Velen zeggen dat "erfdwang" alleen te voorschijn komt als stom geluk bij inteelt. Prof. Bonsma denkt dat het een winnend lot is in de loterij, die kweken tot op zekere hoogte, tenslotte altijd is: wij weten het niet, wij moeten afwachten. Hij ziet erfdwang en heterozygotie niet noodzakelijk als elkaar's tegenpolen. Ik wijs nog eens op deze uitspraak die hij doet: "In iedere bevolkingsgroep speel enkelinge een geweldige rol in die daarstelling van gewenste diere".
Het systeem waarmee ik Raymund Hermes te Ham/Sieg in drie jaar maakte tot een van Duitsland's nationale kampioenen, berust daar op. Van een doffer uit mijn voliere, die ik hem in '76 verkocht als jong van zes maanden, ging hij op mijn aanwijzing (selectie) kweken met zes, later zelfs met twaalf duivinnen. De eitjes werden ondergeschoven onder zg. Ammenpaare, hij heeft er daar permanent vijftig, zestig van zitten. In 1982 had hij 28 zonen en dochters van de "Bonte Piet" in zijn kweekhok, zij hadden zonder uitzondering eerst hun waarde moeten bewijzen op de vluchten.

Hermes deed in dat jaar een publikatie met de verklaring dat 93 van al zijn successen te danken was uitsluitend aan de fenomenale erfdwang van de "Piet".
Ik had de "Piet", drie maanden oud, gekocht van Karel Meulemans te Arendonk, in de veronderstelling dat zijn moeder, een blauwe duivin van '66, een Janssen was, via Adriaan Wouters. Louis Janssen hield staande dat die duif niet van hun kot kwam. Ik twijfel daar niet aan maar zij kan ook van een ander kot gekomen zijn waar "echte" Janssen's op zaten, zij leek er althans op als twee druppels water. Ik heb via het nummer van de ring, de naam van de kweker nooit nagetrokken, misschien gebeurt het nog wel eens.
De "Bonte Piet" had nooit gevlogen, enkele van zijn broers (en zusters) waren kampioenen. Ik denk dat hij de duivengeschiedenis in zal gaan als een wonder van prepotentie op twee voeten.
Inteelt in de ruimste zin is paring van dieren die nauwer aan elkaar verwant zijn dan twee individuen in de groep gemiddeld. Dit houdt in, wat u al lang wist, dat er graden van inteelt bestaan. Een eenvoudige manier om de graad van inteelt vast te stellen is het raadplegen van de stamboom. Als die tenminste deugt, want door de manipulaties van falsificateurs is die de laatste tijd hevig in diskrediet geraakt. Elk dier heeft twee ouders, op papier heeft het ook vier grootouders, acht overgrootouders enz. Betrekt men een groot aantal generaties in de berekening, dan zou het aantal levende en gestorven voorouders - de n-de macht van 2 - groter zijn dan de groep in haar geheel ooit zou kunnen zijn geweest. Dezelfde dieren moeten dus in verschillende stambomen voorkomen, met andere woorden: er bestaat een graad van inteelt. Nu is het wel zo dat men in de praktijk van de fokkerij niet meer van inteelt spreekt indien de verwantschap wat verder verwijderd ligt. Maar zonder inteelt in engere zin, is enig onderras of ras toch ondenkbaar. Inteelt is inhaerent aan alle rasvorming, bij planten en bij dieren.
Om een duidelijke afspraak te maken van hetgeen wij onder inteelt zullen verstaan, is het nodig te verklaren welke minimungraad van verwantschap twee individuen moeten hebben om bij paring van inteelt te spreken. In de veefokkerij wordt, in navolging van Löhner c.s. slechts van inteelt gesproken als de twee parende individuen in de vier voorafgaande generaties een of meer gemeenschappelijke ouders of voorouders hebben.
Is de graad van inteelt geringer, dan spreekt men daar niet meer van inteelt.
Men bedrijft dan wat in het duits "Fremdzucht", in het engels "outbreeding" heet. Wij zouden ons ook in onze duivenwereld aan deze afspraak kunnen houden. Hoe minder voorouders een dier dus in zijn stamboom heeft des te nauwer is de graad van inteelt. Bij volle broer- en zusterparing in opeenvolgende generaties, heeft een daaruit voortkomend product twee grootouders in plaats van vier, twee overgrootouders in plaats van acht enz. Men noemt dat Ahnenverlust. De nauwste graad van inteelt is de volle broer- en zusterparing in vier opeenvolgende generaties bedreven.
Wie de goden willen verderven, slaan zij met blindheid
Een zekere dr. Whitney, dierenarts in Orange (New England) heeft het zeven generaties opeenvolgend gedaan, met duiven van Huyskens-Van Riel. Zonder selectie door de reismand, hij geloofde "dat ze zuiver genoeg waren" om die te kunnen missen. Ondertussen had hij met die duiven een kweekstation gesticht, voor de handel. Hij was geleerde en publicist, van zijn hand was bijvoorbeeld een boekje verschenen: Hoe geld te verdienen met de fokkerij van honden? Na die zeven generaties moest de zakenman ervaren dat ze, bij wijze van spreken "over de straat niet meer konden vliegen".
Ik heb de rommel die hij op grote schaal verkocht had, in vele staten van Amerika, vele jarenlang ieder jaar overal op clemente manier de kop af laten doen. Op de duur zei ik: "geef eens een briefje", waar ik dan opzette:
"worthless" of "without any value whatso-ever..." Niemand van de eigenaars die er hun dure centen aan opgeofferd hadden, heeft mij ooit laten weten dat ik er naast geweest was met mijn oordeel.
De strekking van inteelt is het verkrijgen van zuiverheid voor zeer goede kwaliteit. Het gevolg van inteelt is op de duur vermindering van de variabiliteit welke in zekere zin maatstaf is voor die zuiverheid. De verklaring voor de afname der variabiliteit ligt in de Mendelse splitsingswet die leert dat paring van dieren welke beide onzuiver zijn voor een bepaald gen (of gene) op vier nakomelingen, naast twee onzuiveren telkens twee zuiveren oplevert.
Er blijven dus, naar verhouding steeds minder bastaards over. Een merkwaardig, doch logisch verschijnsel is hierbij het optreden van allerlei ongewenste, recessieve eigenschappen (aa) die aanvankelijk de variabiliteit vergroten, in plaats van doen afnemen en tevens de kwaliteit van het materiaal dreigen te verslechteren. Aangezien deze afwijkers bij de selectie van voortplanting worden uitgeschakeld - zo hoort het althans te gaan - terwijl geen nieuwe kiemhelften worden ingevoerd, schrijdt het proces van het zuiver worden en daarmee van de vermindering van de variabiliteit automatisch voort. De graad van inteelt, alsook het aantal dieren dat in elke generatie voor de voortplanting wordt gebruikt, bepalen daarbij het tempo waarin de ontwikkeling zich voltrekt, terwijl de selectie richting geeft aan deze ontwikkeling.
Theoretisch is de groep zuiver voor de gewenste combinatie van genen, waaronder ook die welke aan de basis liggen voor het "kompas", voor vitaliteit en andere imponderabilia, daar zorgt de reismand voor. Het is op deze wijze dat de grote rassen: Bricoux, Horemans, Delbar, Stichelbout, Janssen van Arendonk en die mij niet zo gauw te binnen schieten, zijn ontstaan. Andere manieren zijn er niet.

Ik leg de nadruk op theoretisch. De praktijk geeft zoveel moeilijkheden dat men - niet zonder reden - spreekt van een inteeltprobleem.
Een ras is in de praktijk alleen zuiver te houden door voortdurende proefparingen en strenge selectie. In elke nieuwe generatie. Absolute zuiverheid wordt alleen bereikt in Utopia. Zij komt in de practijk nooit tot stand omdat allerlei storende invloeden het verloop van de inteelt veranderen. Een verkeerde bevruchting kan, volgens sommigen, niet de eersten de besten, het werk van jaren weer ongedaan maken. Inteelt is de methode der elite-fokkers. Velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren. De toepassing van inteelt op hokken met klein bestand vogels brengt moeilijkheden met zich mee in deze zin, dat zij de hoogste eisen stelt aan de vasthoudendheid van de fokker. Gebr. Janssen hebben nooit willen doorgaan voor kenners van duiven, er bestaat evenwel niet de geringste twijfel over dat zij buitengewoon bekwame kwekers zijn.
Zij moeten meesters zijn in het selecteren van hun stamduiven omdat bij strenge inteelt het gevaar optreedt dat belangrijke genen verloren gaan worden uitgemendeld - waardoor kwekers waar iemand al zijn hoop op had gevestigd, tenslotte ondeugdelijk zouden blijken. De grote fokkers van renpaarden van deze tijd zitten met hetzelfde probleem. Ook zij zijn tot het uiterste kunnen gaan omdat hun "fokmateriaal" bestaat uit puur prestatiedieren. Ondanks computers en chromosomen op beeldschermen, wordt de kennersblik nergens hoger gewaardeerd dan in deze wereld. Wie veulens kan bekijken bezit een kwaliteit om schatrijk van te worden.
Een goede noot is dat de reismand M ons bij inteelt zijn waardevolste inlichtingen geeft. Selectie bij onophoudelijk kruisen om te proberen om kampioen te blijven, is veel moeilijker. Deze manier van doen is alleen te verdedigen als men telkens, jaar in jaar uit, de beschikking heeft over prima, zo mogelijk doorgefokt materiaal.
Ik heb nooit een kruiser ontmoet, al was hij nog zo principieel, die dat niet besefte. Kruisers zijn altijd uit op "reparatie" en op "transgressie".
Wat is degeneratie door inteelt in de praktijk?
Degeneratie is een relatief begrip
Het is "geslachtsverzwakking", zo stond het vroeger in de Dikke Van Dale maar dat is lang geleden. Achteruitgang in kwaliteit van hele groepen, een achteruitgang welke men bij de meest verscheiden planten en dieren heeft kunnen waarnemen. Langzamerhand is duidelijk geworden dat de oorzaak van inteeltschade "gevaarlijke onzuiverheid" - in de zin van afwijkingen -is en dat wij bij deze aberratie te maken hebben met het ontstaan van groepen waarin als gevolg van het ontbreken van genen van vitaal belang, welke in de oorspronkelijke groep wel aanwezig zijn, fouten zijn geslopen. Dit is de omschrijving van een Nederlandse pionier der genetica, de oude dr. Hagedoorn te Soesterberg, ik heb vroeger nog met hem gecorrespondeerd. Zijn dochter die afstudeerde als dierenarts in 1953, doet praktijk in Heemstede. Uitgaande van het bovenstaande is er geen algemene regel te ontdekken welke enig licht kan brengen in het wezen van de inteeltschade.
Maar wanneer wij een groot aantal gevallen van degeneratie bijeen zoeken, gevallen in welke door bloedverversing steeds weer verbetering was te bewerkstelligen, zien wij eerstens deze belangrijke regel: Een groep planten of dieren degenereert nooit voor die eigenschap die ons het meest interesseert en die het einddoel is van onze selectie! Wie alleen maar rode duiven wil hebben en de rest stelselmatig opruimt, zal over de kleur niet te klagen hebben. Die zal niet degenereren. Zelfs vitaliteit, voor het verlies waarvan iedereen zo bang is, raak je in bloedverwante kweek niet kwijt, zolang je in iedere generatie, met de hoofdletter M, op het behoud ervan selecteert.
Dit is dus een eerste algemeen principe:
Inteeldegeneratie heeft nimmer plaats bij eigenschappen die het voorwerp zijn van onze selectie. En dan zien we ten tweede dat inteeltschade geen algemeen voorkomend verschijnsel is. Er zijn stammen en groepen van dieren en planten die ook bij lang voortgezette inteelt niet degenereren. Zelf - aldus dr. Hagedoorn - bezaten wij een stammetje witte muizen dat meer dan dertig generaties lang, broer-en-zuster was ingeteeld, welke stam een zeer hoog gemiddelde vruchtbaarheid vertoonde en die bestond uit zeer robuste, snelgroeiende, vroegrijpe, resistente dieren.
Inteeltschade is het gevolg van het zuiver worden van een ongewenst stel genen, een gevolg van het feit dat men bij de selectie op deze genen niet heeft gelet. In de regel ziet men inteeltschade het snelst optreden in die gevallen waar men in het geheel niet selecteert, zoals in gevallen waarin men wilde dieren in cultuur neemt (nertsen en andere bontdierfokkerijen) of waar men zich zozeer blindstaart op een enkel opvallend kenmerk dat men de rest geheel verwaarloost. Verder begrijpen wij dat inteeltdegeneratie bij die planten en dieren het snelst om zich heen grijpt en de slechtste gevolgen zal hebben waar in de regel het minst wordt ingeteeld, dus waar voortdurende kruising regel is. En omgekeerd dat hoe zuiverder een groep is, des te geringer de nadelige, gevolgen van inteelt kunnen zijn. Uit allerlei onderzoekingen is gebleken dat er genen bestaan die in bepaalde gevallen zulk een invloed hebben dat alleen exemplaren die er onzuiver voor zijn, zich kunnen ontwikkelen (de zg. lethale factoren). In een groep voortdurend kruisende dieren, waarin zulke genen voorkomen, zou de invloed van inteelt zich al spoedig doen gevoelen door abnormale voorstelbare sterfte.
Er zijn gevallen bij sierduiven waarin men uit enkele dieren, door strenge inteelt, een grote groep van eenvormige dieren kan fokken. Alles wijst er op dat de zuiverheid, die het gevolg is van inteelt, behoedt voor degeneratie door verdere inteelt. Door voortgezette inteelt wordt een groep dieren inteeltresistent. Het ras Janssen van Arendonk is hier een extreem voorbeeld van. Niet de inteelt als zodanig maar de mogelijkheid van het ontstaan van individuen met ongewenste genencombinaties, is de oorzaak van inteeltschade. Bij inteelt hebben wij dus een geval waarin een schadelijke invloed in bepaalde gevallen de oorzaak is voor eigen onschadelijkheid.
Bij dit alles moeten wij bedenken dat inteelt niets anders is dan niet kruisen. Door inteelt brengen wij nooit iets nieuws, iets positiefs in de groep, integendeel wij zorgen ervoor dat geen nieuwe potentiële variabiliteit kan onstaan.
Door inteelt onstaat eenvormigheid van type in velerlei opzichten. Tezelfdertijd verdwijnt de variatie. Een Janssen-duif of honderd Janssen-duiven, zij zijn voor de geoefende kennersblik overal direct herkenbaar, veel beter dan welk ander beroemd ras. Omdat er bij inteelt geen nieuwe genen aan het bestaande pakket of garnituur worden toegevoegd, moeten wij er vooraleer er aan te beginnen - zeker van zijn dat alles wat wij willen combineren ook van meet af aan in ons materiaal samen aanwezig is.
Wat er niet of niet meer in zit, kan er niet uitkomen.
Zuivere Janssen's geven bijvoorbeeld nooit witpennen. Wie rode Janssen's wil gaan kweken moet niet beginnen met twee lichte blauwen, daar komen van zijn leven geen rooie meer van. Het voordeel van inteelt is dat spoedig grote zuiverheid verkregen wordt en dat men dus de kwaliteit die men in enkele goede exemplaren heeft "opgespaard" kan uitbreiden over de hele stam. Wij kunnen intelen met zeer na verwante dieren, bijvoorbeeld van volle broer en zuster en van een ouder en een kind. In sommige gevallen kan het nuttig zijn, vooral dit laatste te
doen, namelijk als het er om gaat, uit een enkel zeer waardevol exemplaar een hele stam op te bouwen of als wij een enkel uitstekend fokdier nog eens precies of zoveel mogelijk gelijk willen voortbrengen (reproduceren). Prof. Anker was daar een voorstander van, veel meer dan van broer-en-zuster.
In de fokkerij van veel huisdieren - de Zuid-Afrikaan Bonsma heeft daar met nadruk op gewezen - hebben weinig dieren een buitengewoon grote invloed op de kwaliteit van hun nakomelingen. Men spreekt hier van prepotentie, in de wetenschappelijke betekenis. Een dier is prepotent als hij de eigenschap(pen) heeft zijn goede kwaliteit, zoals dat heet, op practisch al zijn kinderen te vererven, op een groot aantal ervan althans. In termen van genetica betekent dat: als een dier zuiver is voor veel belangrijke genen. Tussen even goede, althans even goed lijkende fok-beren (varkens) is er altijd groot verschil in de kwaliteit van de voortgebrachte biggen, dat valt hier meer op dan bij andere grote(re) huisdieren omdat de tomen biggen vaak zo groot zijn.