Kruising én in teelt - schrijft mijn oude vriend Jan Aerts, de populaire redacteur van "De Duif", boven een zijner wekelijkse pennevruchten. Het woordje én in dit opschrift is tekenend.
Jan Aerts, de ervaren duivensportkronieker, maakt niet de fout van zovele gelegenheidsschrijvers over duiven, die óf zetten in plaats van én, en die kruising en inteelt, als middelen om te komen tot een bepaald doel, namelijk het kweken van goede duiven - naar hun voorkeur en vooroordeel - zien als onverenigbare controversen. Er zijn geen hokken waar door de eeuwen heen niet anders dan kruising wordt gedaan, evenmin hokken waar nooit anders dan inteelt wordt bedreven. Het is altijd en overal een mixture, waar wij over spreken. Kruising en inteelt zijn in de praktijk van de liefhebberij hoogstens uitersten, nimmer tegengestelden. Bij de een ligt het zwaartepunt hier, bij een tweede daar, bij een derde weer elders. Factoren die er een rolin spelen zijn vele. Bij variatie zo groot als op het gros onzer West-Europese duivenhokken kan dat ook moeilijk anders. Jan Aerts nu was een beetje in zijn kuif gepikt, Dat hoort bij duiven, je kunt ook zeggen in het kruis getast.
Door kritiek die hij gekregen had op zijn voorlichting en daar doet hij "lillek" van. Brieven naar aanleiding van een reportage van de grote Pol Jacquemijns
(voetbal en duiven), in "Sportwereld", waarin bedoeld onderwerp werd aangesneden. Ik laat Jan zelf even aan het woord: "Een paar sjarels menen te moeten
schrijven dat ik ze verkeerd heb ingelicht, want ik heb eens de draak gestoken met die hokken waarvan beweerd wordt dat er nooit of te nimmer een
vreemde duif in de stam werd gebracht. En schrijft de vriend Pol nu niet dat binnen ik-weet-niet-hoeveel jaren bij Janssen ten hoogste een paar (twee) vreemde duiven werden bij gebracht... Als die muggenzifters zich nu eens wilden amuseren met uit te zoeken hoe menigmaal in mijn kronieken de zuivere waarheid wordt gezegd in plaats van te zaniken en te zeveren als ze menen iets in de contramine gevonden te hebben. Dat het bij Janssen gaat gelijk beschreven in die reportage... wis en zeker.
Ik ben reeds in Arendonk geweest doch niet tot bij Janssen geraakt. Dat doe ik bij de eerste gelegenheid. Maar ik moet er niet eens komen om te weten dat daar een zeker aantal duiven zitten die toelaten dat lange tijd niets van buiten af komen moet.Dat al wat maar enigzins op verval of ongepaste afwijking wijst, ongenadiger uit moet en dat de koppeling gebeurt in zo vér mogelijk verwantschap. Anders is 't niet mogelijk".
Beproefde tactiek
Tot zover Jan Aerts; wat schrijver dezes betreft, ik ken het ras en de tactiek van de Janssen's wél. Ik ben meermalen in Arendonk geweest en nergens anders mee dan met de bedoeling tot de Janssen's te geraken, reeds lang voor de tijd dat het nog niet "de Gebroeders" waren. Toen het oud Driekske "de Pauw" nog leefde, geen dom ventje. En ik heb er winteravonden achter de snorrende plattebuis gezeten en met vader Janssen en zijn vele, ongetrouwde zonen, die geen vrouwenvlees aan hun lijf schijnen te hebben "vermits ge, als ge ze opensnijdt een duif kunt vinden in hun herte", zitten klappen over de soort en over het mee en tegen van de bloedverwante kweek. Het zijn altijd beste duiven geweest die ze verkocht hebben, het part daarvan dat mogelijk is, wel te verstaan. Kampioenen in het vliegen en nog grotere kampioenen op het kweekkot. Tal van bekende hokken, neem de Klak dr. Linssen, Albert van der Flaes en Albert van Cauwenbergh, Charel d'Haens. Niek Janssen en geen tientallen maar honderden gewone liefhebbers, in alle delen van de wereld. Denis van der Linden vloog er heel de hoofdstad Brussel mee plat en daar zaten toch specialisten van de vitesse genoeg.
Wat Pol Jacquemijns schrijft is juist. De Janssen's hebben tientallen jaren het Engelse systeem van fokkerij in bloedverwantschap toegepast en bedreven: neven en nichten t'allenkante... Twee gelukte kruisingen hebben ze gedaan, de eerste in '19 met een vossenduivin van de "Fonne" Ceulemans te Berlaar. Het is de soldaat Fons Janssen, "bij den troep" bevriend geraakt met Louis Ceulemans junior, die hem meebracht naar Arendonk. Daar komen de "vossen" in het ras vandaan, Reinaert zelf was er niet bij "die felle met den roden baarde" want die zou ze opgegeten hebben. Dat schalieblauw zat er al in bij de oude Benoit Schoeters in Herenthout van voor 1900, het kwam van Karel Wegge en is er tot op de dag van heden nooit meer uitgegaan. Prof. Anker te Kaposvar vond dat die complexe
kleur best eens draagster zou kunnen zijn van waardevolle genen, in het ras Hansenne te Verviers kwam ze ook voor en iedere keer terug.
Theo VandeVelde te Oudenburg was ook altijd blij als hij die kleur zag. Zijn dochter, een oude dame, woont nog altijd in Oudenburg bij Gistel. Maar zij zal hetniet kunnen bevestigen, zij hield geen duiven. Dr. Aimé Ide en Jerome van Litsenborg die nog bij hem in de klas hebben gezeten, zouden het wel kunnen, maar het zijn details, die ze vergeten zijn.Beroemde kruising met Fabry De tweede kruising werd gedaan in '33, met die duiven van Schoeters. De derde in de jaren 'vijftig met een "halve" Fabry. Daar heeft schrijver dezes zonder er een vermoeden van te hebben, de hand nog in gehad. Georges en Victor Fabry kwamen naar Arendonk om er een kweekdoffer te kopen. Nalange palavers lukte dat. Zij beloofden dat ze er de Janssens een kloeke jonge duif van zouden schenken, als het uitkwam zoals zij verwachtten. Louis dankte de Luikse heren en dacht er niet meer aan... Maar enige tijd later bracht Victor hem de beloofde jonge duif. Van die bewuste Janssen-doffer met een zuster van "Porthos"... En deze laatste was in die tijd aan de Rue des Glacis, op de Citadel, de beste vlieger van het hok Fabry. Hij en zijn broer, de "Favori" waren gekweekt van een koppel, samengesteld door Piet de Weerd te Breda, op 31 januari 1950.
Hun moeder was de "Hèroine" eerste prijs St. Vincent te Luik en 4e national tegen 2200 duiven, ik meen van als jaarling. Ik herinner mij dat die duif een doorgeknipte ring aan haar poot had, Georges Fabry had er speciale vergunning voor om de vogel op zijn kweekkot te houden. Ik heb bij Fabry, in mijn leven ooit maar een koppel bijeen gezet, dat was op die bewuste datum. Maar dat koppel van "Franck" en "Hèroine" heeft geschiedenis geschreven, bij Fabry en bij Janssen van Arendonk. Ik heb meen ik gezien dat de "halve" Fabry gepaard zat met een klein geschulpt van '61 met kapot duim vleugeltje, het zat achter het huis in een klein kotje met een ren. Van dit koppel zijn talrijke briljante duiven voortgekomen, waaronder de "Oude Witoger" van '65 en de grootmoeder van de "Merckx". Zo
moet het "ongeveer" geweest zijn. Kruisen niet uitvlakken Soms moet je kruisen niet uitvlakken... Driekske de Pauw was geen bijzondere kenner van duiven. Met een Omer Dekeyzer van Oudenaarde mag men hem niet vergelijken, daarvoor had hij er te weinig in handen gehad. Zijn kracht lag in het feit dat hij en zijn zonen, hun uitmuntende uitgangsmateriaal dat inteelt kon verdragen, dat inteeltresistent was, door bloedverwante kweek en selectie op de reizen gingen zuiveren van ongerechtigheden. Zij hebben nooit gewerkt op uniformiteit van type. Hun voorkeur ging nergens anders naar uit dan naar harde vliegers op Quievrain en St. Quentin. En nog een paar vluchtjes beneden Parijs. De fond lieten zij anderen met hun duiven vliegen, zij waren er wel benieuwd naar wat die ermee presteerden. Het enige dat zij bewust en consequent deden was intelen en nog eens intelen. Op het terrein van de selectie, op zicht en in de hand, hebben de Janssen's altijd een tamelijk passieve rol gespeeld. Zij houden aan wat kop vliegt en ruimen op waar geen gang in zit. Een duif die naar hun goesting eigenlijk te mager is, maar toch hard komt, noemen zij de "Scherpen", maar ze houden hem hoofdschuddend door...
Vanzelfsprekend overwinteren zij wel eens een paar schoon groot gekomen late jongen. Een ervan was de gekende "Winterjonge". Maar als die later niet willen vliegen, wordt er weinig permetatie mee gebruikt. Frans Buelens, van Bonheyden, bezijden Mechelen, die naar eigen getuigenis, in 't geheel niets van duiven kent, volgt al meer dan dertig jaar hetzelfde systeem.
Zelf is hij al lang verleden tijd, maar er zit nog een Buelens-duif in het ras van Sylvere Toye van de beenhouwerij "Breughel" te Kortrijk en die speelt er met groot succes de zware fond mee.