A A A

Degeneratie van de ogen - gevolgen van slechte selectie bij veelvuldig kruisen

Zijn er dan geen duiven met "slechte" ogen? Die zijn er zeker, volop denk ik. Koppel maar twee duiven met een grote pupil, scherpe cirkels d.w.z. een scherpe, niet vloeiend in elkaar overgaande afscheiding tussen iris en pupil, vooral aan de voorkant, de kant van de snavel, dunne waterige kleur in de iris, enkelvoudige kleur zonder tekening, "oneffenheden" e.d. en u bent op de verkeerde weg.

 U zult van de jongen die u ervan kweekt, er al van beginnen kwijt te raken bij het uitwennen. Of het komt door die "slechte" ogen, daar mogen de kenners over twisten, één ding leert de ervaring dat wij hier te maken hebben met een vorm van degeneratie, waar het voortbestaan van de stam mee staat of valt. Slechte ogen zijn er zonder twijfel, er zijn, in allerlei opzichten veel meer slechte duiven dan goede of redelijke, maar het grote voordeel van de duivensport is dat de reismand  ze onverbiddelijk uit zift.

Over het mee en tegen daarvan zou ook weer een hoofdstuk te schrijven zijn, het komt hier en daar in dit boek nog te praat. Maar waar het in dit verband om gaat is dat degeneratie in de zin van progressieve minderwaardigheid in opvolgende geslachten, door het feit van de rationele selectie die altijd en overal voorwaarde is, wetenschappelijk niet te verklaren is. Een proces is ontaarding is geen geval. Hetzelfde geldt voor het tegengestelde: de regeneratie. Spontane "verbetering" van een ras of familie kan men wetenschappelijk niet verklaren (lees: aannemen), niet anders althans dan te begrijpen en te verstaan is uit het gedrag der erffactoren.

Degeneratie bij postduiven kan wel de schijn van een proces aannemen, indien van geslacht op geslacht op de verkeerde manier wordt geselecteerd.
Hoe ziet een hok postduiven dat een tijdlang goed is geweest maar tenslotte in verval is geraakt (den berg af - zeggen de Belgen) er meestal uit?
Het is van belang dit te weten omdat er uit kan worden afgeleid aan welke bijkomstige eigenschappen de liefhebber bij aanvullende en "corrigerende" selectie te veel aandacht heeft besteed en welke onmisbare eigenschappen hij tezelfdertijd heeft veronachtzaamd. Degenen die geruime tijd goed hebben gespeeld, maar tenslotte achterop zijn geraakt, hebben doorgaans allen aan min of meer nauwe inteelt gedaan.
Terugval als gevolg van slechte selectie, gepaard gaande met veel kruisingen, treft men het meest aan op de hokken van de "krabbers" die eigenlijk nooit behoorlijk hebben kunnen meekomen. Ik heb de ervaring dat de degeneratie, op hokken waar veel inteelt werd bedreven anders geaard is dan die op hokken waar overwegend de kruis-maar-raak methode in toepassing werd gebracht. De door slechte selectie bij inteelt gedegenereerde rassen zijn in vele gevallen "gestorven in schoonheid". Het zijn typen van een aparte, maar bedenkelijke schoonheid, die ons met argwaan vervult.

Schoon en goed en standaard kunnen samengaan, zo redeneert de eigenaar. En hij kweekt dusdanig dat hij niet alleen 's zomers op de concoursen succes kan hebben, maar ook om bij winterdag uit te blinken op de tentoonstelling. Met gevolg dat hij tussen de twee stoelen in komt te liggen. Mooi gevormd kopprofiel met fraaie, niet te grove neusdoppen, papegaaienkoplijn, de oogranden zeer fijn, soms krijtwit, soms donkergrijs van kleur, waardoor de indruk gewekt wordt dat de duif in 't geheel geen oogranden heeft. Er zijn ijskoppen bij, zo genoemd omdat de pluimpjes rond de kop iets lichter rood of iets lichter zwartgrijs zijn dan die van de hals - ongeacht de weerschijnkleuren - waardoor de duif een etherisch fijn kapje op lijkt te hebben. Het oog waarvan de pupil weliswaar nog middelmatig groot is of zelfs aan de kleine kant, is "uitgedoofd" en zonder glans. Er zit geen sprankje vuur meer in. De iris is als verdroogde oude verf met craquelè. Merkwaardig is dat men er weinig pee-of witogen onder vindt, de kleur is meest dof kastanje. Er is dikwijls nog overvloed van fijne pluim maar te onsamenhangend en met te weinig allerfijnste haakjes, die er voor zorgen dat de vlaggen van de pennen onverbrekelijk vast in elkaar (blijven) zitten.

Te weinig van deze pure kwaliteit, maakt dat ze op het gevoel met handen en vingertoppen droger en losser worden het zijn maar minuscule finesses maar ze zijn wel een teken aan de wand'
Goede duiven zijn natte duiven.
Het beendergestel wordt te zwak en het soortelijk gewicht schijnt kleiner (lichter) te worden. De substantie van de spieren kan nog zeer behoorlijk aanvoelen maar wat men mist is het volume, de spierontwikkeling laat te wensen over. En wat men vooral ontbeert, is de vitaliteit. Er zit in deze, op de duur, anaemische wezens geen fut en geen zenuwkracht meer. Wie de berg af gemoeten is wegens selectie volgens de fatale vleugeltheorie, zit met een hok vol zweef vliegtuigjes zonder motor. Excuseer mij dat ik overdrijf. Mij gaat het erom de richting aan te geven waarheen de zaak mis gegaan is. De kardinale fout is dat men te veel aan aanvullende en corrigerende selectie heeft gedaan en te weinig aandacht heeft geschonken aan wat de reismand  ervan vindt...

Gevolgen van slechte selectie bij veelvuldig kruisen
De duiven die als gevolg van slechte selectie bij onophoudelijk kruisen zijn gedegenereerd, geven een heel ander beeld te zien. Er zijn veel onbehouwen dieren bij met domme uitdrukking, al zou het glad verkeerd zijn intelligentie te identificeren met kompas. Talrijke harde vliegers waren geheten de "Dromer" en de "Slaper", zelfs de "Ezel".
In de Middeleeuwen was er een engelse koning, die de geschiedenis is ingegaan als Richard Leeuwenhart, een naam die veelzeggend was en om trots op te zijn, voor hemzelf en voor het volk dat hij aanvoerde. Zijn broer die voor hem inviel, toen hij enige jaren buitenslands was, om welke reden' zou te ver voeren, was ene Jan zonder Land, een naam die ook niet voor tweeërlei uitleg vatbaar was. Churchill heeft er, in monumentale stijl, maar met nauw verholen humor, het zijne van gezegd: "Richard had de deugden belichaamd, welke de mensen in de leeuw bewonderen, maar de Natuur heeft geen dier voortgebracht dat de tegenstrijdige eigenschappen van Jan en zich verenigt. Hij bezat de meedogenloosheid van de geharde krijgsman naast de sluwheid en de buigzaamheid van een Macchiavelli Hoewel hij zich soms aan hevige driftbuien overgaf, waarbij zijn ogen "vuur spatten en zijn gezicht lijkbleek werd" werden zijn wreedheden met een koude onmenselijke intelligentie gedacht en uitgevoerd. De monniken-kroniekschrijvers hebben op zijn opvliegendheid, gulzigheid, boosheid, verraderlijkheid en zinnelijkheid de nadruk gelegd, maar uit andere geschriften blijkt dat hij vaak verstandig, buitengewoon bekwaam en soms zelfs grootmoedig was.

Share/Save/Bookmark
Piet de Weerd" tot eer van Piet Deweerd met dank aan zijn zoon Henk Deweerd voor toelating pubicatie" - 19/02/2010