snel vliegend kan hun oriënteringsvermogen niet volgen ; zij waren niet totaal in ideale konditie op het moment van de lossing. Het is dus wel bij de grote snelheden, dat de duif die het minst in orde is, het meest gevaar loopt te verdwalen. Indien zij — zoals de andere — in rechte lijn had kunnen vliegen, dan zou zij zich in de prijzen geklasseerd hebben ; door het feit dat zij zich van weg vergist heeft kan zij dus geen aanspraak maken op de ereprijzen.
De duif die deze missing begaan heeft, moet dus een langere weg afleggen dan deze die in rechte lijn gevlogen heeft en deze enkele minuten vertegenwoordigen de verlenging van de afstand. Men is altijd droevig als men een duif uit de verkeerde richting ziet komen, aangezien men dacht dat zij op het moment der inkerving al de nodige konditie bezat om te overwinnen. Men had nooit gedacht dat gedurende de heenreis in de mand en zelfs gedurende de terugreis, deze
kondities hadden kunnen overgaan in goed of slecht en... dat haar forme slecht zijnde, zij zou afgedwaald zijn.
Per slot van rekening geloven wij dat alleen het klassement van een wedstrijd op het einde van het trajekt bepalend is, en het is zeer waarschijnlijk, dat alle duiven, die voorkomen op de uitslag, hun ereplaats te danken hebben aan de konditie van hun forme op het einde van de af te leggen afstand.
De goede duiven, in het bezit van al hun middelen, klasseren zich bij alle weer en wind, hetzij dat zij in masse vliegen of niet.

Toch zullen wij aannemen dat met de wind op kop, het oriënteringsvermogen niet alleen de voorwaarde is voor het sukses. Het is de fysieke konditie die dan de meest belangrijke rol speelt in de beperking van de tijd van de af te leggen afstand Kopwinden zijn zelden oorzaken van afwijkingen van de goede
vluchtlijn, want men kan steeds bemerken dat de duiven dan gewoonlijk uit de goede richting komen. Het tegenovergestelde zal zich voordoen in proeven met de wind in de vleugels, waar de duiven in groep vliegen en waar de duur om een prijsje te behalen, beperkt is. Het zal niet hetzelfde zijn in de prijsvluchten met wind op kop, waar de prijzen in de wacht gesleept worden met regelmatige tussentijd, aangezien de duiven in het zelfde richtingspunt vliegen.

 Men zal zich insgelijks rekenschap geven dat het de meest begaafde en best in forme zijnde duiven zijn, die het eerst zullen thuiskomen. Zij bezitten meer ijver, meer mordant en weerstand en door het feit dat zij alle uit dezelfde lijn komen, kan men hieruit afleiden, dat zij geen oriënteringsfouten hebben begaan.
Alhoewel er met de wind op kop, meer risiko bestaat, ziet de laag vliegende duif — om zich te beschermen — niet altijd de hindernissen die zij op haar weg tegenkomt. Het is zo b.v. dat het voor alle liefhebbers mogelijk geweest is, vast te stellen dat er voor ganse groepen grote afwijkingen ontstonden, of van links of van rechts, ingevolge de windrichting of de oneffenheden van het te overvliegen terrein.  Ook nog andere bemerkingen : indien dit peleton evolueert volgens de windschommelingen en het te overvliegen terrein, dan zal dit peleton zich uitspreiden en oneindig lang worden. Deze verspreiding is het gevolg dat sommige duiven zich meer dan andere, op hun gemak voelen om tegen de wind te kampen. Dit verschil zal dus te groter zijn naarmate de afstand tussen de lossingsplaats en het hok.

Door de studie die wij komen te zien, ziet men dat, indien de wind en de massa soms een invloed kunnen uitoefenen op de afwijking bij sommige duiven — die tijdelijk min of meer in konditieverval zijn
— zij toch niet kunnen verantwoordelijk gesteld worden voor hetslecht klassement.
Om des te groter reden moet men zeggen dat het het oriënteringsvermogen is — hetwelke ontbreekt of zich niet aanpast aan de vliegsnelheid — dat de vastgestelde missingen die in het trajekt begaan worden, doet veroorzaken.
Deze duiven, thuisgekomen na de prijzen, hadden wel voldoende snel genoeg gevlogen, doch hun drift had hen tenslotte tot niets gediend, omdat zij niet de voldoende konditie bezaten om zich te oriënteren.