
Vader en Zoon Nolet hebben hun sterke seizoen afgesloten met het kampioenschap op de overnachtfond van de afdeling Zeeland ’96. Met een voor overnachters niet al te grote ploeg behaalden ze ook op de ZLU vluchten mooie prestaties en in de nationale uitslagen zijn ze ook bij de besten te vinden.
Het prille begin.
Pa Nolet heeft jaren gevaren. Op de boot had hij ook een duivenhok. En midden op zee liet hij ook gewoon zijn duiven vliegen en ze kwamen nog terug ook. En in welke haven hij kwam, hij liet zijn duiven vliegen en deze duiven hadden blijkbaar zo’n goed orientatievermogen dat ze elke keer de weg naar de boot terug vonden.
In 1970 werd de voet aan wal gezet en al spoedig werd er een hokje gezet aan de Callandstraat. Daar woont Pa Nolet met zijn vrouw overigens nog steeds. In het begin was het een beetje zoeken naar de juiste duiven. Maar al gauw had men de goede gevonden. Op de eendaagse fond werden eind jaren 70 en begin jaren 80 al grote successen geboekt. Vele kampioenschappen en ook de marathon titel op de eendaagse fond werden behaald. Toch wilde men het wel eens op de overnacht proberen.
In 1985 gaven ze drie “uitgerangeerde” eendaagse fondmannen mee. Ze pakten prijs 2 en 5 in de zeer sterke fondclub Terneuzen. Dit was een goede stimulans om hier mee verder te gaan. Het duurde toch nog een kleine tien jaar voordat geheel voor de overnacht werd gekozen.
Hokbestand en opbouw.
48 weduwnaars bevolkten de hokken van deze Axelaars. En ook nog 20 duivinnen om mee te spelen. Echter de duivinnen gaan ze anders aanpakken. Dit seizoen zaten alle duivinnen bij elkaar en al gauw werd er onderling gepaard. Funest natuurlijk. Daarom hebben ze besloten hun weduwmannen bestand terug te brengen van 48 naar 36. Zo hebben ze plaats gemaakt voor de duivinnen. Deze kunnen nu worden opgesloten. Normaal worden hier zo’n 40 jonge duiven gekweekt. 2005 maar 28 dus moest er weinig worden geselecteerd.
Hun basislijnen komen allemaal van Jac. Van den Bosch uit Hengstdijk. Toen men besloot om volledig op de overnacht te gaan werden hier de eerste overnacht duiven behaald. Elk jaar komen er daar duiven van bij. En volgens JP Nolet mocht men hier best spreken van het bijhuis van Jac. Vd Bosch. Bekende rassen als Jantje Theelen en Anton van Haaren voeren hier de boventoon.
Voorbedreiding en medische begeleiding.
Ook hier wordt als “regel”dat de duiven ongeveer 1000 km moeten gevlogen hebben om aan hun 1e overnachtklus te beginnen. Na wat vitesse- en midfondvluchten wordt de hele vliegploeg naar Tours meegegeven. Na Tours worden de doffers en duivinnen op weduwschap gestoken. De jaarlingen krijgen meestal nog een tweede dagfondvlucht voor hun kiezen. Diezelfde jaarlingen debuteren vaak op Bordeaux. Mochten ze daar niet naar behoren hebben gepresteerd krijgen ze nog een kans op Dax. Als ze op beide vluchten helemaal niks hebben laten zien is hun lot duidelijk…
Ook voor de oude duiven ligt de lat vrij hoog. Normaal gesproken gaan die toch wel 3x maal de mand in. En ze moeten ze toch zeker wel 2x keer op de uitslag vliegen of dan toch zeker 1x heel vroeg om voor contractverlenging in aanmerking te komen.
De jonge duiven worden niet verduisterd en worden alleen op de natoer vluchten gespeeld. Uiteraard vallen ze dan op een gegeven moment zonder pluimen, maar toch gaan ze mee om ervaring op te doen. De selectie wordt vaak op afstamming gedaan. Ook het gevoel van de melkers speelt hier een rol. De geslachten gaan hier meestal in februari bij elkaar. Maar nu het weer wat koud is wachten ze gewoon het juiste moment af. Dus kan het best maart worden.
Het voeren wordt vrij eenvoudig gehouden. Een klassieke sportmengeling aangevuld met wat kleine maïs. Alle weduwnaars worden in de bakken gevoerd. Voor de nodige vetten worden pinda’s en snoepzaad gegeven. Grit vinden ze ook iets heel belangrijks. Dit wordt ook individueel in de weduwbakken gevoerd.
De dierenarts zal hier aan de Callandstraat niet rijk worden. Buiten de verplichte paramixo enting gaan ze normaal gesproken twee maal per jaar naar de dierenarts om alles te controleren. Als er niets aan de hand is (wat meestal het geval is) wordt er ook niks gegeven. Waar de meeste melkers voorstander zijn van een kuur tegen parathypus wordt dat in Axel NIET overgenomen. Zo wordt volgens hen de beste weerstand opgebouwd. Mocht pa Nolet er erg in hebben durft wij wel eens wat appelazijn of biergist gebruiken. Maar het kan best zo zijn dat hij dat weer 3 maanden niet geeft. Een echte regelmaat zit hier niet in.